… / Nederland / Nederlandstalige rapporten / Marteling der Armeniërs in Turkije /
Woord vooraf
Marteling der Armeniërs in Turkije – woord vooraf
MARTELING
DER ARMENIËRS IN TURKIJE
NAAR BERICHTEN VAN OOGGETUIGEN
UITGEGEVEN DOOR
HET NEDERLANDSCH COMITÉ TOT HULPBETOON
AAN DE NOODLIJDENDE ARMENIËRS
GEDRUKT BIJ DE ERVEN LOOSJES
HAARLEM
1918
titelpagina
WOORD VOORAF
Van alle volkeren, die in den wereldoorlog betrokken
zijn, heeft geen enkel naar verhouding zoo zwaar geleden
als het Armenische volk. Ofschoon het met de oorzaken
van den oorlog niets had uit te staan, noch ook in
belangrijke mate bij de eigenlijke oorlogvoering betrokken
was, heeft het in den loop van den oorlog de helft van
zijn onder Turksche heerschappij levende mannen, vrouwen
en kinderen verloren.
Het Armenische volk telde voor den oorlog ongeveer
3.600.000 zielen, waarvan bijna de eene helft in Turkije,
de andere in Rusland, en een klein deel in Perzië woonde.
Armenië mist sedert de veertiende eeuw zijne onafhankelijkheid.
Het is in den loop der tijden tusschen Rusland, Turkije
en Perzië verdeeld en heeft, gelijk bekend is,
steeds onder zeer grooten druk geleefd. Hervormingen,
waardoor de Armeniërs meer bestaanszekerheid zouden
krijgen, zijn vaak toegezegd, doch nimmer tot stand gekomen.
Het eenige wat door de Armeniërs verlangd werd,
was veiligheid van leven en eigendom, en bescherming
tegen de roofzuchtige Koerden.
De laatste groote moordpartijen in 1909 van Turksche
zijde te Adana aangericht, hebben opnieuw op de noodzakelijkheid
van een beteren toestand de opmerkzaamheid
gevestigd, en onder de pressie der groote mogendheden
pagina 3
werd in 1914 een hervormingsplan aangenomen, dat onder
toezicht van de hoofdinspecteuren Westenenk (een Hollander)
en Hoff (een Noor) tot stand zoude worden gebracht.
Terstond bij den aanvang van den oorlog werden de beide
hoofdinspecteurs ontslagen.
De Tuksche Armeniërs hebben bij de mobiliseering
van het Turksche leger, en in de eerste oorlogsmaanden,
hun plicht op loyale wijze vervuld. Niettemin schijnt de
Jong-Turksche Partij, die in haren strijd tegen Abdul
Hamid van de hulp der Armeniërs in ruime mate partij
had getrokken, het oogenblik geschikt te hebben geacht
om de Armenische Kwestie, welke na den oorlog vanzelf
weder op het tapijt moest komen, bij voorbaat op,
eenvoudige en radicale wijze op te lossen, door achter den
rug van Europa de uitroeiings-politiek van Abdul Hamid
– in versterkte mate – weder op te vatten. In de
afschaffing der Kapitulatiën en in den oorlogstoestand in
geheel Europa, schijnen zij daartoe een gelegenheid te
hebben gezien, als zich niet licht weder zoude voordoen.
De christelijke bevolking werd ontwapend, het Turksche
gepeupel daarentegen gewapend. Koerden en georganiseerde benden,
samengesteld uit ontslagen misdadigers,
mochten ongestraft de christelijke dorpen overvallen en
uitplunderen.
Maar dit was nog slechts een begin. In het voorjaar
van 1915 werd het bevel uitgevaardigd, dat alle Armeniërs
uit hun woonplaatsen in Hoog-Armenië, Cilicië,
West-Anatolië en Mesopotamië naar elders zouden
worden overgebracht. Op de rechteloosheid der eerste oorlogsmaanden
volgde dus het verschrikkelijke noodlot van de uitroeiing,
door middel van deportatie. Niet de mohamedaansche bevolking,
noch de plaatselijke autoriteiten – welke integendeel
zich meestal tegen den maatregel verzetten – maar
de Regeering heeft de uitroeiingspolitiek voor hare reke-
pagina 4
ning. Voorwendsels van strategischen aard en insinuaties omtrent
een voorgenomen Armenische revolutie, deden dienst
om de deportatie van een bevolking van 1.400.000 mannen,
vrouwen en kinderen uit alle standen, te rechtvaardigen.
Wat beteekende deze deportatie nu in werkelijkheid
voor de bevolking? Naar het voorgeven van de autoriteiten,
een vreedzame en ordelijke verhuizing naar hare nieuwe
woonplaatsen, in waarheid echter: de roof van de geheele have van
het volk, het vermoorden van het mannelijk deel der bevolking, het
wegslepen van de jonge vrouwen en meisjes naar Turksche harems
en Koerdische dorpen, het verkoopen van de kinderen op
slavenmarkten en het overleveren van de overigen, voor zoover zij
nog in leven zijn gebleven, aan een langzamen dood door ziekte en
honger. Slechts wie tot den Islam overging kon leven en bezittingen
redden. Gespaard bleven slechts de in Constantinopel en Smyrna
woonachtige Armeniërs, ten getale van ongeveer 200.000 menschen,
welke men niet onder de oogen van Europa durfde aangrijpen; en
voorts de vluchtelingen uit de grensdistricten, die bij den inval der
Russen naar den Kaukasus wisten te ontkomen. De voor den
krijgsdienst opgeroepen jonge mannen werden ontwapend en naar
het binnenland gezonden, om te werken bij het onderhoud van
wegen, en daar bij troepen vermoord. Van de gedeporteerde massa
der bevolking zijn naar schatting, 800.000 door systematische
slachting en uithongering omgekomen.
De rest van het Armenische volk is een hongerlijdend
bedelaarsvolk, in hoofdzaak uit grijsaards, oudere vrouwen en
kinderen bestaande. Aan den rand van de woestijn van
Mesopotamië zijn groote troepen van deze ongelukkigen
in concentratiekampen bijeen gedreven, waar honger en ziekte
het werk van de Turksche wapenen voortzetten; andere zijn
over mohamedaansche dorpen verdeeld, waar zij met bedelen
hun ellendig bestaan voort-
pagina 5
slepen. Het nog in leven gebleven deel van de Turksch-Armenische
bevolking, zal nog ongeveer 300.000 à 400.000
in getal zijn; daarbij komen nog wel 200.000 vrouwen,
meisjes en kinderen, die met geweld geïslamiseerd zijn.
Het aantal kinderen, dat van hun naast bestaanden gescheiden,
op de karavanenwegen is blijven liggen en in
de steden, welke men voorbijgekomen is, als honden rondloopt,
gaat tot in de tienduizenden. Het bloeiende schoolwezen der
Armeniërs met meer dan 120.000 leerlingen,
bestaat niet meer; meer dan 1000 christelijke kerken staan
leeg, of zijn in moskeeën veranderd.
Zonder schroom kan worden gezegd, dat hetgeen hier
aan een geheel volk is overkomen, in verscheidene voorafgaande
eeuwen zijn wedergade niet vindt. Het is nauwlijks
te gelooven, dat in de twintigste eeuw de uitroeiing van
nagenoeg een geheel volk onder zoo ontzettende omstandigheden,
op onzen aardbodem nog mogelijk was. Doch
alleszins geloofwaardige getuigenissen van neutrale consulaire
ambtenaren, van Duitsche en Zwitsersche hoofden
en ondergeschikten van zending en onderwijs, zijn bij
boekdeelen aanwezig en nemen allen twijfel weg.
Na het ontzettende, dat geschied is, het verschrikkelijkste
wel wat deze aan vreeselijkheden zoo rijke oorlog te
zien gegeven heeft, blijft slechts de vraag over, of aan de
overlevenden of althans aan een deel van hen, nog hulp kan
worden geboden.
Reeds terwijl de deportatie nog aan den gang was, zijn er
in Turkije menschenvrienden, consuls, zendelingen en
andere aldaar wonende Europeanen geweest, die het mogelijke gedaan
hebben om het lot van de van huis en have
verjaagden te verzachten. Er is sedert dien, veel geschied
om voor zoover de Turksche autoriteiten zulks toelieten, te
voorkomen dat nog meer menschen door honger te gronde
gingen. In bijna alle landen van Europa en van Amerika
(ook in Duitschland, waar vele kringen met ont-
pagina 6
zettend leedwezen den loop van zaken hebben gezien en
waar groote bedragen zijn bijeengebracht) hebben zich
hulpcomités gevormd en zijn gelden verzameld,
welke georganiseerde hulp aan de vluchtelingen in den Kaukasus
en onder de, aan den rand van de woestijn te zamen gedreven,
ongelukkigen mogelijk maakten.
De ondergeteekenden hebben gemeend, dat Nederland
bij dit werk niet achter kon en wilde blijven, en doen een
beroep op allen om bijdragen, groot of klein, te willen
afzonderen voor het werk van het in stand houden van de
resten van het zoo ontzettend zwaar getroffen Armenische
volk. Zij hebben zich, waar rechtstreeksche relatiën van
Nederland met personen in de streken, waar het hulpwerk
te verrichten, valt niet bestaan, in verbinding gesteld met
het Zwitsersche Comité, dat over zulke relatiën wèl
beschikt, doordat vele zendelingen en onderwijzers van
deze nationaliteit in die streken werkzaam waren vóór den
oorlog en zich aldaar thans voor de hulpverleening hebben
beschikbaar gesteld.
Het Zwitsersche Comité, dat bereids belangrijke sommen
sedert 1915 heeft overgemaakt, geeft volledige garantie,
dat de gelden tot zijne beschikking gesteld, ten volle aan
hun doel ten goede komen.
Niet twijfelende, of het bovenstaande voor welks juistheid de
leden van het Uitvoerend Comité, na kennisneming
van talrijke geschriften en rapporten, durven in te staan,
U aanleiding zal geven een bedrag voor de instandhouding
van het Armenische volk af te zonderen, noodigen de
ondergeteekenden U uit, bijgaand inschrijvingsbiljet aan
een van hen te doen toekomen.
Februari 1918.
Het Nederlandsche Comité:
(Zie hierachter.)
pagina 7
Uitvoerend Comité
Mr. ANT. VAN GIJN, Voorzitter, te 's-Gravenhage. Oud-Minister van Financiën.
Jhr. Mr. A.F. DE SAVORNIN LOHMAN, te 's-Gravenhage. Minister van Staat, lid van de 2e Kamer der Staten-Generaal.
Mr. R.J.H. PATIJN, te 's-Gravenhage. Lid van de 2e Kamer der Staten-Generaal.
Mejuffrouw E.J. VAN DER HOOP, te 's-Gravenhage. Secretaresse-Penningmeesteresse.
Mejuffrouw L.C.A. VAN EEGHEN, te Amsterdam.
S.P. VAN EEGHEN, te Amsterdam. President van de Kamer van Koophandel.
E. SILLEM, te Amsterdam. Lid van de firma Hope & Co.
[Overige leden van het comité]
Dr. J.C.J. BIERENS DE HAAN, te Rotterdam. Arts.
Mr. W.C. MEES, te Rotterdam. Secretaris Ned. Handels-Hoogeschool.
Professor J. DE ZWAAN, te Groningen.
Jhr. Mr. D.R. DE MAREES VAN SWINDEREN, te Groningen. Rechter in de Arr. Rechtbank.
Mr. J.A. STOOP, te Leeuwarden. Advocaat, lid van de Provinciale Staten.
Mr. G.W. BARON VAN DER FELTZ, te Assen. Lid van de 1e Kamer der Staten-Generaal.
Mr. W. BARON DE VOS VAN STEENWIJK, te Wijhe. Lid van de 1e Kamer der Staten-Generaal.
Mevrouw van KRETSCHMAR VAN VEEN-VAN DE POLL, te Utrecht.
Mr. C.J. BARON VAN TUYLL VAN SEROOSKERKEN, te Arnhem. Rentmeester van het Kroondomein.
Mr. A.F. BARON VAN LYNDEN, te Baarn. Oud-Burgemeester van Utrecht.
Jhr. Mr. P.J.J.S.M. VAN DER DOES DE WILLEBOIS, te 's-Hertogenbosch. Lid van de 1e Kamer der Staten-Generaal.
Jhr. Mr. CH. RUIJS DE BEERENBROUCK, te Maastricht. Lid van de 2e Kamer der Staten-Generaal.
A. BIERENS DE HAAN, te Haarlem.
Professor Dr. J.PH. VOGEL, te Leiden.
Ds. H. KOFFIJBERG, te Muiderberg. Predikant, Generaal-Agent voor Nederland.
pagina 8
De ondergeteekende
wonende No. te
verklaart zich bereid bij te dragen voor Hulp voor het Armenisch Volk, de somma van (in letters)
(in cijfers) ƒ
, den 191 .
(onderteekening)
S.v.p. in te zenden aan de Secretaresse-Penningmeesteresse Mej. E.J. VAN DER HOOP, Kanaalstraat 7a, te 's Gravenhage, of aan een der andere leden van het Comité.
De ondergeteekende
wonende No. te
verklaart zich bereid bij te dragen voor Hulp voor het Armenisch Volk, de somma van honderd gulden, als jaarlijksche verplegingskosten van één weeskind.
(in cijfers) ƒ
, den 191 .
(onderteekening)
S.v.p. in te zenden aan de Secretaresse-Penningmeesteresse Mej. E.J. VAN DER HOOP, Kanaalstraat 7a, te 's Gravenhage, of aan een der andere leden van het Comité.
[uitscheurbare bonnen, zonder paginanummering]
De ondergeteekende
wonende No. te
verklaart zich bereid bij te dragen voor Hulp voor het Armenisch Volk, de somma van (in letters)
(in cijfers) ƒ
, den 191 .
(onderteekening)
S.v.p. in te zenden aan de Secretaresse-Penningmeesteresse Mej. E.J. VAN DER HOOP, Kanaalstraat 7a, te 's Gravenhage, of aan een der andere leden van het Comité.
De ondergeteekende
wonende No. te
verklaart zich bereid bij te dragen voor Hulp voor het Armenisch Volk, de somma van honderd gulden, als jaarlijksche verplegingskosten van één weeskind.
(in cijfers) ƒ
, den 191 .
(onderteekening)
S.v.p. in te zenden aan de Secretaresse-Penningmeesteresse Mej. E.J. VAN DER HOOP, Kanaalstraat 7a, te 's Gravenhage, of aan een der andere leden van het Comité.
[bonnen]




