… / Nederland / Nederlandstalige rapporten / Marteling der Armeniërs in Turkije /
Tweede deel: het lot der weggevoerden
Marteling der Armeniërs in Turkije – tweede deel
TWEEDE DEEL
HET LOT DER WEGGEVOERDEN
Wij hebben tot hiertoe de tooneelen beschreven
die zich in de verschillende provincies, steden en
dorpen hebben afgespeeld. De maatregel van wegvoering
beteekende meestal het vermoorden en uitroeien
der bevolking.
Vooral hadden de Turken het voorzien op de
mannelijke Armeniërs, en ten hunnen opzichte waren
steeds maatregelen getroffen al vorens men overging
tot de massa-deportatie. De politieke voormannen
en de intellectueele leiders werden naar het binnenland
vervoerd of gedood. De militie-plichtigen, mannen
in den leeftijd van 16-60 jaren, soms ook tot
70 jaren, waren bij het leger ingelijfd. Zij werden
gebruikt voor lastdragers, en moesten wegarbeid verrichten
aan straatwegen in onbegaanbare gebergten.
Bij de uitvoering van het deportatie-bevel werden
in den regel de nog in de plaatsen overgebleven
mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden
en in de nabijheid der stad of onderweg gedood.
Over het lot van hen die als lastdragers werden gebruikt
of heerendiensten moesten verrichten op de
openbare wegen kunnen zij slechts spreken die toevallig
het binnenland hadden doorkruist en oogge-
pagina 158
tuigen waren van de methodische verwoesting van geheele kolonnes.
Het begin van de voorloopige maatregelen bestond
in het volkomen weerloos maken der Armenische bevolking
opdat zij bij een wegvoering geen gevaar zou
opleveren, en de deportatie zou kunnen geschieden
met een klein eskorte van Turksche manschappen.
Hoewel uitvoerig is stilgestaan bij hetgeen de gedeporteerden
uit de verschillende wilajets hebben
moeten doorstaan, is het niettemin noodzakelijk de
weggevoerden zoo ver mogelijk te volgen op hun
reis naar het verbanningsoord.
De route die bij het wegvoeren der bevolking werd
gevolgd is thans nog duidelijk na te gaan, daar
slechts enkele wegen van uit het binnenland leiden
naar de plaatsen van bestemming der gedeporteerden.
Een planmatige wegvoering van een bevolking
kan zelfs de beste regeering voor de moeilijkste problemen
zetten. Vooraf moet men maatregelen treffen
voor het verkeer, voor transportmiddelen en voor
verpleging onderweg; men moet in het nieuwe gebied
alles voorbereiden om zulk een massa, zij het
ook voorloopig, onder te brengen en te verplegen.
De vestiging van een bevolking, die bij tienduizenden
het bestemde distrikt zullen gaan bewonen brengt
moeilijkheden met zich ten opzichte van de rechten
en het bezit van de huidige bewoners, en alleen een
voortreffelijk regeeringssysteem kan zulke problemen
tot een oplossing brengen en een botsing tusschen de
oude en nieuwe elementen in een distrikt voorkomen.
Bij de deportatie der Armeniërs in de grensdistrikten
der Arabische woestijn, had men zich over
pagina 159
deze vragen niet bezorgd gemaakt. De wijze waarop
de deportatie geschiedde en de behandeling die de
weggevoerden hebben ondergaan, toonen duidelijk
dat het de bevoegde macht niet deerde, al kwam
een groot deel der Armeniërs om het leven, ja, 't
was zelfs duidelijk dat het diezelfde macht niet
onwelkom zou zijn als zij van verdere moeite zouden
ontslagen zijn en dat onderweg de helft der weggevoerden
zou omkomen.
Het doel der deportatie was niet, zooals het heette,
het deel van het door de Bagdadspoorweg ontsloten
Mesopotamische gebied, maar de meer zuidelijk gelegen
arabische woestijn, die zich tot in het onmetelijke
uitstrekt. De Mesopotamische steden zijn zelfs
ontruimd geworden. Doel der deportatie was het gebied
tusschen Deir-es-Sor aan de Euphraat (300 K.M.
ten Z.O. van Aleppo) en Mosoel aan de Tigris. Op
dit gebied bevinden zich slechts hier en daar enkele
dorpen; voor het overige dient het als verblijfplaats
voor de doortrekkende Nomadenhorden der
Arabieren. De wegen naar dit gebied leiden over Aleppo
in de richting van Deir-es-Sor aan de Euphraat,
over Urfa, Weranscheher en Nisibin aan den noordrand
der Arabische woestijn en over Djesireh in de
richting van Mosoel. Latere transporten werden ook
over Damascus naar den Hauran gedirigeerd. De
Taurusketen, die het noordelijk deel van Anatolie
van de Mesopotamische laagvlakte scheidt, wordt
slechts op enkele plaatsen door eenigszins begaanbare wegen doorbroken.
Vanuit Klein-Azië bereikt men door de z.g.n Cilicische
poort Cilicië. Door den Amanuspas bereikt
pagina 160
men Aleppo. Een hoofdweg leidt van het Armenische
hooggebergte over Kharput, Diarbekir en
Mardin naar de Mesopotamische vlakte. Van dezen
hoofdweg leidt nog een weg oostwaarts over moeilijk
begaanbare bergpaden over Malatia en Adiaman, die
bij Samsat de Euphraat snijdt en in Urfa de straat
bereikt, die van Aleppo naar Diarbekir voert.
Alles wat uit de Wilajets Erzeroem en Trapezunt
naar het zuiden werd getransporteerd, moest langs
de westelijke Euphraat den weg over Egin en
Arabkir naar Kharput of Malatia inslaan. De transporten
uit Siwas gingen meestal dienzelfden weg.
De ontruiming der Taurus-dorpen, en van het Cilicische
gebied, ondervond nog de minste moeilijkheid
omdat hier de straatweg over Marasch en Aintab
naar Urfa en Aleppo, en de Bagdadspoorweg ten
noorden van het Amanusgebergte ter beschikking
stonden. Om de bevolking uit de middenprovinciën
en de West-Anatolische wilajets weg te voeren stonden
zoowel de Bagdadbaan, als de oude wegen die er
langs leiden, ter beschikking. De spoorweg werd
echter alleen gebruikt door hen, die geld genoeg
bezaten om een plaats te koopen in een veewagen,
maar ook de treinen waren zeer spaarzaam op dit
gebied daar zij in hoofdzaak noodig waren voor het
vervoer van troepen. Een deel der Cilicische bevolking
had men in de moerassen van het Wilajet Konia
gehuisvest. De gezinnen uit het Ismid- en Brussagebied
werden systematisch verstrooid. Gezinnen en
personen, meest mannen, vrouwen en kinderen, van
elkander gescheiden, werden in groepen van 10 à 12 personen
in Mohammedaansche dorpen ondergebracht ten
pagina 161
einde daar den Islamitschen godsdienst aan te nemen.
Uit de oostelijke Wilajets leidt slechts één weg
over Bitlis en Sört aan de Tigris naar Djesireh en
Mosoel. De gedeporteerden die langs deze wegen zijn
vervoerd, werden onderweg vermoord of in het water
geworpen.
Slechts de bewoners van de grensdistricten in Erzeroem
en de omwoners van het Wan-meer konden
een toevluchtsoord vinden aan gene zijde der Turksche
grenzen. Uit de dorpen bij Sueidye aan de uitmonding
der Orontes, konden 4058 Armeniërs op
den Djebel-Moesah vluchten, waarbij 3004 vrouwen
en kinderen. Zij werden aan boord van een Franschen
kruiser opgenomen en naar Alexandrië vervoerd.
Wij laten nu verschillende berichten over het lot
der gedeporteerden volgen.
MEDEDEELINGEN VAN HET AMERIKAANSCH CONSULAAT
Uit Kharput schreef de Amerikaansche Consul
Leslie A. Davis het volgende:
KHARPUT, 11 Juli 1915
“Wanneer men met de deportatie eenvoudig
bedoelde een verandering van woonplaats der
bevolking, dan was dit nog wel te verdragen,
maar iedereen weet dat de Turken niets anders
willen dan den dood der Armeniërs. Indien er
nog twijfel zou hebben bestaan dienaangaande,
zou deze wel zijn verdwenen wanneer men ge-
pagina 162
tuige was geweest van den aankomst der gedeporteerden
uit Erzeroem en Erzingjan, in totaal
eenige duizenden personen. Meermalen heb ik
hen in hun verblijfplaatsen opgezocht en met
sommigen hunner een gesprek aangeknoopt. Een
meer troosteloozer aanblik kon men zich moeilijk
voorstellen. Zonder uitzondering waren zij
in lompen gehuld, hongerig, ziek en vervuild.
Dat was ook geen wonder wanneer men bedenkt
dat zij in geen twee maanden hun kleederen
hadden kunnen verwisselen, gelegenheid om zich
behoorlijk te wasschen bestond er niet en zij waren
bijna dien geheelen tijd zonder eten gebleven.
De Regeering stelde enkele rations brood te hunner
beschikking, en ik was op zekeren dag er
getuige van hoe zij waren, als het brood hun
werd gebracht. Gelijk wilde beesten sprongen zij
op het voedsel af. Zij drongen de wachten die het
brood uitreikten opzij, maar deze sloegen hen
met stokken terug. Menigeen werd daarbij zoo
geranseld dat de dood onmiddellijk intrad. Wanneer
men die verslagenen zag liggen kon men
niet gelooven dat dat menschelijke wezens waren.
Wanneer men door hun kamp gaat komen
van alle kanten moeders met kinderen aanloopen
met de bede de kleinen mede te willen
nemen. Alles wat iets bekoorlijks had onder de
meisjes en kinderen werd door de Turken uitgekozen.
Zij werden als slaven verkocht, tenminste
wanneer zij niet voor ergere handelingen
werden gebruikt. Tot dit doel werden zelfs artsen
gerequireerd om de meisjes die den Turken
pagina 163
voldeden, te onderzoeken en de besten onder
hen uit te kiezen.
Mannen waren zeer sporadisch in de kampen
te vinden, de meesten waren onderweg gedood.
Allen vertelden eenzelfde geschiedenis: zij waren
door de Kurden aangevallen en van alles beroofd.
Velen hunner waren telkens opnieuw aangevallen
en de mannen werden daarbij gedood,
ook vrouwen en kinderen waren moedwillig
omgebracht. Vele gedeporteerden stierven onderweg
van ontbering en ziekte en iederen dag vielen
er dooden. Telkens kwamen er weer nieuwe
transporten van weggevoerden aan, die dan later
zonder eenige bestemming weer werden voortgedreven.
De hier aangekomenen vormen met elkaar
slechts een klein deel van hen die uit hun
woonplaatsen werden verdreven, en wanneer het
zoo voort blijft gaan, zal weldra het geheele
kamp uitgestorven zijn.
Onder hen met wie ik nog heb kunnen spreken,
waren drie gezusters. Zij waren in een Amerikaansch
zendingshuis opgevoed en spraken
vloeiend Engelsch. Zij vertelden dat hun familiekring
eene der rijkste uit Erzeroem was, en dat zij
bij hun vertrek 25 familieleden telden. Thans
waren er nog 14 overgebleven; de overige elf
waaronder zich de echtgenoot van een der zusters
bevond, waren zoo vertelden zij, voor hun oogen
door de Turken geslacht. De oudste mannelijke
overlevende was 8 jaar. Toen zij Erzeroem
verlieten bezaten zij geld, paarden en verschillende
eigendommen. Maar alles was hun ontno-
pagina 164
men, zelfs hun kleeding. Eenigen hunner werden
volgens de mededeelingen der zusters volkomen
naakt uitgekleed, anderen werd slechts één kleedingstuk
overgelaten. Toen zij een dorp bereikten,
waren er enkele gendarmen die kleederen
voor de vrouwen kochten.
Een ander meisje waarmee ik sprak, was de
dochter van den protestantsch predikant in
Erzeroem. De gezinsleden waarmede zij uit
Erzeroem was verdreven waren allen gedood,
zij alleen was overgebleven. Dit meisje met nog
enkele anderen waren de eenig overgeblevenen van
een transport. Zij werden in een oud schoolgebouw
even buiten de stad ondergebracht; niemand
mocht den bannelingen een bezoek te brengen.
Zij waren niets anders dan gevangenen;
slechts van een waterput in de nabijheid van
het gebouw konden zij gebruik maken. Daar
ontmoette ik haar toevallig. Alle andere gedeporteerden
moesten in de open lucht wonen, zonder
eenige beschutting tegen de heete zonnestralen
op den dag, of tegen de koele nachten.
De toestand dezer menschen is een duidelijke
afschaduwing van het lot dergenen die verder
trokken en nog zullen passeeren. Tot nu toe heeft
men van eerstgenoemden niets meer gehoord en
ik durf de meening uit te spreken dat men van
hen ook niets meer zal hooren.
Het systeem dat men getrouwelijk volgt,
schijnt het volgende te zijn: Men laat Kurdenbenden
onderweg de weggevoerden overvallen
om vooral mannen, maar ook vrouwen en kin-
pagina 165
deren te dooden. De geheele maatregel is het
beste georganiseerd bloedblad van alle, die het
land immer heeft aanschouwd.”
MEDEDEELING VAN EEN DUITSCHEN SPOORWEGBEAMBTE
VAN DEN BAGDADBAAN
“Toen de bewoners der Cilicische dorpen werden
verdreven, waren de meesten hunner nog in het
bezit van ezels die zij bezigden als rijdier of lastdier.
Door de begeleiders van het transport
werd echter bevolen dat alleen Turksche
ezeldrijvers van de dieren gebruik mochten maken;
den gedeporteerden, zoowel mannen als vrouwen,
was het rijden verboden. Die ezeldrijvers
maakten van die bevoorrechting schromelijk
misbruik; wanneer zij ook maar vermoedden
dat de ezels een of andere kostbare lading met
zich voerden, hielden zij dezen achter. Ander
vee, dat door sommigen was medegenomen, werd
den bezitters onderweg ontnomen of tegen een
zoo lagen prijs opgekocht dat zij het evengoed
hadden kunnen schenken.
Een vrouw, wier familie mij bekend is, verkocht
90 schapen voor 100 Piaster; in gewonen
tijd had zij er 60-70 Turksche ponden (± ƒ 780)
van gemaakt, m.a.w. zij kreeg voor 90 schapen
de waarde van één schaap vergoed.
Aan de dorpsbewoners van Scheh was verlof
gegeven hun ossen, wagens en lastdieren
pagina 166
mede te nemen. Bij Gokpunar werden zij echter
gedwongen den rijweg te verlaten en verder het
korteren voetpad te volgen door het gebergte.
Met achterlating van al hun dieren en al hun
bezit moesten zij te voet verder gaan. De soldaten
verklaarden eenvoudig, dat zij bevel hadden
ontvangen dezen weg te volgen.
Vanaf den dag der ontvoering ontvingen de
gedeporteerden per hoofd en per maand (niet
per dag) een kilogram brood. Zij leefden van
hetgeen zij nog hadden meegenomen. Zoo nu
en dan kregen zij een klein bedrag aan geld.
Ik hoorde van 30 personen, die vroeger de meest
voorname inwoners waren, van het Tsjerkessen-dorp
Bumbudch, 1½ dag reizen van Aleppo,
dat zij in 30 dagen 20 piasters hadden ontvangen,
niet per hoofd maar de 30 personen tezamen,
alzoo per persoon 10 penning per maand. Door Marasch
kwamen in de eerste dagen 400 vrouwen, barrevoets
en met een kind op den arm en een op den
rug (dikwijls zelfs een dood kind) en meestal nog
een kleine aan de hand. Door de Armeniërs van
Marasch, die later zelf werden weggevoerd, waren
voor bijna 600 gulden aan schoenen gekocht,
teneinde de doortrekkende Armeniërs daarvan
te voorzien. Tusschen Marasch en Aintab wilde
de Mohammedaansche bevolking aan de doortrekkende
gedeporteerden, een transport van
ongeveer 100 gezinnen, eenig brood uitreiken.
De soldaten lieten het echter niet toe. De
Amerikaansche zendelingen en de Armeniërs
van Aintab, die later eveneens werden wegge-
pagina 167
voerd, zagen de kans schoon om des nachts
aan de transporten die door Aintab kwamen
– welke transporten in totaal 20 à 30.000 personen
telden, meest vrouwen en kinderen –
brood en geld uit te reiken. Het waren de dorpen
uit het district Marasch. Deze weldadigheid werd
echter opgemerkt en de transporten werden
voortaan niet meer door Aintab gevoerd. Maar
desniettegenstaande konden de Amerikaansche
zendelingen hun nachtelijke proviandeeringen
blijven voortzetten, tot zelfs bij Nisib (9 uur
zuid-oostelijk van Ainteb, op den weg naar de
Euphraat).
Gedurende het transport werden de gedeporteerden
allereerst van hun geld beroofd. Een
gedeporteerd protestantsch predikant bemerkte
hoe van een gezin 43 ponden, van een ander gezin
28 ponden afgenomen werden. De pas gehuwde
prediker moest zijn vrouw, die haar eerste kind
verwachtte, in Hadjin achterlaten. Overigens bestaat
vier-vijfde deel der gedeporteerden uit vrouwen en
kinderen. Drie-vijfde deel ging blootsvoets. Een
man uit Hadjin, dien ik persoonlijk goed ken,
en een vermogen bezat van minstens 15.000 pond
(± ƒ162.000) was evenals zijn lotgenooten tot
zelfs van zijn kleederen beroofd, zoodat hij, om
weer in 't bezit te komen van de voornaamste
kleedingstukken, moest bedelen.
Ook was het voor de gedeporteerden een bron
van veel verdriet, dat zij hun dooden niet konden
begraven. Die moesten op den weg blijven
liggen. Vrouwen droegen hun reeds gestorven
pagina 168
kindertjes nog dagen lang op den weg met zich.
In Bab (10 uren oostelijk van Aleppo) werd de
doortrekkende menigte voor een bepaalden tijd
ondergebracht, maar men gaf geen verlof terug
te keeren om de achtergelaten doode familieleden
te begraven.
Het zwaarste lot trof wel de vrouwen die
onderweg een kind ter wereld moesten brengen.
Men liet hen eenvoudig daartoe geen tijd. Een
vrouw schonk in den nacht aan een tweeling
het leven. Des morgens moest zij met de twee
kleinen op haar rug te voet verder gaan. Na
twee uren loopen kon zij niet meer. Zij moest
haar twee kindertjes onder een boom achterlaten
en werd door de Turksche soldaten gedwongen
met het transport verder te gaan. Een andere
vrouw viel onder weg neder; door slagen werd
zij gedwongen verder te gaan, maar viel weldra
dood neer. Weer een andere vrouw werd door
Amerikaansche verpleegsters omringd toen het
tijdstip van hare bevalling gekomen was. Men
wist te bewerkstelligen dat de vrouw op een
ezel werd geladen en zij met haar in lompen gehuld
kindje verder kon gaan.
Deze voorbeelden gelden alleen hetgeen er is
voorgevallen tusschen Marasch en Aintab. Men
vond in de een uur te voren verlaten verblijfplaats
een pasgeboren kind. In Marasch vond
men in een dergelijke verblijfplaats 3 pasgeboren
kindertjes op een mesthoop.
Ontelbaar was het aantal kinderlijkjes dat
men onderweg aantrof. Een Turksch majoor, die
pagina 169
drie jaar geleden met mij terug is gekomen,
vertelde dat vele kinderen door de moeders
werden achtergelaten, daar zij de kleinen niet meer
konden voeden. Grootere kinderen werden
door de Turken aan de moeders ontnomen. De
majoor nam, evenals zijn broeder, een kind onder
zijn bescherming. De Turken wilden het in Mohammedaansche
gezinnen laten opvoeden. Een
dezer kinderen sprak Duitsch; het moet dus een
weeskind uit een Duitsch weeshuis geweest zijn.
Het aantal vrouwen dat onderweg is bevallen, en
die behoorden bij de hier gepasseerde transporten,
kan worden geschat op 300.
Een gezin, in de bitterste armoede en ellende
gedompeld, verkocht in wanhoop het 18-jarige
dochtertje aan een Turk voor 6 Lira (± 66 gulden).
De mannen der meeste vrouwen waren voor den
dienst opgeroepen. Wie aan het oproepingsbevel
geen gehoor gegeven had, werd opgehangen of
gefusileerd, kort geleden in Marasch nog zeven
tegelijk. De militieplichtigen waren meestal
bestemd voor den arbeid aan de wegen en
mochten geen wapens dragen. De terugkeerenden
vonden hunne huizen leeggeplunderd. Twee dagen
geleden trof ik in Djerabulus een Armenisch
soldaat, die van Jeruzalem was gekomen om met
verlof naar zijn huis, naar Geben te gaan (tusschen
Zeitoen en Sis). Ik ken den man sinds
jaren. Hier aankomende moest hij ervaren dat
zijn moeder, zijn vrouw en drie kinderen waren
weggevoerd. Alle nasporingen naar zijn gezin
bleven vruchteloos.
pagina 170
Sinds 28 dagen kan men dagelijks lijken in
de Euphraat zien, die stroomafwaarts drijven,
sommigen ruggelings aan elkaar gebonden, zelfs
groepen van 3 tot 8 menschen aan de armen
samengeknoopt. Aan een Turksch overste werd
gevraagd waarom hij die lijken niet liet begraven;
het antwoord luidde dat hij daartoe geen
opdracht ontvangen had, en bovendien kon men
niet vaststellen of de lijken van Mohammedanen
of wel van Christenen waren, daar de
geslachtsdeelen waren afgesneden. Alleen Mohammedanen
mochten worden begraven. Lijken, die aan den
oever waren aangespoeld, werden door de honden
opgevreten. Andere lijken, die op de zandbanken
waren blijven liggen, werden door de gieren en
andere roofvogels verscheurd. Een Duitscher zag
op een enkelen tocht dien hij maakte zes paar
lijken stroomafwaarts drijven. Een Duitsch ritmeester
verhaalde dat hij op zijn reis van
Diarbekir naar Urfa aan beide zijden van den
weg een groot aantal onbegraven lijken zag van
jonge mannen met afgesneden hals. (Het waren
de voor den militairen dienst opgeroepen Armenische
wegwerkers, zie pag. 109). Een Turksche
Pacha uitte zich op deze wijze jegens een
voornaam Armeniër: “Wees maar blij wanneer
je tenminste in de woestijn een graf zult vinden;
dat zelfs missen de meeste Armeniërs nog!”
Niet de helft van de weggevoerden blijft in leven.
Eergisteren stierf hier aan 't station een vrouw;
gisteren was het getal dooden 14 en heden weer 10.
Een protestantsch predikant zeide tot een Os-
pagina 171
manische Turk: “Van deze gedeporteerden blijft
niet de helft in 't leven!” Het antwoord van
den Turk luidde: “Dat is ook de bedoeling!”
Men moet bij dit alles echter niet vergeten
dat er ook Mohammedanen zijn die de gruwelen,
door de Turken bedreven, ten strengste veroordeelen.
Een Mohammedaansch scheich, een algemeen
geachte persoonlijkheid in Aleppo, zeide
in mijn tegenwoordigheid: “Wanneer men gaat
spreken over de behandeling die de Armeniërs
hebben ondervonden, dan schaam ik mij zelven,
dat ik een Turk ben.”
Zij die prijs stellen op het behoud van hun leven,
worden gedwongen den Islam te belijden.
Om dit werk te bevorderen, werden enkele gezinnen
gehuisvest in geheel Mohammedaansche
dorpen. Het aantal gedeporteerden dat door
Aintab is getrokken, bedraagt ongeveer 50.000.
Een groot deel van hen had des avonds bevel
gekregen den daaropvolgenden morgen te vertrekken.
De groote transporten gaan over Urfa,
de kleinere over Aleppo; deze in de richting
van Mosoel; gene in de richting van Deir-es-Sor.
De Turken beloofden dat zij op de plaats van
bestemming behoorlijk zouden worden gehuisvest,
maar zij die het zwaard of de kogel ontgingen,
stierven den hongerdood. In Deir-es-Sor zijn van
de transporten ongeveer 10.000 personen aangekomen;
van de rest is niets meer vernomen.
Van hen die in de richting van MosoeI werden
weggevoerd zeide men: zij zouden 25 Kilometer
van het spoorwegstation worden gehuisvest; het-
pagina 172
geen wel zal beteekenen dat de uitroeiing aldaar
kon geschieden, zonder dat er één overbleef.
Wat ik hierboven heb geschreven is slechts
een klein deel van de gruwelen, die sinds een
paar maanden hier geschieden en die iederen
dag nog toenemen. Het is slechts een klein deel
van hetgeen ik zelf gezien of van kennissen,
die ooggetuigen waren, heb gehoord.
Voor hetgeen wat ik heb medegedeeld kan
ik ten allen tijde de uren, waar op dit alles geschied
is, zoowel als de personen die getuigen
waren van de gruwelen, aangeven en aanwijzen.”
UITTREKSEL VAN EEN BRIEF VAN DE ARMENISCHE
MARIZA KEJEJJAN, UIT HUSSEINIK,
(een half uur van Kharput gelegen) die, als zijnde in
Amerika genaturaliseerd, een pas kon bekomen naar
Alexandrië.
2 November 1915
Tegen de paaschfeesten vonden in Kharput,
Mesereh en de omliggende dorpen veel inhechtenisnemingen
plaats. De gevangenen werden in
den kerker gefolterd. Men sloeg hen, trok hen
de haren uit het hoofd, scheurde de nagels van de
vingers en bewerkte hen verder met gloeiende
ijzers, nadat de ongelukkigen met touwen waren
vastgebonden. Een soldaat mishandelde een
zwangere vrouw om haar te dwingen de plaats
aan te duiden waar haar man verborgen zou zijn.
pagina 173
Wij werden den 4den weggevoerd en naar
Diarbekir gebracht. Wij telden ongeveer 100 gezinnen
en hadden lastdieren bij ons. Den tweeden
dag zagen wij vele lijken van mannen langs den
weg liggen; vermoedelijk waren het de 200 man,
die 10 dagen voor ons vertrek waren weggevoerd.
Wij dronken niet anders dan water uit
de rivier dat met bloed was vermengd. Ook op
den derden dag van onze reis passeerden wij
op weg naar Arghana een groot aantal lijken.
Hier waren de mannen en vrouwen afzonderlijk
gedood.
Zes dagen na ons vertrek kwamen wij in een
Kurdisch dorp. Hier verplichtte ons de gendarmen
al ons geld en goed af te staan onder bedreiging
van het verlies van onze eer. Op den
negenden dag werden wij ook van al onze kleeren
beroofd. Toen wij in Diarbekir kwamen, werden
onze lastdieren ons ontnomen en een
vrouw en twee jonge meisjes door de gendarmen weggesleept.
24 uur lang moesten wij onder hevigen
zonnebrand blijven wachten voor de poorten van
Diarbekir. Uit de stad kwamen Turken en
roofden onze kinderen. Tegen den avond hadden
wij ons voor het vertrek gereed gemaakt, toen
wij door deze Turken werden overvallen. Wij
lieten alles wat nog in ons bezit was in den
steek en stoven uiteen om ons leven en onze
eer te redden. Des nachts herhaalde zich dit
tot driemaal, en de Turken zagen ten laatste
kans de meisjes en jonge vrouwen weg te sleepen.
Den volgenden dag werden wij vele uren
pagina 174
zuidelijker gedreven zonder water te vinden.
Een groot aantal onzer stierf van honger en
dorst. lederen dag werden wij mishandeld en
eenigen onzer werden van ons gescheiden. Een
vrouw, die haar dochter wilde ontzetten, werd van
een brug afgeschopt, waardoor zij een arm brak.
Daarna werd zij met een harer dochters van
de rotsen geworpen. Toen haar andere dochter
dit zag, sprong zij hen na, om met haar moeder
en zuster te kunnen sterven.
Eindelijk kwamen wij in de nabijheid van Mardin
waar wij 8 dagen lang onder de heete zonnestralen
in het open veld verblijf moesten houden.
In de nabijheid bevond zich een groot waterbassin.
Des nachts lieten de Turken dit leegloopen en
het water overstroomde weldra ons verblijf. Dan
schoten zij op ons en roofden vrouwen en kinderen.
Op een zekeren avond kwam het bevel om
op te breken. Allerlei schandelijkheden en mishandelingen
hadden wij dagelijks te verduren.
Slechts één gendarme was er (vermoedelijk een
Arabier) die ons menschelijk behandelde.
Wij vertrokken dan en kwamen te Weranschehir
en Ras-ul-Ajin. Alvorens wij deze laatste
plaats bereikten, zagen wij onderweg drie
kuilen die geheel met lijken waren gevuld.
In Ras-ul-Ajin troffen wij een menigte vrouwen
aan uit Erzeroem, Egin, Keghi en andere plaatsen;
zij waren, evenals wij, op weg naar Deir-es-Sor.
Meermalen had men ons voorgehouden en soms
ook gedwongen den Islam te volgen. Wij hebben
geantwoord, dat wij liever in het water sprongen
pagina 175
en stierven dan ooit tot het Islamisme over te
gaan. De geestelijke leiders onzer tegenstanders
waren over dit antwoord ten zeerste verbaasd
en zeiden: “Wij hebben nog nooit menschen
ontmoet die met zulk een ijver hun godsdienst
en hun eer verdedigden als deze Armeniërs.”
In Ras-ul-Ajin ontmoetten wij Arakei Agha,
die van Aleppo was gekomen om te zien of hij
nog iemand kon redden. Het gelukte hem eenigen
naar Aleppo mede te nemen. De Armeniërs van
Aleppo zorgden voor onze voeding, wij hadden
de laatste 24 uur niets gebruikt. In Aleppo
ontmoetten wij gedeporteerden uit verschillende
deelen van Armenië; sommigen hunner waren
4 maanden onderweg geweest. Hun gezondheid
was zoo geknakt, dat er dagelijks ongeveer
40 stierven. Het waren meest vrouwen en kinderen;
de mannen waren onderweg reeds gedood
door bijlslagen en sabelhouwen. Vooraf
liet men hen hun eigen graf graven, dan
werden zij omgebracht. Een Armenisch soldaat
vertelde mij hoe de Turken de Armeniërs in
het water geworpen hadden. Hij zelf was met
nog vijf anderen, door naar de overzijde der
rivier te zwemmen, ontkomen. Zij waren drie
dagen lang onderweg geweest en zagen overal
lijken van hun rasgenooten liggen.
Gedurende den geheelen tocht hebben wij van
de Turksche overheid niets te eten gehad. Alleen
in Diarbekir werd ieder onzer een brood verstrekt
en in Mardin kregen wij dagelijks een
stuk brood dat meestal niet te gebruiken was.
pagina 176
Onze kleeren waren vervuild en door het ontzettende
lijden dreigden wij krankzinnig te worden.
Velen wisten niet, toen men hun nieuwe kleeren
uitreikte, hoe zij deze zouden aantrekken. Toen
zij voor de eerste maal weer een bad namen,
om zich van stof en slijk te reinigen, bemerkten
velen, dat zij hun haren verloren hadden.
MEDEDEELING VAN EEN MISSIONNARIS UIT
MERSIWAN
Booze dingen werden in het duister gedaan.
Kort na middernacht werden door de
gendarmen, ongeveer 300 gevangenen uit hun
kerker gehaald; zij werden aan de handen gebonden
en weggevoerd zonder dat zij eenige
kleederen of beddegoed mochten medenemen.
Aanvankelijk heette het, dat de trek zou gaan
naar Amasia, maar drie kwartier verder, op weg
naar Zileh, het beroemde oord, waar eens Julius
Cesar zijn “Veni, Vidi, Vici” naar Rome zond,
werden zij allen met bijlslagen gedood. Dag aan
dag werd op deze wijze met de gevangenen
omgesprongen. Volgens berichten van ambtenaren
werden op deze wijze 1215 mannen omgebracht
en naar getuigenis van Turksche toeschouwers
was in het verbanningsoord een groote
tent opgericht, waar de slachtoffers op het allernauwkeurigst
werden onderzocht en waar zij ten
strengste werden uitgehoord. De vragen, die men
hen stelde, golden in hoofdzaak het bezit van wape-
pagina 177
nen of mogelijke revolutionaire plannen. Tegelijk
met dit onderzoek werden alle waardevolle artikelen,
welke zij bezaten, hun ontnomen. Op eenigen
afstand van de tent was een groote kuil gegraven;
de gevangenen werden in groepen van
vijf, de handen op de rug gebonden, daarheen
gedreven. Dan moesten zij neerknielen en werd
hun met bijlslagen het hoofd van den romp gescheiden.
Dit is door ooggetuigen geconstateerd
en door gendarmen, die aan dezen bloedigen
arbeid hadden deelgenomen, bevestigd.
Nadat men op deze wijze zich had ontdaan
van de mannen, schonk men aan grijsaards en
aan knapen, beneden achttien jaar, de vrijheid,
met de woorden: “Zijne Majesteit de Sultan
heeft u vergiffenis geschonken; gaat heen en bidt
voor hem.” Het is niet mogelijk de tooneelen
te beschrijven, die zich afspeelden, toen deze
vrijgelatenen weer in hun woonplaatsen terugkeerden.
Zij hoopten vol vreugde dat alles voorbij
was en dat er voor de overgeblevenen betere
dagen zouden volgen. Maar ach, deze vreugde
duurde slechts één dag. Op den volgenden dag
reeds werd door den stadsomroeper in de straten
bekend gemaakt, dat alle Armeniërs, vrouwen,
kinderen en grijsaards, naar Mosoel zouden worden
vervoerd. Toen eerst kregen de ongelukkigen
inzicht in de waarheid. Tot nu toe hadden
zij zich illusies gemaakt, dat de weg der bevrijding
eens zou worden ontsloten. De hoop,
dat het ergste niet zou volgen, had hen niet
verlaten. Naar ik uit een gesprek, dat ik met
pagina 178
verschillende Turken, ambtenaren en anderen,
gevoerd heb, ben ik tot de overtuiging gekomen,
dat ook deze gedeporteerden allen zijn gedood.
BERICHT VAN EEN DUITSCHE ZENDELINGE
UIT DEIR-ES-SOR
In Deir-es-Sor, aldus deelde de Duitsche zendelinge,
Fräulin L. Möhring, onder dagteekening van 12 Juli
1915, mede, een groote stad 1) ongeveer zes dagreizen
van Aleppo verwijderd, vonden wij den grooten
Khan geheel gevuld. Alle ter beschikking staande
ruimte, daken en verandas, waren door de Armeniërs
bezet, in hoofdzaak vrouwen en kinderen, doch
ook een aantal mannen had, waar dit mogelijk was,
dekking gezocht. Zoodra ik hoorde, dat het Armeniërs
waren, ging ik heen, om met hen te spreken.
Het waren weggevoerden uit Furnus, uit de omgeving
van Zeitoen en Marasch, die daar, opeengepakt
in nauwe ruimten, een treurigen aanblik boden. Op
mijn vraag naar de kinderen uit onze weeshuizen
bracht men mij een leerlinge van zuster Beatrice
Rohner. Zij vertelde mij het volgende: Op zekeren
dag waren Turksche troepen naar Furnus gekomen
en hadden een groot aantal mannen weggevoerd, die,
naar zij zeiden, soldaat moesten worden. Waarheen
zij werden gebracht, was noch hun noch hun familie
bekend. De achtergeblevenen werd aangezegd, dat zij
1) Deir-es-Sor aan den Euphraat wordt alleen bewoond door Mohammedaansche Arabieren.
pagina 179
binnen vier uur hun huizen hadden te verlaten. Het werd hun toegestaan mede te nemen, hetgeen zij konden dragen, terwijl zij ook rijdieren mochten meevoeren. Na verloop van den gezetten tijd moesten de arme menschen onder aanvoering van Saptieh's uit hun dorp vertrekken, niet wetend waarheen, noch of zij het ooit zouden wederzien. Aanvankelijk, zoolang zij nog in de bergen waren en voldoende levensmiddelen bezaten, ging het goed. Men had hun geld beloofd en brood en inderdaad kregen zij ook in den eersten tijd per hoofd dertig para (ongeveer zeven cent). Al heel spoedig hielden deze rantsoenen op en kreeg men slechts gedorscht graan (150 gram per hoofd en per dag). Op deze wijze waren de inwoners van Furnus na een vier weken lange zware reis in Deir-es-Sor aangekomen. Drie weken lang waren zij er nu reeds, en zij wisten niet wat verder met hen zou geschieden. Geld hadden zij niet meer en ook de door de Turken in het vooruitzicht gestelde levensmiddelen bleven achterwege. Reeds dagen achtereen hadden zij geen brood gehad. Men had hen opgesloten, en elk onderhoud met de inwoners der stad verboden. Zoo had ook Martha in Marasch niet in het weeshuis durven gaan. Op treurigen toon vertelde zij mij: Wij hadden twee huizen en alles moesten wij achterlaten. Thans zijn de huizen bezet door Muhadjirs (uit Europa uitgeweken Mohammedanen) Een eigenlijk bloedbad was in Furnus niet aangericht en ook de Saptiehs hadden de bevolking goed behandeld. De gedeporteerden hadden hoofdzakelijk geleden door gebrek aan voedsel en drank, vooral op de wegen door de gloeiend heete woestijn. Als bergbewoners,
pagina 180
zooals zij zich noemden, viel hen die warmte dubbel
zwaar. De Armeniërs verklaarden de oorzaak van
hun wegvoering niet te weten. Den volgenden dag
zagen wij een groot Armenisch kamp. De bewoners
hadden van geitevellen een primitieve verblijfplaats
gemaakt, waarin zij konden rusten. Voor het grootste
deel echter lagen zij zonder eenige beschutting op
het gloeiende zand in de verzengende zonnestralen.
Om de vele zieken hadden de Turken hen één dag
rust veroorloofd. Een troostelooze aanblik als deze
volksmassa opleverde, kan men zich niet licht voorstellen.
Aan sommige kleedingstukken kon men nog
zien, dat zij vroeger in goede doen waren geweest.
Nu echter stond de armoede hen op het gelaat geschreven.
Brood!... brood!... was de algemeene
bede.
Er waren verder inwoners van Geben die men
met hun priester had verdreven. Zij vertelden mij:
Dagelijks stierven 5 à 6 kinderen of zieken. Op
dezen dag had men de moeder van een negenjarig
meisje begraven, dat nu gansch alleen op de wereld
stond. Men verzocht mij vriendelijk dat kind mede
te nemen naar het weeshuis. De priester vertelde mij
voorts dezelfde geschiedenis als ik gehoord had van
het meisje in Deir-es-Sor. Wie niet bekend is met het
woestijnleven kan zich geen denkbeeld vormen van
den nood en de ellende, die de gedeporteerde Armeniërs
hebben moeten doorstaan. Hier en daar is
de woestijn wel heuvelachtig, maar zonder eenige schaduw.
Dagen lang gaat de weg over rotsen en
dan is hij zeer moeilijk begaanbaar. Ter linkerzijde
van Aleppo komende zag men steeds de Euphraat,
pagina 181
die zich als een gele streep door de vlakten
kronkelt. Echter was het water niet te drinken.
Onverdraaglijk moet dan ook de dorst geweest zijn,
die de Armeniërs hebben geleden en het is geen
wonder, dat er zoovelen aan ziekten zijn gestorven.
Een zak gevuld met steenhard brood afkomstig uit
Bagdad werd dankbaar aanvaard. “Wij weekten het
brood in water en dan werd het door de kinderen
graag gegeten” zoo vertelde ons een moeder. Toen
wij des avonds in het dorp aankwamen vonden wij
ook daar zulk een kamp van Armeniërs. Hier waren
het de bewoners van Zeitun en ook nu hoorden wij
weer dezelfde klachten over gebrek aan brood en
mishandeling door de Arabieren. Een meisje uit het
Weeshuis te Beirut, opgevoed door diaconessen, verhaalde
ons in vloeiend Duitsch van hetgeen zij had
ondervonden. “Waarom laat God zulks toe, waarom
moeten wij zoo lijden; waarom doodt men ons niet
onmiddellijk. Er gaan dagen voorbij dat wij voor
onze kinderen geen drinken hebben en de kleinen
schreeuwen van dorst. Des nachts komen de Arabieren
en zij stelen onze kleeren en ons beddegoed. Zij
hebben onze meisjes weggevoerd en zich aan vrouwen
vergrepen, wanneer wij op weg niet verder konden
werden wij door de Saptiehs mishandeld”, zoo luidde
het verhaal van het meisje, en zij vertelde nog veel
meer; ook, dat de vrouwen om de schande te ontloopen,
zich verdronken en dat moeders met hun
pasgeboren kindjes hetzelfde deden, omdat zij in de
ellende geen uitweg zagen.
Op den geheelen tocht door de woestijn heerschte
er gebrek aan levensmiddelen. Een snellen dood van
pagina 182
het geheele gezin verkozen de moeders boven den
langzamen hongerdood.
Op den tweeden dag van onze reis naar Aleppo
ontmoeten wij nog eens een aantal Armeniërs, ditmaal
uit Hadjin en omgeving. Zij waren pas negen
dagen onderweg, en in vergelijking met hun lotgenooten
in de woestijn was hun toestand schitterend;
zij voerden wagens met huisraad, paarden en ander
vee met zich. Eindeloos was de stoet die door het
gebergte trok en ik vroeg mijzelven af hoe lang
het nog zou duren dat zij in het bezit van dat alles
zouden blijven.
Nog waren ze op vaderlandschen grond, in de
bergen, en van den wellicht komenden woestijnreis
hadden zij geen flauw denkbeeld.
Het waren de laatste Armeniërs die ik gezien heb,
maar hetgeen ik heb gehoord en gezien zal ik nooit
vergeten!”
BERICHT VAN HET AMERIKAANSCHE HULPCOMITÉ
OVER DE CONCENTRATIEKAMPEN AAN DE EUPHRAAT
Iemand, behoorende tot een neutrale natie en voor
wiens volstrekte betrouwbaarheid Dr. James L. Barton,
voorzitter van het Amerikaansche Hulpcomité, ten
volle instaat, heeft de volgende mededeelingen verstrekt
omtrent een reis door hem gemaakt langs de
verschillende plaatsen, langs den Euphraat, waar een
aantal der gedeporteerde Armeniërs, voorzoover zij
de reis overleefd hebben, geconcentreerd zijn.
pagina 183
Deze mededeelingen luiden in hoofdzaak als volgt:
Ik had verlof gekregen om de legerplaatsen der
Armeniërs langs den Euphraat van Meskene tot Deir-es-Sor
te bezoeken en mij rekenschap te geven van
den toestand, waarin de gedeporteerden zich bevinden
en de omstandigheden waaronder zij leven.
Het doel van deze mededeelingen is de resultaten
van deze zending weer te geven.
Het is niet mogelijk een goede voorstelling te
geven van den ontzettenden indruk, welke ik op mijn
reis door de verstrooid liggende kampen opdeed.
Van “kampen” kan eigenlijk niet gesproken worden.
Het allergrootste deel der ongelukkigen, op ruwe
wijze van huis en hof weggedreven, gescheiden van
het grootste deel van hun familie; welke vermoord
of elders heen gevoerd is, op het oogenblik van het
vertrek van nagenoeg alles beroofd wat zij bezaten
en onderweegs nog bestolen van het weinige dat zij
mede konden nemen, vertoeft thans onder den blooten
hemel, als vee op elkander gedreven zonder de
geringste beschutting tegen de hitte of de koude,
bijna zonder kleeding en zeer onregelmatig en meestal
hoogst onvoldoende gevoed. Aan alle weerveranderingen,
de zonnnehitte der woestijn in den zomer,
de wind- en regenvlagen van de herfst en de strenge
koude van den winter blootgesteld, door ontzettende
ontberingen verzwakt, door eindelooze marschen uitgeput,
vaak mishandeld en steeds in doodsangst hebben
zich de weinig en, die nog eenige kracht overhielden,
aan den oever der rivier ten slotte holen gegraven,
waarin zij schuilen kunnen. De zeer zeldzamen, die
er in geslaagd zijn eenige kleeren en eenig geld te
pagina 184
behouden en in staat zijn eenig meel te koopen,
worden als rijke lieden beschouwd. Gelukkig worden
ook geacht degenen, die zich bij de landlieden wat
watermeloenen of een zieke geit tegen reusachtige
prijzen kunnen verschaffen. Overal ziet men slechts
bleeke gezichten en uitgemergelde gestalten, dwalende
skeletten, door en door ziek en die zeker den hongerdood
ten offer zullen vallen. Bij de maatregelen,
die genomen zijn om deze gansche bevolking in de
woestijn over te brengen, is op geen enkele wijze
voor de voeding zorg gedragen. Integendeel is het
duidelijk, dat de regeering het voornemen had haar
van honger te laten sterven. Zelfs een georganiseerde
moordpartij, als in de dagen, toen te Constantinopel
nog niet van vrijheid, gelijkheid en broederschap
gesproken werd, ware een veel menschelijker maatregel
geweest, want dan zoude aan dit beklagenswaardige
volk, de ramp van den honger, de langzame
dood en het ontzettende lijden onder de verfijnde
mishandelingen, als zelfs de ruwste Mongolen
niet zouden hebben uitgedacht, bespaard zijn gebleven.
Maar een massale moord is minder constitutioneel
dan de hongerdood. De beschaving is thans gered.
Wat nog over is van het Armenische volk zijn
uitsluitend grijsaards, vrouwen en kinderen. Mannen
van middelbaren leeftijd en jonge mannen, voorzoover
zij niet vermoord zijn, worden op de groote
rijkswegen verstrooid om steenen te kloppen of zijn
opgevorderd om ergens voor rijks rekening te arbeiden
om in legerbehoeften te voorzien. De jonge vrouwen
en meisjes zijn in den regel door de muzelmannen
als buit beschouwd. Op de lange marschen naar
pagina 185
het einddoel der deportatie, heeft men ze weggesleept,
haar somtijds geweld aangedaan of ze verkocht,
voorzoover ze niet door de ruwe gendarmen,
die de kudden vergezelden, zijn omgebracht. Zeer
velen zijn door haar roovers naar harems overgebracht.
Gelijk aan den ingang van Dantes hel kan bovendien
van de concentratiekampen geschreven worden:
“Wie hier binnentreedt, late alle hoop varen”. Bereden
gendarmen doen de rondte om al wie tracht
te vluchten, op te vangen en met den knoet te
straffen. De wegen worden goed bewaakt. En welk
een wegen. Zij leiden naar de woestijn: waar den
vluchtelingen een bijna even zekere dood wacht als
onder de knoet van hun bewakers.
Ik vond in de woestijn op verschillende plaatsen
zes zulke vluchtelingen, die hun bewakers ontsnapt
waren, doch nu lagen te sterven. Zij waren door
uitgehongerde honden omgeven, die op het einde van
hun doodstrijd wachten om zich op hen te werpen.
Langs de wegen vindt men overal overblijfselen
van zulke ongelukkige Armeniërs. Bij honderden
kan men de aardhoopen tellen, onder welke deze
offers van een niet te qualificeeren barbaarschheid
rusten.
Eenerzijds verhindert men hen de kampen te verlaten
en anderzijds maakt men het hun onmogelijk
de bekwaamheden, aan hun ras eigen, te gebruiken
om op vindingrijke wijze hun lot te verbeteren.
Men zoude eenige beschutting, hutten van aarde
of van steen kunnen bouwen. Indien er maar eenig
onderkomen ware, dan was het den ongelukkigen
pagina 186
mogelijk zich met landarbeid bezig te houden. Maar
ook deze hoop heeft men hun ontnomen, want zij
werden voortdurend onder bedreiging van den dood
van de eene naar de andere plaats gesleept om afwisseling
in hun rampen te brengen. Men jaagt ze
telkens op voor nieuwe marschen, zonder brood en
zonder water, onder de zweep van hun drijvers aan
nieuwe mishandelingen blootgesteld, zooals zelfs de
slavenhandelaren van den Sudan hun offers niet doen
ondergaan.
Degenen, die nog eenig geld bij zich hebben,
worden onophoudelijk door hun bewakers uitgeplunderd,
die hun met nog verdere deportatie bedreigen
en zulks ook uitvoeren, wanneer hun kleinere afdreigmiddelen
niet werken. Ik meende inderdaad een
reis dwars door de hel te maken. De weinige bijzonderheden,
welke ik hier laat volgen, geven slechts
een zwakke voorstelling van het gruwelijke beeld,
dat ik voor oogen heb gehad. Overal dezelfde tooneelen,
overal hetzelfde schrikbewind der barbaarschheid,
dat de systematische uitroeiing van het Armenische
volk ten doel heeft.
Van Meskene tot Deir-es-Sor zijn overal de oevers
van den Euphraat getuigen van dezelfde afschuwelijkheden.
Meskene is door zijn geografische ligging aan de
grens van Syrië en Mesopotamië het aangewezen
concentratiepunt voor de gedeporteerden uit de Anatolische
districten, van waar uit zij langs den
Euphraat verdeeld worden. Zij kwamen daar bij tienduizenden
aan, maar het grootste deel liet er ook
het leven. De inlichtingen, welke ik ter plaatse kreeg,
pagina 187
geven mij het recht te zeggen, dat er bij de 60.000
Armeniërs begraven liggen, die aan honger, ontberingen,
typhus en dysenterie stierven. Zoover het oog
reikt zijn er grafheuvels, die elk twee à driehonderd
lijken bevatten, vrouwen, grijsaards en kinderen van
alle standen en familiën door elkander. Thans zijn
er nog 4.400 Armeniërs tusschen de stad en den
Euphraat gelegerd. Zij zijn slechts levende geraamten;
hun bewakers geven hun slechts een spaarzaam
stukje brood, en het komt voor, dat zij in drie dagen
niets ontvangen. Een ontzettende dysenterie heerscht
er, die speciaal onder de kinderen groote offers vergt.
De ongelukkige kleinen vallen tengevolge van hun
honger op alles aan wat zij zien; ze eten gras, aarde
en zelfs uitwerpselen. In een tent zag ik er vierhonderd
weeskinderen bijeen; zij moeten elken dag
150 gram brood krijgen, doch het komt voor, dat
zij twee of drie dagen zonder eenig voedsel blijven.
De sterfte is natuurlijk buitengemeen. Ik kon vaststellen,
dat de dysenterie er in acht dagen zeventig
wegrukte.
Te Abu Herera, het ongezondste oord der woestijn,
vertoeven op een heuvel 240 Armeniërs, welke onder
bewaking van twee gendarmen honger lijden. Dicht
bij de plaats, waar mijn wagen ophield, zag ik vrouwen,
die uit het paardenvuil de weinige onverteerde
gerstekorrels bijeenzochten. Op het brood, dat ik ze
gaf, wierpen zij zich als uitgehongerde dieren, zij
verscheurden het met hunne tanden en toen mijn
aanwezigheid aan de anderen bekend was geworden,
stortte de geheele troep zich van den heuvel mij
tegemoet, smeekende om brood; het waren alle
pagina 188
vrouwen en kinderen; ik was getuige van een feitelijken
veldslag om het brood, dat ik geven kon.
In denzelfden geest schrijft de reiziger omtrent
Hamman, waar hij 1600 Armeniërs aantrof, waaronder
nog enkelen, die eenig geld hadden en daardoor
in ietwat beteren toestand. In Semga almede
dezelfde treurige toestand.
Omtrent zijn bezoek aan Rakka rapporteert hij in
hoofdzaak het volgende:
Rakka is een belangrijke plaats aan den Euphraat.
Daar zijn 5 à 6.000 Armeniërs, hoofdzakelijk vrouwen
en kinderen, die over de verschillende stadswijken
verdeeld zijn in groepen van 50 tot 60, ondergebracht
in vervallen huizen, welke hun door de goedheid van
den gouverneur zijn aangewezen. Ofschoon het niet
anders is dan een allereerste plicht van een Turkschen
ambtenaar tegenover Turksche onderdanen,
moet men toch in de gegeven omstandigheden deze
daad als eene, welke heldhaftige edelmoedigheid
bewijst, beschouwen. Ofschoon men de Armeniërs te Rakka
beter behandeld dan ergens anders, is toch hun
ellende ook daar nog erg genoeg. Brood wordt er
slechts onregelmatig en in onvoldoende mate verdeeld.
En onder die hongerige bedelaars zijn er velen, die
vroeger een hooge plaats in de maatschappij innamen.
Gisteren nog rijk en benijd, bedelen zij thans als de
armsten langs de straten en de bakkerijen.
Aan den anderen oever van den Euphraat tegenover
Rakka vond ik eveneens duizenden Armeniërs
onder tenten opeengekoopt en door soldaten bewaakt.
Zij waren ook uitgehongerd en wachtten er op om
verder te worden getransporteerd naar oorden, waar
pagina 189
zij de opengevallen plaatsen van overleden voorgangers
konden aanvullen. Hoevelen van die lieden zullen
niet eens hun plaats van bestemming bereiken!
Sierrat ligt noordelijk van Rakka. Daar kampeeren
180 Armeniërs en lijden daar nog meer dan elders
van den honger. Want er is niets dan rivier en
woestijn. Vele vrouwen en kinderen dwalen er langs
de rivier om halmen en kruiden te vinden voor den
honger. Andere storten ineen onder de oogen van
hun onmeedoogende bewakers. Een barbaarsch bevel
verbiedt elk gaan buiten de grenzen van het kamp
dan met bijzonder verlof en zulks op straffe van de
knoet.
Omtrent den toestand te Deir-es-Sor bevat het
rapport o.a. het volgende:
Deir-es-Sor is de hoofdplaats van de provincie
van dien naam. Een paar maanden geleden waren
daar 30.000 Armeniërs in verschillende kampen
buiten de stad ondergebracht onder de bescherming
van den gouverneur Aly Sound Bey. Deze man bezit
een hart en de Armeniërs zijn hem zeer dankbaar
voor hetgeen hij beproefd heeft, om hun lot te verzachten.
Hem was het onder meer te danken, dat
een aantal Armeniërs met venten iets verdiende en
dragelijk kon bestaan. Zulks bewijst tevens, dat al
mocht eenig staatsbelang de deportatie noodig hebben
gemaakt, de Turksche autoriteiten toch de menschelijkheid
in acht hadden kunnen nemen door de
Armeniërs ergens heen te brengen, waar zij, zich aan
handel of handwerk hadden kunnen wijden. Het
ware ook in het belang van het Rijk geweest hen
ergens te brengen, waar zij in den landbouw, welke
pagina 190
overigens nagenoeg stil ligt, rijkelijke bezigheid gevonden
hadden. Maar neen, het doel ging verder,
men wilde met één slag de Armenische kwestie op
lossen. De dragelijke toestand te Deir-es-Sor gaf
aanleiding tot een aanklacht te Constantinopel. De
schuldige Gouverneur werd naar Bagdad gezonden
en vervangen door Zekki Bey, die om zijn barbaarchheid
genoeg bekend is. Onder dezen gouverneur
kwamen mishandelingen, geeselingen en ophangen
aan de orde van den dag. De jonge vrouwen werd
geweld aangedaan en zij werden aan de nomaden
uit de omgeving afgestaan. Kinderen werden in de
rivier geworpen. Het weeshuis, waarin Aly Sound Bey
omstreeks duizend kinderen op kosten der gemeente
deed onderhouden, werd opgeheven, de kinderen op
straat gezet en aan den hongerdood prijs gegeven.
Ten slotte werden de 30.000 Armeniërs, die rondom
Deir-es-Sor waren, naar het gebied langs de Chabur,
een bijrivier van de Euphraat gezonden, wel de
ellendigste streek der geheele woestijn en naar de
berichten, die ik ontving, is bereids een groot deel
van hen omgekomen, terwijl de rest groot gevaar
loopt hetzelfde lot te ondergaan.
Het rapport eindigt met de mededeeling, dat er
nog ongeveer 15.000 Armeniërs tusschen Meskene
en Deir-es-Sor in leven zijn. Ofschoon in vreeselijken
toestand, kan een groot aantal van hen behouden
blijven als zij over eenig geld beschikken. Het is
wel moeilijk om geld of hulp te doen toekomen,
maar het is toch mogelijk hun langs een omweg
hulpmiddelen te doen toekomen, om hen van een
toereikende hoeveelheid meel te voorzien. Komt er
pagina 191
geen genoegzame hulp, dan zijn die lieden ter dood veroordeeld. Krijgen zij ondersteuning, dan mag men hopen, dat men hen in leven houdt tot den vrede, welke alleen een afdoende wending in hun lot kan brengen.
pagina 192




