… / Nederland / Nederlandse pers / 1878–1893 / De Armenische Quaestie – I
Het Vaderland, 16 oktober 1890
Bron: Delpher
De Armenische Quaestie – I
Toen dezer dagen de Oostenrijksch-Hongaarsche gezant bij de Verheven Porte, baron Galice, een
samenkomst met den Beheerscher der Geloovigen had en daarbij ook de toestand in Armenië ter sprake
kwam, gaf de Sultan te kennen, dat ook hij ten volle overtuigd was, dat diep ingrijpende wijzigingen
in het bestuurstelsel van dat gedeelte van zijn Rijk behoorden te worden ingevoerd. Reeds zeer lang,
zoo verklaarde hij aan den vertegenwoordiger van den Donaustaat, wijdde hij zich aan de studie der
Armenische aangelegenheden, en één ding stond reeds bij hem op den voorgrond, dat in een land, dat
zooals het genoemde door verschillende volksstammen bewoond wordt, de grootste voorzichtigheid wordt
geboden, wil men een radicale verandering in de administratie invoeren. Intusschen, de Sultan meende,
dat vóór alles noodig is een juist onderzoek en dat dan ook de voorstellen van den Armenischen
patriarch met belangstelling moesten worden onderzocht. Daarom had hij tevens een commissie (waarover
straks) benoemd, ten einde aan de grieven der bevolking zooveel mogelijk tegemoet te komen. Hij zou
zich echter door niets laten terughouden, om op den ingeslagen weg voort te gaan en zeker niet door
de pers, die zijns inziens de geewoonte had, om alle kleinigheden breed uitte meten en onder een
vergrootglas te beschouwen. Want, zoo voegde Abdul Hamid er ten slotte aan toe, de Engelsche
oppositiepers heeft eigenlijk door haar geschreeuw, de Armenische quaestie gemaakt.1
Baron Galice gaf nu, wat dit punt betreft, wel toe dat het Armenische vraagstuk door de
Gladstoniaansche pers als strijdleus tegen Salisbury’s regeering gebruikt wordt, doch meende
desniettemin dat er onderscheidene punten waren, waarover terecht klachten konden worden in het
midden gebracht. Hij wees daarna op verschillende feiten, welke in den laatsten tijd waren voorgekomen
en die er inderdaad aan deden twijfelen, of de personen, die vanwege de Regeering te Konstantinopel
naar de meergenoemde provincie worden gezonden, volkomen te goeder trouw zijn en dezelfde
onpartijdigheid in acht nemen, waaraan de sultan terecht zulk een hooge waarde hechtte.
Tot zoover dit gesprek. Het werd inderdaad hoog tijd, dat de Sultan eens zijn bijzondere aandacht
aan dit onderwerp wijdde, want ik geloof niet te veel te zeggen, wanneer ik beweer, dat die
provincie wel het ellendigst geadministreerd wordt van het geheele Turksche Rijk.
Hoe is de rechtstoestand van Armenië thans? Vóór alles zij herinnerd, dat wat men geografisch
Armenië heet, eigenlijk uit drie deelen bestaat, waarvan een gedeelte bij Perzië, een tweede bij
Rusland en een derde bij Turkije behoort. Gedurende de zeventiende eeuw vormde het bezit van
Armenië altijd een punt van strijd tusschen Turkije en Perzië, waarvan het gevolg was, dat
laatstgenoemd land een groot gedeelte van het vroeger uitsluitend Turksche vilayet Armenië
verkreeg. Een stuk hiervan ging nu weer ten gevolge van den oorlog van 1827 en 't volgende jaar
bij den vrede van Tourkmantschai aan Rusland over, dat het bij Georgië voegde. Weder een jaar later
bij den vrede van Adrianopel kreeg Rusland een gedeelte van het totnogtoe Turksche Armenië. In 1878
werd Ruslands deel nog vergroot. Het zal nu geen betoog behoeven, dat de oplossing der Armenische
moeilijkheden in het Turksche Rijk niet gemakkelijker wordt door de omstandigheid, dat de Armeniërs
tot drie staatsvolken behooren, temeer, omdat het hoofd der Armenische kerk op Russisch territoir
zetelt. Tevens neme men in aanmerking, dat de bevolking van Armenië uit verschillende bestanddeelen,
meerendeels zelfs uit elkander vijandige elementen, bestaat. Men vindt er een aantal fanatieke
Mohammedanen, die met de zachtzinnige Christenbevolking op alles behalve goeden voet staan. In de
drie vilayets, waaruit Turksch-Armenië bestaat, van Erzerum, Van en Diarbékir vindt men ongeveer
1.330.000 Armeniërs, tegen ongeveer een half millioen Turken; ongeveer 120.000 Kurden, een
nomadischen volksstam, en 82.000 Syriërs, Grieken, Yésidis (een soort van zon-aanbidders),
Kintchous, een soort van nomadische zigeuners, die, evenals de Kurden, in de bergen wonen.2
In het algemeen, dit zij hierbij opgemerkt, zijn in het Turksche Rijk ongeveer 3 millioen
Armeniërs, waarvan een kleine 2 millioen in andere provinciën van het Turksche Rijk leven.
Het tractaat van Parijs van 1856 behelst geen bepalingen over Armenië. Trouwens, wanneer men zich
wel wil herinneren, dat het daarbij voornamelijk te doen was, om Ruslands beschermheerschap over de
Donauvorstendommen op te heffen en deze onder protectie der Mogendheden semi-souverein te verklaren,
dan is het duidelijk, dat de toestand van Turksch-Azië minder de aandacht trok. Intusschen, het
fameuse art. 9 van dit tractaat behelsde toch een bepaling, waarvan Armenië ook voordeel had kunnen
trekken. Men kent dit zonderlinge voorschrift, hetwelk in de eerste alinea iets schreef, wat het in
de tweede tegensprak. In de eerste alinea leest men dat de sultan, “dans sa constante sollicitude
pour le bien être de ses sujets” een nieuwen firman geoctroijeerd hebbende, waardoor het lot zijner
volken zoude verbeteren, zonder onderscheid van godsdienst of ras, zijn edelmoedige plannen jegens
zijn christenbevolking willende toonen en een nieuw bewijs willende geven van zijn gevoelens te
dezen opzichte, besloten heeft aan de contracteerende mogendheden mede te deelen bovengenoemden
firman, spontanément émané de sa volonté souveraine. Beteekenden deze phases in een plechtig
tractaat iets, dan ware het zeker, dat de mogendheden mochten onderzoeken, of inderdaad die firman
werd toegepast: waarom hem anders in het tractaat opgenomen? Neen, zegt nu echter de tweede alinea,
de mogendheden vinden deze mededeeling hoogst interessant, maar ze geeft geen recht aan de
mogendheden om, zich op dat art. 9 al. 1 beroepende, zich in de Turksche zaken te mengen. Welk een
doode letter overigens die tweede alinea bleek, bewijst in de eerste plaats, dat nooit de interventie
(collectief of individueel) der mogendheden in alle mogelijke zaken, het Turksche Rijk betreffende,
zoo zijn toegenomen, als sinds 1856. Hierbij zij herinnerd, dat men in dit artikel van het Parijsche
tractaat het oog had op den hatti houmayoun van 18 Februari 1856, waarbij de Sultan beloofde het
geluk zijner verschillende volkeren te zullen verzekeren. Het zal nu wel geen betoog behoeven, dat
de Armeniërs van genoemd artikel, waarin naar dien hatti houmayoun werd verwezen, evenveel
voordeelen hadden kunnen trekken, als de andere in het Turksche Rijk levende volken. Intusschen, ik
zeg “kunnen trekken”, want ofschoon die beloofde hervormingen in zekeren zin, al was het maar door
haar insertie in het Parijsche tractaat, door de mogendheden waren gegarandeerd, is er nooit door de
Turksche Regeering aan die hervormingen de hand gelegd. Herhaaldelijk is er door de mogendheden op
gewezen, doch het hielp niets. Dat men zich nu intusschen nooit met Armenië heeft bemoeid, is
waarschijnlijk een gevolg hiervan, dat de Armeniërs nooit bepaald tot opstand zijn gekomen. Want,
vergelijkt men bijvoorbeeld hun toestand met dien van Bosnië en de Herzegowina en Bulgarije, dan is
uit het oogpunt van het Parijsche tractaat geen verschil merkbaar; ook de Bosniërs, Herzegowiners
en Bulgaren moesten allen van dien hattihoumayoun profiteeren. Maar bij laatstgenoemde volken bleef
het niet bij klagen; zij trachtten op andere wijze herstel van grieven te verkrijgen; men weet, dat
de opstand in Bosnië en de Herzegowina, welke in 1875 uitbrak, het sein is geworden tot den
Oosterschen krijg van 1877—78, die met de emancipatie der Donau-Vorstendommen en de gedeeltelijke
vrijwording van Bulgarije eindigde.
De Armeniërs trachtten intusschen op kalmer wijze herstel van onrecht, verbetering in het bestuur te
verkrijgen. Partij trekkende van genoemden hattihoumayoun, is er zoowel in de Mohammedaansche als
in de Christelijke bevolking een beweging ontstaan, om een grooter aandeel in het bestuur van het
land deelachtig te worden dan men totnogtoe had, en in 1863 kwam dan ook tot stand een nieuwe
regeling van de Grieksche, Armenische en Israëlitische gemeenten onder den naam van Nationale
Armenische constitutie. Ingevolge dit stuk zou er een algemeene vergadering zijn, te Konstantinopel
zetelend, welke de hooge ambtenaren der natie zouden kiezen, die een afzonderlijk comité voor de
godsdienstzaken zou instellen en tevens een vergadering benoemen voor de civiele zaken. Zij zou
weder kiezen de patriarchen van Konstantinopel en Jeruzalem.
Door deze vergadering nu werd in 1871 besloten een enquête te houden met het doel in de eerste
plaats om de verschillende misbruiken en afpersingen kenbaar te maken, waarvan de Christelijke
bevolking van Armenië de slachtoffers zjjn en in de tweede plaats, om maatregelen voor te stellen,
ten einde aan dien treurigen toestand een einde te maken. Uit het verslag van de enquête-commissie,
waarvan de toenmalige patriarch van Nicomedië voorzitter was, bleek, dat de grieven van vierderlei
aard waren, namelijk in de eerste plaats betrekking hadden op de misbruiken, die bij de inning der
belastingen plaats grepen, in de tweede plaats op de oneerlijkheden, welke door de publieke
ambtenaren werden bedreven, in de derde plaats op de niet-toelating der Christenen als getuigen en
in de vierde plaats op de rooverijen enz. van de Kurden. Onder de middelen, welke toen reeds in het
verslag werden aangegeven, als zullende ontwijfelbaar strekken tot verbetering van den toestand,
behoorden o.a. uitvoering van het nationale reglement, (naar de constitutie, waarvan boven sprake
is), vorming van geschikte geestelijken, uitbreiding van het onderwijs. Een vervolg op dit in 1872
gedagteekend verslag, is van 1876 en het beeld, dat daarin van den toestand van Armenië gegeven
wordt, is verre van gunstig. Moorden, afpersingen, aanslagen op het leven, de vrijheid, de
eerbaarheid waren aan de orde van den dag. Van een onpartijdige rechtspraak geen schijn of schaduw.
Hoe zou het daarbij mogelijk geweest zijn, dat de Porte een juist inzicht verkreeg in den
werkelijken toestand, wanneer de gouverneurs zich dikwijls er toe leenen, om schuldige ambtenaren de
handen boven het hoofd te houden en ja, het zelfs een zeldzaamheid genoemd wordt, als er een
gouverneur wordt aangesteld, die onpartijdig is? Geen wonder dan, dat sommige Mogendheden zich op
grond van art. 9 van het Parijsche tractaat in de Turksche aangelegenheden mengende, de aandacht
der Porte op de anarchie, welke in Armenië bestond, vestigden; geen wonder tevens, dat na den
laatsten Oosterschen krijg art. 16 van het tractaat van San Stéfano de bepaling inhield, dat
Turkije “sans plus de retard” de vereischte verbeteringen en hervormingen zou invoeren in de
provinciën, door Armeniërs bewoond en zou waarborgen hun veiligheid tegen Kurden en Circassiërs.
Maar door de opneming in het verdrag van San Stéfano was dan ook de Armenische quaestie van
Europeesch belang geworden en kwam de toestand van Turksch-Armenië op het Congres van Berlijn ter
sprake.
1 Zoo spreekt de Nouvelle Revue van 1 Sept. 1890 op blz. 188 integendeel van “menées Salisburiennes”.
2 Vergelijk Revue de droit internationaal, dl. XIX bl. 293, opgave van den stand der bevolking bij
het tractaat van San Stefano, door Rolin-Jaequemyns in zijn artikel over “l’Arménie”.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

