… / Nederland / Nederlandse pers / 1915–1918 / De hel in Armenië
De Telegraaf, 26 januari 1917
Bron: Delpher
De hel in Armenië
Nu de Turken zich door de Duitschers beschermd
gevoelen, stellen ze aan hun moordlust
in Armenië paal noch perk meer.
Wanneer ooit met recht, en zonder zelfs
den schijn van overdrijving gezegd mocht
worden, dat daar 'n heel volk wordt uitgemoord,
dan is het wel op dit oogenbiik.
Hier zijn vier Duitschers, die het getuigen.
Een eere-saluut aan deze witte raven.
Alle vier zijn ze leeraars aan de "Deutsche
Realschule" te Aleppo, en zij heeten
Director Huber, dr. Niepage, dr. Graeter en
M. Spieker. Hun getuigenis is een document
van onschatbare waarde voor 't proces
van dezen oorlog. Zij werd afgelegd in
den vorm van een smeekschrift aan het
ministerie van Buitenlandsche Zaken te
Berlijn, gedagteekend uit Aleppo, den 8en
October 1915.
"Het schijnt ons plicht", zoo schreven ze,
"de aandacht van het ministerie van Buitenlandsche
Zaken in te roepen voor 't feit,
dat onze schoolarbeid den zedelijken grondslag
en de achting van de inwoners dezer
streek zal missen, als de Duitsche regeering
niet in staat is om de brutaliteit te verminderen,
waarmee hier met de verbannen
vrouwen en kinderen der vermoorde Armeniërs
wordt te werk gegaan."
Hoe kunnen wij, vragen ze verder, met
onze Armenische kinderen lezen van
"Sneeuwwitje en de zeven dwergen",
als in de tuinen tegenover en naast ons schoolgebouw
de dood maait onder de stamgenooten
onzer leerlingen: vrouwen, meisjes, knapen,
die zoo goed als naakt op den grond
liggen en tusschen reeds gereedgezette
doodkisten den hongerdood sterven.
Naar uit deze Duitsche getuigenissen
blijkt, worden de vrouwen en de kinderen
der vermoorde mannelijke Armeniërs
bij kudden van duizenden en duizenden
naar de kuststreek gedreven, en dan
bijeengebracht op plaatsen, waar men ze
eenvoudig van honger laat sterven! Van
honger en ... van dorst, vaak vlak bij
het klare, koele water!
Den Europeanen, zoo schrijven de
leeraars der Duitsche school te Aleppo,
wordt brutaal geweigerd, den verhongerenden
een stuk brood te reiken. Iederen dag
worden meer dan honderd lijken van
verhongerden uit Aleppo gedragen.
"En dat alles, lezen we verder, geschiedt
onder de oogen der hooge Turksche
ambtenaren. In een tuin nabij onze
scholen liggen veertig tot vijftig levende geraamten.
Zij zijn als stompzinnig. Ze hebben
het eten verleerd. Geeft men hun
brood, dan leggen ze het onverschillig ter
zijde. Zij kreunen zachtjes en wachten op den dood."
De Duitsche leeraars, die dit getuigen,
maken zich ernstig ongerust over de gevolgen,
die deze ten-hemel-schreiende misdrijven
voor het prestige en het gezag van hun
vaderland in het Oosten moeten hebben.
"Onze goede naam in het morgenland staat
op het spel, zeggen ze. Zelfs meer ontwikkelde
Turken en Arabieren schudden bedroefd
het hoofd, als ze, bij transporten van
gevangen Armeniërs door de stad, de brutale
soldaten met knuppels zwangere vrouwen
zóó wreedaardig zien mishandelen, dat
ze niet meer verder kunnen."
Onnoodig te zeggen, dat het ministerie van
Buitenlandsche Zaken te Berlijn aan
deze bittere en bange aanklacht geen het
geringste gevolg heeft gegeven.
Dat heeft professor dr. A. Forel, die een
persoonlijk vriend van dr. Eduard Graetzer
(een der professoren der Duitsche school te
Aleppo) is, in de Duitschgezinde "Berner Tagwacht"
van 10 Augustus 1916 de vraag doen stellen:
"Gaat dan de wapenbroederschap der Duitschers en
der Turken zóó ver, dat stilzwijgen
hier geboden schijnt? Voor de Duitsche strategie
misschien ja; men kan haar huidigen nood begrijpen;
doch wij, neutralen, moeten luide protesteeren tegen
een zoo bestiale uitroeiing van een geheel volk,
die alle wreedheid der roofdieren verre overtreft."
Doch er is ons nog wel wat mooiers in handen gekomen,
dan boven bedoelde Duitsche aanklacht tegen de Turken.
Een artikel n.l. dat verschenen is in het
"Allgemeine Missions-Zeitschrift", uitgegeven door
dr. Julius Richter (Berlin, Steglitz) en Pfarrer
dr. Joh. Warneck (Bethel bij Bielefeld) en gedrukt bij
Martin Warneck, Berlin W., Schellingstrasse 5, November-nummer
van 1915, tweede aflevering, blz. 506. Bij besluit van 10
November 1915 werd echter door de censuur te Berlijn
het publiceeren van dit stuk verboden.
In dit stuk wordt verteld over de deportaties der
christen-bevolking van Erzindjan naar Kharpoet,
in de maand Juli 1915.
Tusschen den 9en en den 18en dezer
maand verlieten zowat 25.000 Armeniërs
die stad te voet, voor een reis van vele
dagen lang door de gloeiende woestijn. De
karavaan werd overvallen door de Kurden
en ... tot de laatste ziel afgemaakt!!
De laatste vrouwen en kinderen
werden neergesabeld of geschoten
door geregelde Turksche troepen, die uitgezonden
waren ... om de Kurden te straffen!!!
"Uit den mond van Turksche soldaten,
die er bij geweest waren, schrijven de Duitsche
zendelingen, hebben wij kunnen vernemen,
hoe de vrouwen en de kinderen om
medelijden gesmeekt hadden, en hoe vele
moeders zèlven haar kinderen
in het water hadden geworpen!"
Dagen nadien werd nog door de Turksche
gendarmen jacht gemaakt op de Armeniërs,
die ontvlucht waren en zich in de
korenvelden hadden verstopt. De kinderen,
die men aantrof, sloeg men met geweerkolven
het hoofd in.
De Duitsche zendelingen hebben eindelooze
optochten van Armeniërs voorbij zien
trekken, meest allen vrouwen en kinderen,
die naar een hooge rots aan den oever van
de Euphraat werden gebracht, om van daar
dan in den stroom geworpen te
worden. Bij honderden. Bij duizenden!
Van een Turkschen gendarme hoorden
ze, dat van een transport van 3000 vrouwen
en kinderen uit Maman-Chatoen, die naar
Kemagh gebracht moesten worden, geen
enkele nog in leven was gebleven. Toen
vroegen ze aan dezen gendarme: "Maar, als
gij die menschen dan toch allen dooden
wilt, waarom doet gij dit dan niet in hun
dorpen? Waarom eerst die menschen zoo
vreeselijk doen lijden?" En de Turk antwoordde:
"Dat is maar goed. Zij moeten
lijden. En toch wat zouden we met al
die lijken doen? Die zouden toch stinken?'"
Den 30en Mei werden 674 Armeniërs uit
de vilajets Diarbekir en Mamoeret-ul-Asis
ingescheept op 13 Tigris-booten, onder voorwendsel,
dat men ze naar Mossoel zou brengen.
Vijftig gendarmen zouden de reis meemaken.
In het midden van den stroom gekomen,
ontnamen de gendarmen hun gevangenen
al hun geld en hun kleederen, en
stieten ze dan in 't water. Op de beide
oevers van de Tigris stonden andere gendarmen,
die vuurden op al de drenkelingen,
die nog trachtten tegen den oever op te
klauteren. Later werden de kleederen op
de markt verkocht.
Het dorp Tel-Armen, aan den Bagdad-spoorweg
gelegen nabij Mossoel, en dat een
bevolking ongeveer van 5000 menschen had,
werd, op enkele vrouwen en kinderen
na, totaal uitgeroeid. "Men wierp de
lieden levend in het water of
verbrandde ze", staat er te lezen in
het "Missions Zeitschrift".
De hoogergenoemde dr. Graeter, leeraar
aan de Duitsche Realschule te Aleppo,
heeft uit eigen initiatief nog vreeselijker
aanklachten tegen de Turksche regeering
uitgesproken dan in het smeekschrift, dat
hij te zamen met zijn collega's naar het ministerie
van Buitenlandsche Zaken te Berlijn
stuurde.
Hij vertelt, dat de Turken de Armenische
streken ontvolken, onder voorwendsel de
"oorlogszone te zuiveren". Die zuivering is
echter radicaal in den meest letterlijken
zin. De bewoners worden van huis verdreven
en komen eenvoudig nooit meer terug.
Van de 18.000 personen uit Karpoet en Siwas verdreven,
bereikten er slechts 350 Aleppo en van de 1000 uit Erzeroem
slechts ... 11!
"Ik heb het met eigen oogen gezien,
schrijft dr. Graeter: In October van verleden
jaar zag ik talrijke lijken van Armeniërs
in de Euphraat drijven, of in de steppen
liggen. De Duitschers, op zeldzame lofwaardige
uitzonderingen na, blijven lijdelijk
toezien als verontschuldiging aanvoerend:
Wij hebben de Turken noodig. Ook
weet ik, dat een ambtenaar van de Duitsche
Katoenbouwmaatschappij en een van
den Bagdad-spoorweg, van hun oversten
verbod ontvingen, de Armeniërs te helpen,
en dat Duitsche officieren zich beklaagden
over de vriendschap voor de Armeniërs
van den Duitschen consul te Aleppo".
"Het gaat hier om een binnenlandsche
Turksche aangelegenheid. Wij mogen daar
niet tusschenkomen!" Zoo luidt het ordewoord
voor de Duitschers in het Oosten. Doch
dat neemt niet weg, zegt dr. Graeter,
dat, toen de Armeniërs van Urfa, weigerden,
hunne stad te verlaten, de Duitsche
legeroverste, graaf Wolf von Wolfskehl
(uitgezochte naam!) de stad deed bombardeeren,
en duizend mannelijke inwoners,
die zich overgegeven hadden, deed
neerschieten!
Niet slechts zedelijk, maar ook metterdaad
zijn dus de Duitschers medeplichtig
aan de uitroeiing van dit Christenvolk in
Klein-Azië. Dat getuigen Duitschers.
In bovenstaande huiveringwekkende verhalen
komt geen woord, geen letter voor,
waarvoor zich niet een Duitscher met
naam en toenaam borg heeft gesteld. Het
zal de pers in Duitschland dus niet zoo gemakkelijk
vallen, hier van Entente-leugens
te praten.
Maar wat wilt ge? ... Ligt het lijdelijk
toezien bij deze massa-moorden, zelfs
daadwerkelijke medeplichtigheid er aan, niet
geheel en al in de lijn der Duitsche oorlogvoering?
"Wij hebben de Turken noodig"
en ... Not kennt kein Gebot!
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

