… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Hoe lang moet die menschenslachting nog voortduren?
Tilburgsche Courant, 29 juni 1902
Bron: Delpher
Hoe lang moet die menschenslachting nog voortduren?
I.
Al dreunt het kanon op 't oogenblik
niet meer over de verwoeste
velden van Zuid-Afrika, al steekt
het zwaard dat zooeven nog zoovele
duizenden dierbare menschenlevens
wegmaaide op 't oogenblik in de
scheede, al is het "peis en vree"
tusschen Engelschen en Transvalers,
omdat de laatsten hun gansch geslacht
niet wilden laten uitmoorden,
toch blijft op eene andere plaats het
onschuldig menschenbloed stroomen
op de wreedaardigste en schandelijkste
wijze vergoten, en dit wel
enkel en alleen om des geloofs wille.
Dat christelijk martelaarsbloed,
hetwelk de fanatieke, wulpsche Turk
reeds gedurende jaren en jaren bij
tusschenpoozen den ongelukkigen
Armeniër aftapt, dat vloeit, dat
stroomt reeds zoovele jaren straffeloos
in dit land der martelaren,
wier eenige misdaad is dat zij trouwe
Christenen zijn en blijven en een
afschuw hebben van de wreede en
onzedelijke leer van den Islam.
Meer dan tien jaren heeft "de
gekroonde moordenaar" zooals de
groote Engelsche staatsman Gladstone,
den wreeden sultan van Turkije
durfde noemen den ongelukkigen
Armeniër, die niets vroeg dan wat
recht en billijk was, vertrapt, verguisd,
gekneveld en getiraniseerd;
tien jaren lang hebben zijne wreede
en onmenschelijke soldaten dat weleer
zoo schoone land verwoest, geplunderd,
have en goed verbrand of
weggevoerd; tien jaren lang hebben
de Turksche onmenschen dat volk
van helden en martelaars geplaagd,
gesard en ten slotte als vee geslacht;
tien jaren lang hebben die wulpsche
fanatiekers de Armenische vrouwen
en meisjes eerst laten dienen als
het voorwerp hunner laagste driften,
en na het bevredigen van al wat
laag en dierlijk is, moesten die
onschuldigen den wreedsten en pijnlijksten
marteldood ondergaan.
Ja, dat onmenschelijk, wreedaardig
en weerzinwekkend spel duurt reeds
lange jaren en dit wel in een tijd
waarop men zoo hoog durft opgeven
van sociale rechtvaardigheid, publiek
rechtsgevoel, moderne humaniteit en
wat dies meer zij.
Ja dat bloedig en menschonteerend
spel, waarbij niet duizenden, maar
honderd duizenden na de laagste
onteering te hebben onderstaan den
wreedsten marteldood moesten sterven,
dat bloedig spel, eene bittere
ironie en bespotting van de sentimenteele
humaniteit onzer dagen,
zal binnen enkele dagen, zooals men
ons seint, wederom met nieuwe
woede en echt Turksche wreedheid
worden voortgezet.
Het kranige Italiaansche blad,
Vera Roma gaf ons dezer dagen eene
korte beschrijving van de onmenschelijke
barbaarschheden, die zich
telkens in het bijna uitgemoorde
Armenië straffeloos herhalen, en
wederom dezer dagen onder het
lijdelijk en schuldig toezicht van
gansch Europa, door den fanatieken,
zedeloozen Turk zullen worden herhaald:
Het doel en streven van Turkije
ten opzichte van de christelijke
Armeniërs, die tot zijn gebied behooren,
is:
De menschen uitroeien, die nog
zouden kunnen weerstand bieden of
werken, den overblijvenden alle
middelen van bestaan ontnemen en
ten slotte van honger laten omkomen
of ter dood brengen allen, die weigeren
de onzalige leer van het
Islamismus te omhelzen. Sedert de
vervolgingen van Diocletianus, heeft
men nog nooit van zulke lage wreedheden
hooren gewagen.
Maar de helsche toeleg die het
fanatieke Islamismus aandrijft om
volgelingen van de Mahomedaansche
leer te winnen, is inzonderheid gericht
tegen de jeugd, die zich tegen
zulke wreede vijanden niet kan
verdedigen.
Vrouwen, jonge dochters, zelfs
meisjes van 9 of 10 jaren, worden
de prooi van de Turksche soldatenbende.
Zij die niet op slag worden
om het leven gebracht worden naar
de harems gezonden; de andere
worden in zoo grooten getale verkocht,
dat de prijs tot op 5 franken is
gedaald. De kleine jongens worden
in de Turksche kloosters opgesloten
om ze in den Islam op te voeden.
Hierbij komt nog eene menschonteerende
bijzonderheid. De Turken
zijn in de kunst om menschen te
slachten nog geslepener dan de
Koerden; deze laatsten toch doodden
hunne slachtoffers zonder ze te
martelen, terwijl de Turken er een
helsch behagen in scheppen om de
ongelukkigen te kwellen en te
pijnigen. Ja, het gaat soms zoover
dat de Koerden zelfs protesteeren
tegen de onnoodige wreedheden van
hunne bondgenooten.
't Is onmogelijk eene beschrijving
te geven van de verschillende folteringen
die de Turken op deze
ongelukkigen toepassen.
Om onze bewering meer kracht
bij te zetten, willen wij hier enkele
aanhalingen laten volgen uit het
boek van den bekenden W. Stead,
dat tot titel heeft: The haunting of
Armenia.
M. Stead verhaalt dat men op
zekeren dag een zestigtal jonge
vrouwen en jonge meisjes met
geweld wegvoerde, die gedurende
verscheidene dagen in gezelschap
van wreede en bandelooze Turksche
soldaten in de kerk van hun dorp
werden opgesloten. Deze laatsten,
na ze allerlei lage onteeringen te
hebben doen ondergaan, welke onze
pen weigert te beschrijven, worgden
al hun gevangenen gezamenlijk. Die
slachting was zoo vreeselijk, dat
het bloed van die ongelukkigen bij
stroomen door de kerkdeur naar
buiten vloeide.
Nu eens scheppen er de Turken
een helsch behagen in om hunne
slachtoffers te dooden, na eerst hunne
aderen met scharen te hebben
doorgeknipt; dan weer slaan zij
met hunne verschrikkelijke slagzwaarden
hunne lichamen in tweeën.
Dezen rukken zij het vel bij stukjes
van hun lichaam; anderen snijden
zij de ooren af, rukken hun de
tong uit den mond, de oogen uit
het hoofd, en hebben er ten slotte
een helsch plezier in om ze daarna
met de bajonet te doorsteken.
Al die weerzinwekkende wreedheden
doen ons denken aan de
beschrijving der vroegere Romeinsche
kerkvervolgingen; M. Billon echter
verzekert ons dat deze niets beteekenen
in vergelijking met de
laagheden, die daar elken dag, elke
week en gedurende het gansche
jaar plaats grijpen.
Men kan zich geen denkbeeld
vormen onder welk schrikbewind
de arme Armeniërs moeten leven,
die aan Turkije onderworpen zijn.
Zelfs zij, die zich durfden beklagen,
of die den moed hadden aan de
vertegenwoordigers der mogendheden
de waarheid te openbaren, werden
in gevangenissen geworpen, waarbij
de vroegere gevangenissen der middeleeuwen
nog modellen zijn van
humaniteit. Nog meer, men is nog
niet voldaan met deze ongelukkigen
in deze verschrikkelijke gevangenissen
op te sluiten, maar men gaat
ze in tegenwoordigheid van hunne
familieleden nog pijnigen en martelen,
opdat ze voor anderen als
een afschrikwekkend voorbeeld zouden
dienen.
En zulke menschonteerende tooneelen
hebben plaats in deze eeuw
van vooruitgang en beschaving, op
korten afstand van het humane
Europa, onder de oogen van consuls,
die door de groote mogendheden
worden bezoldigd, zonder dat Europa
de geringste poging aanwendt om
aan zulke laagheden paal en perk
te stellen.
Men kan ook niet zeggen dat
de missionarissen niet hun uiterste
best hebben gedaan, noch dat de
consuls met zulke feiten in kennis
gesteld deze hebben publiek gemaakt.
Velen zelfs, op gevaar af
den zoeten en diepen slaap van
hunne regeeringen te storen, hebben
lange rapporten gezonden, waarvan
slechts een enkel moest voldoende
zijn om een algemeene kruistocht
in het leven te roepen tegen al de
strijdkrachten van het Ottomannische rijk.
Als staaltje, ziet hier slechts een
enkel aangrijpend feit uit het verslag
van den Engelschen vice-consul
te Ergeroum.
Een zekere Azo, die had geweigerd
de beste inwoners van zijn
dorp uit te leveren, werd eerst aan
een kruishout gehecht, vervolgens
geheel ontkleed en het lichaam
bij stukken afgescheurd. Zijne beulen
rukten hem vervolgens met
geweld onder een helschen spotlach
den knevel uit. Eindelijk brandden
zij hem met een gloeiend ijzer de
meest gevoelige deelen van het
lichaam en ten slotte de tong.
Zijne vrouw en kinderen bevonden
zich onder die ijselijke bedrijven
in eene naastbijzijnde kamer; bij
het hooren van het hartbrekend
weegeklaag van den ongelukkige
vielen allen in onmacht.
Die ongehoorde marteling duurde
den ganschen nacht door ondanks
het aangrijpend bidden en smeeken
van den ongelukkige, die niet
ophield te roepen: "Om Godswil,
doodt mij toch, maar pijnigt en
martelt mij zoo niet, ach hebt toch
een weinig medelijden met mij en
maakt toch een einde aan mijne
wreede foltering."
Bjj zulke weerzinwekkende,
menschonteerende tooneelen, en dit
wel in een tijd, waarin het beschaafde
menschdom zich durft beroepen
op verdraagzaamheid en
humaniteit, is elk commentaar overbodig.
De treurige werkelijkheid, zooals
we ze boven uit de beste bron
met een enkel woord weergaven,
spreekt zoo luid, zoo pakkend, zoo
aangrijpend tot elk mensch, die
nog een beetje menschelijk gevoel
heeft, dat men er niets meer kan
bijvoegen.
Van Winkel.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

