… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Armenië
Het Nieuws van den Dag, 13 juli 1899
Bron: Delpher
Armenië
Minas Tschéraz, de afgevaardigde der Armeniërs,
die verleden week sprak op de merkwaardige meeting
in Amsterdam, is nu gisteren ook in Den Haag voor
een volle zaal opgetreden, en daarmee is elk spoor
van den misstap der autoriteiten ten aanzien van het
vrije woord in ons land uitgewischt.
Ook in de hofstad had zich eene commissie ter
voorbereiding van deze vergadering gevormd, en ook
in Den Haag was hij buiten bereik van alle politiebemoeiing
door zijn intrek te nemen bij een particulier.
Het karakter van de bijeenkomst was gelijk aan dat
van de vergadering te Amsterdam: volle zaal,
gedistingeerd publiek, veel geestdrift.
Toen de spreker met de heeren der commissie op
het podium was getreden gaf de Heer Jhr. Mr. T. van
Asch van Wijck uiting aan het gevoel van algemeene
verontwaardiging. Minas Tschéraz – zeide spr.
– moet wel gedacht hebben dat het vrije woord in
Nederland niet meer bestond. Doch alle partijen
hebben geprotesteerd tegen de maatregelen tegen
hem genomen, en wij zijn hem dankbaar dat hij hier
is willen terugkeeren om vrijelijk te spreken.
Na het enorme succes te Amsterdam, zal 't hem
gebleken zijn dat Nederland zijne reputatie van vrij
land heeft gered en was 't dus niet noodig dat hij
nog te 's-Gravenhage kwam; Wij zijn hem dankbaar
dat hij ons in de gelegenheid wil stellen hem te
hooren. 't Schijnt dat de Sultan reeds maatregelen
heeft genomen om den Armeniërs recht te doen wedervaren,
o.a. door het afzetten van een Gouverneur.
't Is te hopen dat de groote mogendheden hem zullen
dwingen tot definitieve maatregelen ten gunste van
de Armeniërs; de geheele wereld zal hem daarvoor
dankbaar zijn.
De rede, door den Heer Tschéraz alsnu uitgesproken,
was geheel dezelfde als die te Amsterdam voorgedragen;
eene resumptie is dus onnoodig.
In een kort slotwoord vertolkte Mr. P.H.P. van
Marle, hoofdredacteur van het Dagblad, den
dank der aanwezigen voor het optreden van den spreker,
die in de toejuichingen reeds den geest van het
Nederlandsch publiek zou hebben gezien. Vergeet niet
– zeide hij – dat wij Nederlanders koel
schijnen van aard, maar geestdriftig worden als 't geldt
een zaak van recht en gerechtigheid.
Onder de aanwezigen behoorde ook de Hoofdcommissaris
van politie.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

