… / Nederland / Nederlandse pers / 1894–1898 / Honderdduizend menschen vermoord
Nieuwe Tilburgsche Courant, 30 augustus 1896
Bron: Delpher
Honderdduizend menschen vermoord
Het droevig lot, dat op de oude
Armeensche bevolking rust, wier naam
reeds in Genesis wordt aangetroffen,
biedt overvloedige stof tot nadenken
en doet het hart ijzen van ontsteltenis.
Daar was de bakermat der menschheid,
zegt een Fransch schrijver, die
dan de volgende pen teekening van dit
ongelukkig land geeft:
"Men leeft er onder alle climaten,
over eene uitgestrektheid van tien
graden breedte, en 't is alsof pool en
keerkring elkander daar rendez-vous
hebben gegeven. Terwijl er in de
Mesopotamische vlakte eene warmte
heerscht, welke zeer goed met die van
Midden-Afrika kan vergeleken worden,
biedt het bergland al de verschrikkelijkheden
der meest noordelijke streken.
De palmboom, de citroen- en de
oranjeboom tieren welig in de nabijheid
der eiken- en dennenbosschen, en de
beer in zijne schuilhoeken van Taurus,
kan den Arabischen leeuw in de brandende
vlakte van den Euphrates hooren
brullen. Een zwaluw, die de honderdvijftig
uren zou afleggen, welke Pontus
van de Tigrevallei scheiden, zou op
een zelfden dag de lente ontmoeten te
Trebizonde, den winter te Erzeroum
en de zomer te Mossoul.
In dat merkwaardige land leefde
gisteren nog, niettegenstaande zijn
ouden roem, in de eenzaamheid vergeten,
het Armeensche volk, een van
de oudste en taaiste volkeren der wereld,
dat naar het oordeel van genoemden
schrijver reeds duizend jaren telde,
toen Rome en Athene het levenslicht
nog niet hadden gezien; dat reeds
machtig was en sterk, toen de beschaving
in Egypte en Assyrië reeds eeuwenlang
was uitgedoofd.
Daar leefde gisteren nog dat volk,
en daar sterft het heden uit, door den
Turk uitgemoord, onder den onverschilligen
en schier rustigen blik van
het christen Europa.
Wat er in Armenië gebeurt op het
oogenblik dat deze regelen geschreven
worden, is een gruwelijke misdaad,
die een onuitwisbare schandvlek werpt
op de hedendaagsche beschaving. Die
misdaad bedrijft Turkije en het beschaafd
en gedoopt Europa, roept Jean
Suis in een Fransch blad uit, laat maar
alles begaan, alsof het de moeite niet
waard was zich erom te bekommeren.
Geene vernederingen zijn gespaard
aan dat volk, dat in zijn ongeluk zijn
aangeboren fierheid niet heeft
verloren, – zijn roem en zijn luister,
zijn edel en groot verleden niet heeft
vergeten.
Onder het Turksche juk is er geen
vrede voor deze ongelukkigen, noch
veiligheid, noch gerechtigheid, noch
vrijheid; zij hebben geen recht op de
vruchten van hun arbeid en kennen
noch burgerlijke noch politieke gelijkheid;
zij kunnen in rechten niet getuigen
tegen een Muzelman en zij zijn
zoo neergedrukt onder de schreeuwendste
lasten, dat deze vaak slechts
kunnen betaald worden uit de opbrengst
van akker en eigen woning. Hunne
kloosters worden vernield, hunne kerken
onteerd, hunne dorpen leeggeplunderd
en aan de vlammen prijsgegeven,
terwijl de vruchten hunner landerijen
straffeloos geroofd worden. Honderden
jonge vrouwen eindelijk worden telken
jare aan den huiselijken kring ontroofd
om daarmede de harems der polygamische
Turken te bevolken.
Dit is geene litteraire improvisatie,
maar eene aanhaling van onbetwistbare
feiten, door magistraten en officieele
gezanten opgeteekend.
En nog scheen dit wreed en verschrikkelijk
lot te zacht voor dit arme
volk van martelaren.
Deze officieele documenten door de
zes gezantschappen van Constatinopel
vastgesteld en aan de gouvernementen
medegedeeld, die er door vertegenwoordigd
worden, halen moorden aan
op katholieke Armeniërs gepleegd in
elf provinciën, waar een totaal van
bijna honderdduizend slachtoffers is
gemaakt.
En het beschaafd Europa, doet niets,
niets...
En waarom niet ?
Verbazend is het antwoord der gezanten,
op deze vraag: "De dader
dezer afschuwwekkende moorderijen
is Turkije, en Turkije is onmachtig.
Wij zullen een gezamenlijk vertoog bij
den Sultan inzenden."
Een vertoog! Men ziet wel dat er
hier zelf van geen eenkel haartje sprake
is op het hofd van een diplomaat
gegroeid. Toen de Bey zijn waaier
verhief over het hoofd van den Franschen
gezant, zond Frankrijk oorlogsschepen
naar Algiers.
Heden geeft Turkije met zijne bleeke
hand, in het bloed van zoovele vermoorde
christenen gedoopt, een kaakslag
in het volle gelaat van het christen
Europa, en geen enkel oorlogsschip
komt er in beweging, en de kanonnen,
die reeds lang hunne donderende stem
hadden moeten doen hooren, blijven
onbeweeglijk en stom liggen.
De groote machten kunnen, niettegenstaande
hunne schrikbarende wapeningen,
zelfs geen enkel aviso vinden
om het naar Constantinopel te zenden,
hebben geen enkel kanon beschikbaar
om het op den harem te richten van
den booswicht, die Abdul Hamid heet.
Men neme hier bovendien wel in
aanmerking, dat eene enkele ernstige
bedreiging voldoende zou zijn om de
arme Armeniërs den vrede weer te
schenken.
Onze ongelukkige Armeensche broeders
in het geloof vragen geen buitengewone
zaken. Zij eischen zelfs hun
onafhankelijkheid niet. Niets anders
verlangen zij dan een eigen administratie,
en zij tellen 2.400.000 man om
dien eisch te stollen. Dit getal vertegenwoordigt
het tweederde gedeelte
der Armeensche bevolking, het overige
derde deel is dat hunner snoode verdrukkers,
de Mohammedanen. Werd
aan dit verlangen voldaan, dan zou
het leven en de have der arme bewoners,
de eer hunner vrouwen en dochters
verzekerd zijn.
En – hoe zou men 't kunnen gelooven?
– dit wordt hun zelfs door
de groote mogendheden verzekerd, – Art 61
van het tractaat van Berlijn,
1878, – en de plechtige verklaringen
der Verheven Porte!
Ziedaar dan de vruchten der diplomatie!
Reeds achttien jaren verzekert
zij aan een volk het recht van zijn
bestaan, en achttien jaren lang lijdt
dit arme volk toch het vreeselijkst lot.
Een schande voor Europa en de geciviliseerde
wereld !
En 't is nog niet voldoende, dat de
Armeniërs uit hunne bezittingen, uit
hun eigen vaderland gezet werden,
de wreede Islam door Abdul Hamid
vertegenwoordigd, wil de arme slachtoffers
ook nog hun God, hun geloof
ontrukken.
't Zijn Christenen en Katholieken, en
daarom worden zij vervolgd !
In andere tijden stond Europa als
één man op om een naakten steen te
beschermen, het gedenkteeken van den
dood van den Christus, en wierp zich,
tot de tanden gewapend, op de Muzelmaansche
barbaarschheid, – heden,
nu niet meer een kil graf op 't spel
staat, maar het geloof van een volk,
en er slechts een teeken te geven is,
om onmiddellijk zooveel barbaarschheid
te doen ophouden, weigert Europa
dezen kleinen, maar edelmoedigen stap
te doen.
Maar 't is dan ook niets, wat er
gebeurd is.
Er werden slechts honderdduizend
christenen vermoord!
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

