… / Nederland / Nederlandse pers / 1910–1914 / Objectiviteit
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 10 augustus 1914
Bron: Delpher
Objectiviteit
Er is geschreven over onze onzijdigheid, over onze
politieke onzijdigheid.
Met Nederland bevriende mogendheden, zoo heet
het, zijn in oorlog. Nederland is onzijdig en zal die
onzijdigheid tegen ieder weten te verdedigen, die
het mocht wagen er inbreuk op te maken.
De kracht, waarmee de regeering van een land
haar standpunt tegenover het buitenland kan handhaven,
hangt in hooge mate af van de kracht
waarmee de bevolking haar houding steunt.
Hoe dikwijls heeft niet in een oorlog een land de
zege bevoohten, doordat allen hetzelfde wilden als
alle anderen, doordat allen hetzelfde wilden als de
leiding, de regeering, de vorst, doordat de heele
bevolking, door geestdrift bezield, als één man streefde
naar de verdediging des vaderlands!
En hoe moeilijk is het niet vaak gebleken, ook
voor machtige rijken, om een impopulairen oorlog te
winnen.
De voorbeelden daarvan in de geschiedenis zijn
overbekend.
Maar wat voor een oorlog geldt, geldt ook voor
iedere andere houding van een regeering tegenover
het buitenland, ook voor de neutraliteit.
Het geldt als een eigenschap, als een kenmerk
van een edeldenkend mensch, dat hij voelt voor
een zwakke, die onrechtvaardig lijdt, dat hij gloeit
van verontwaardiging tegen den sterke, die misbruik
mankt van zijn kracht, en van geestdrift voor
den moed der zelfopoffering ten behoeve van een
rechtvaardige zaak.
Als deze psychologie ook van toepassing is op een volk
dan mogen wij te dien opzichte over
onze eigen natie tevreden zijn.
Toen Zola, om een voorbeeld te noemen, tengevolge
van zijn tusschenkomst voor Dreyfus in de gevangenis
werd gezet stroomde het uit alle oorden
van de wereld betuigingen van sympathie, maar
bovenal, zooals Zola zelf heeft getuigd, uit "het
kleine en edelmoedige Nederland".
Even versch ligt nog de verontwaardiging in het
geheugen, welke door ons land voer tijdens de vernietiging
der Boerenrepublieken door Engeland.
Dezelfde goede trek wekt thans in ons sympathie
voor de dappere Belgen, door zoovele banden
aan ons gebonden, in omstandigheden zoozeer
gelijkend op de onze, die zich door door de overweldigende
macht van hun tegenstander niet hebben laten
afschrikken, ter verdediging hunner rechtvaardigen zaak
den ongelijken strijd te aanvaarden; met
bewonderenswaardige eendracht en kracht, met wie
weet welk een uitwerking op den loop van den oorlog.
Maar laten wij, Nederlanders, door deze sympathie
niet de koelheid van ons verstand laten vertroebelen,
niet de bezadigdheid van ons oordeel laten
verduisteren.
Naast de sympathie voor den zwakke, zijn
ook de koelheid van verstand, de bezonkenheid van
het oordeel van oudsher goede eigenschappen van
ons volk.
We moeten de gebeurtenissen in verband en
in het groot zien.
Er is oorlog, met de wapenen niet alleen, maar
ook met de pen. De strijdende partijen beoorlogen
elkander met berichten, zoo goed als met
geweerkogels en granaat-kartetsen.
Wordt zoo'n berichtenoorlog ver weg geleverd en
werken de communicatiemiddelen in de overige wereld
normaal, dan is het dikwijls zoo moeilijk niet
te onderscheiden, welke overwinnigsberichten wel,
welke geen vertrouwen verdienen. Wij noemen slechts
de overwinningsberichten van de Italianen in Tripoli
en Barku, die van de Turken in den eersten
Balkanoorlog, die van de Bulgaren in den tweeden.
Van den aanvang af was te doorzien, dat deze berichten
onbetrouwbaar waren, waar men zo kon
toetsen aan die van den tegenstanders, aan die
van neutrale zijde vooral, die ons toen mede in
overvloed bereikten.
Nu de oorlog zoo dicht bij de grenzen woedt, is
het laatste niet meer het geval. Ons bereiken slechts
berichten van oorlogvoerende partijen, uit den aard
der zaak eenzijdig en gekleurd, en door de omstandigheden
komt soms een zondvloed berichten van de
ééne zijde, terwijl die van den anderen kant schaars
vloeien. Onze lezers zullen derhalve goed doen, bij
het lezen van de berichten in overweging te
nemen, van welken kant ze komen.
Wij moeten dus niet voorbarig zijn in onze gevolgtrekkingen;
tegenover de wederzijdsche hartstochten,
die de berichten inspireeren, een afwachtende houding
aannemen, wachten tot de toekomst ons het licht
ontsteekt, dat voor een objectief oordeel noodig
is. Laten wij het een tegenover het ander stellen
en voor zoover mogelijk de dingen in historisch
verband zien. Wij noemen slechts eenige punten, die
men o.i. niet uit het oog mag verliezen.
Duitschland vecht thans, alleen bijgestaan door Oostenrijk
(en wij weten tot nu toe niet of Oostenrijk
wel in staat is om met al zijn kracht te helpen) ,
tegen nagenoeg de heele overige wereld, om zijn
plaats onder de zon, zooals prins von Bulow heeft
gezegd, te verdedigen. In het Oosten strijden Duitschers
en Oostenrijkers den ontzaglijken strijd der
Germanen tegen het opdringende Slavendom, een
strijd, die ons niet onaangedaan kan laten, die
nieuwe zoete hoop wekt bij de volken in het
Westen van Rusland, die door den knoet zijn
neergeslagen, bij Finnen en Polen, menige zoete
hoop ook bij de Slavische volken, die in de boeien
van het Oostenrijksche imperialisme hun nationaliteit
niet konden ontwikkelen. Daarbij strijdt Duitschland
in het Westen tegen zijn ouden vijand, dien hij
vroeger overwon en Elzas-Lotharingen ontrukte en
tegen zijn nieuwen vijand Engeland, van wien het
door zijn rusteloozen ijver op oeconomisch gebied in
de laatste tientallen jaren zoo'n geduchte mededinger
is geworden. Men vergete niet, als men tegenover
de openhartige verklaring van den rijkskanselier,
die sommigen wellicht brutaal zullen vinden:
"Wij doen onrecht, maar wij kunnen niet
anders, deden wij het niet, dan zouden onze
vijanden, de Franschen, het doen en ons vóór zijn.
Wij hopen het onrecht, dat wij doen, later weer goed
te maken", de verklaring van den Engelschen minister
stelt, dat Engeland thans het zwaard trekt
om de neutraliteit van de kleine volken te beschutten
– dan vergete men niet, dat de Engelsche regeering
toch ook zoo doet, omdat zij zulks in het belang
van het rijk acht, dat zij te regeeren heeft.
Dat de Engelsche regeering, als zij het in het belang
des rijks noodig achtte, wel eens anders over
de onafhankelijkheid van kleine volken gedacht
heeft dan nu, is bij vroegere gelegenheden gebleken.
De onderling oorlogvoerende partijen zijn alle met
Nederland bevriende mogendheden. Vele Nederlanders
hebben in de onderscheiden landen, die nu zoo
verbitterd strijden, gastvrijheid genoten, velen onzer
spreken de talen dezer landen, weten te genieten van
hun voortbrengselen van kunst en wetenschap. Wanneer
wij nu een objectieve, een afwachtende houding
aannemen tegenover de vele tegenstrijdige berichten,
niet voorbarig zijn met onze oordeelvellingen, dan
steunen wij, bewoners van het land, waar het middelpunt
van alle vrienden van den vrede is, betreurend
de rampen, die met ons bevriende natiën over
elkander uitstorten, – dan steunen wij eerst recht
de neutrale houding van onze regeering, dan dienen
wij ons vaderland, zoo goed als de nu strijdende
volken het hunne, op een wijze, die wel minder
gerucht maakt, maar die niet minder tot de algemeene
zaak dienstig is.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

