… / Nederland / Nederlandse pers / 1924–1940 / Armenië
Nieuwsblad van het Noorden, 28 oktober 1931
Bron: Delpher
Armenië
Lezing mej. Cato De Witte
In de Waalsche Kerk hield mej. Cato de
Witte, hier welbekend door haar causerie in
1929 gehouden, Maandagavond een lezing met
lichtbeelden over den arbeid onder de Armeniërs
in Syrië.
Na gemeenschappelijk gezang van Ps. 146:3
en 5 opende ds. Vermeulen de zeer drukbezochte
lezing – velen moesten wegens plaatsgebrek
onverrichterzake huiswaarts gaan – met gebed waarna hij
voorlas uit de Heilige Schrift Ex. 3 vers 1-10.
Na een korte inleiding verkreeg mej. de
Witte, die secretaresse is van de "Action
Chrétienne en Oriënt" het woord voor het
houden van haar lezing. Op eenvoudige wijze
vertelde zuster De Witte over den strijd van
1915 af aan de zijde van Turkije gevoerd tot
verdediging van het vaderland, doch in Mei
1915 besloten de Turken tot algeheele deportatie
van alle Christelijke Armeniërs. Honderdduizenden
werden gebracht naar de woestijnvlakte
van Klein Azië en naar Mesopotamië.
En vooral van het vreeselijk lijden van
het trekken van die deportatie-stoet wilde
spr. iets vertellen. Duizenden en duizenden
zijn omgekomen door honger en gebrek, maar
vooral door de achtervolgingen van de wreede
Turksche benden. Met geen pen is te beschrijven
wat de arme Christenen hebben
meegemaakt; wat voor gruwelijke, menschonteerende
daden daar door de Mohammedanen
zijn verricht.
Denken wij b.v. aan de bron, waar de vrouwen
en kinderen in werden gegooid, met
petroleum overgoten en in brand gestoken,
aan de wijze waarop de Armeniërs vier aan
vier gekoppeld in het midden van de
Euphraat over boord werden gegooid, om jammerlijk
te verdrinken. De Makaree-woestijn,
waarin men geraamten kan aantreffen van
de omgekomen vervolgden. In onzen tijd werd
daar een volk van zijn goederen beroofd en
verplaatst; niet alleen om zijn geloof, maar
voornamelijk uit een politiek oogpunt!
In hetzelfde gebied, waar het bloed vloeide
van Armenische Christenen, zien wij nu twee
kleine dorpen ontstaan, mede door de bemiddeling
van den Volkenbond, van eenige vrienden
in Engeland en Armeniërs, die buitenslands
vertoeven. Deze dorpen, in het noorden
van Mesopotamië gelegen, worden elk gevormd
door een 100-tal huizen. Wij zijn dankbaar,
dat deze dorpen zijn ontstaan, maar zijn nog
niet voldaan, daar wij gaarne zendelingen
naar dit gebied zouden willen zenden, aldus
spr., want men verwacht ons en verlangt naar
onze hulp.
Op een onderhoudende wijze vertelde mej.
De Witte hierna nog eenige bijzonderheden
van de bevolking uit deze streken; doch het
was geen vroolijk relaas.
Hoe zou dit ook mogelijk zijn bij de openbaring
van de machten der duisternis, bij de
vreeselijke gebeurtenissen die er zich hebben
afgespeeld? In 1918 bij den wapenstilstand
trokken de Engelsche troepen Klein-Azië binnen.
Zij raadden de Armeniërs aan naar hun
stamland terug te keeren. En een Groot-
Armenië te stichten. Maar van de moeilijkheden
in Europa maakte Moeschal Kemal
Pascha gebruik om het leger te versterken.
Hieraan is het te wijten, dat in den oorlog,
dien Frankrijk, waarbij zich de Armeniërs
hadden aangesloten, in 1921 met Turkije voerde,
de Fransche legers zich overhaast moesten
terugtrekken. De achtergebleven Armeniërs
werden bij duizenden gedood. En toen in 1922
de laatste rest van het Armeensche volk haar
stamgebied moest verlaten, kwamen 150.000
Armeniërs naar Syrië, waar hen als centraal
punt Aleppo werd aangewezen.
20.000 Armeniërs leven in het vluchtelingenkamp,
een stad zonder water, zonder
bloemen, zonder voldoende afvoer. Wij geven
aan onze honden beter plaats dan er in die
woningen is.
En dat barakkenkamp te betreden, beteekent
levensleed te zien zonder weerga. Een
brok aangrijpende Armeensche tragiek.
De bevolking wil gaarne werken, zij is niet
zonder energie, maar buiten de grenzen liggen
de bezittingen, verbeurd verklaard.
In 1929 begon men met de medische arbeid,
terwijl in een der barakken Christelijk onderwijs
wordt gegeven.
Zuster De Witte wees vervolgens op de verschillende
kinderen, waarvoor door Nederlandsche
pleegouders financieele hulp wordt
geboden. Men is uiterst dankbaar, maar kijkt
steeds nog vol verlangen naar het Westen uit.
Twee jaar geleden is men begonnen, in
opdracht van de regeering, met het afbreken
van een gedeelte van het vluchtelingenkamp.
Dit is op zichzelf een heel mooi besluit, maar
het heeft de nood nog opgevoerd, daar de
verschillende arme gezinnen niet over voldoende
middelen beschikken om een nieuwe
woning te bouwen.
Wat de bevolking zelve betreft, vele Armeniërs
zijn verbitterd door het zoo groote leed
en de bijna ondragelijke kwellingen, maar er
is toch een schare, die juist door al het verdriet
gelouterd is: "Gij hebt kwaad gedacht,
doch God heeft het ten goede gedacht".
Tot slot bracht spr. dank aan het provinciaal
comité Groningen, die geholpen heeft
voor de weverij, met den bouw waarvan in
December a.s. zal worden begonnen; zij bracht
den dank over van een volk in nood, voor
alles wat reeds is tot stand gebracht en herinnerde
er aan, dat men door de contributiebijdragen
aan het provinciaal comité hoopt
een jong Armeensch evangelist naar Syrië te
zenden.
Vele lantaarnplaatjes illustreerden op aangrijpende
wijze het leed dat daar door de
duizenden Christenen wordt gedragen.
De heer Spoelstra sprak namens het comité
nog enkele woorden tot slot en ging daarna
in gebed voor.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

