… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Geen politieke politie
Leeuwarder Courant, 31 juli 1899
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland
Geen politieke politie
De Politiegids schrijft:
"De Juli-maand is, door de bejegening die
de beide vertegenwoordigers der Jong-Turken
ondergaan hebben van de zijde der politie in
de residentie, een recht ongelukkige maand
geweest. Ziedaar twee ontwikkelde, beschaafde
mannen, die hun vaderland ontvloden, om
overal en luide aan te klagen de Turksche
Regeering, die toelaat en blijft toelaten, dat
de Christen-Armeniërs worden uitgemoord, om
alom te getuigen van de gruwelen, van de
martelingen die mannen, vrouwen en kinderen
ondervinden, opdat deze mohammedanen zou
worden; om ook in den Haag, waar de
Vredesconferentie vergaderd is, aan het oor
van Europa's vertegenwoordigers te komen verhalen
van de bloedbaden in het zuiden, waarbij
in de drie jaar tijds driehonderd duizend (300,000)
Armeniërs werden onthoofd, verdronken, levend
verbrand, gefolterd, verminkt, om eindelijk
al wat mensch is te zeggen: dat die
Bartholomeusnacht nu reeds drie jaren duurt
en een weinig sympathie te vragen voor een
arm en gekruisigd volk.
Lezende hoe deze beide mannen door de
politie in hun hotel zijn opgezocht en geprest
om hun papieren te toonen en te bewijzen met
klinkende en zichtbare bewijzen, dat zij geld
bij zich hadden, geld (!) als ware het landlooper
en vagebonden, hebben we getrild van
toorn en van schaamte gebloosd.
Doen gezegde eischen denken aan de toepassing
der Wet regelende de "toelating en
uitzetting van vreemdelingen," een toepasselijkheid,
die door den stand, de moraliteit en
het doel der beide vreemdelingen vrijwel was
uitgesloten, méér wijzen ze op op een streven
om, ter wille van welke overwegingen ook,
als politieke politie te fungeeren en het een
voudig lastig te maken hun, die men niet
langer zien en in 't geheel niet hooren wilde.
Het verhoor voor den rechter van instructie
is bekend. Afgeschrikt door dit alles wilden
de pleitbezorgers der Armeniërs afzien van hun
voornemen, om de grieven van hun volk te
openbaren in een meeting. En ware de openbare
meening hiertegen niet in verzet gekomen
in al hare organen, zij hadden zwijgend maar
met een vloek op de lippen den rug toegekeerd
aan een land, dat de bakermat der vrijheid
heette, maar nochtans gedoogde, dat de vrijheid
van vreemdelingen als zij verkort werd, als
nog in geen land geschied was.
Ons Volk van dien smet te bevrijden, nam
op zich dr. A. Kuyper, die Minas Tscheraz,
een der bannelingen, in eigen huis gastvrijheid
verleende, om hem te vrijwaren tegen de politie,
en die hem, met de Kamerleden Lieftinck
en Vermeulen, in de gelegenheid stelde in de
hoofdstad des lands voor een groot en aanzienlijk
publiek te getuigen voor de goede zaak
der verdrukte Armeniërs. "Zeg zonder vrees
en vrijelijk al hetgeen gij te zeggen hebt.
Aan ons de verantwoordelijkheid", sprak dr. Kuyper.
En hoe welsprekend en overtuigend Minas
hiervan gebruik heeft gemaakt, hebben ons de
dagbladen verhaald. De politie onthield zich.
Was door dit ongehinderd optreden en den
grooten bijval der rede de goede naam van
Nederland als vrij land gered, voor onze reputatie
was 't noodig dat eenzelfde optreden
toch ook in de residentie geschiedde. Gastvrijheid
werd daar geboden door jhr. mr. T.A.J.
van Asch van Wijck, en de redenaar trad,
ongehinderd door de politie, op voor een volle
zaal, met geïnspireerd publiek dat veel
geestdrift aan den dag legde.
En door de pers, eenstemmig, wederom,
ging een zucht van verlichting, dat Nederland
gezuiverd was van de smet, niet langer een
schuilplaats te zijn van om hun geloof verdrukten,
dat Nederland niets meer voelen zou
voor de groote zaak van recht en gerechtigheid.
Geeft de latere onthouding der politie een
groote tegenstelling te aanschouwen met haar
gezag en eerste optreden, deze voor haar gezag
en reputatie zoo smadellijke verandering
van houding tegenover eenzelfde zaak worde
voortaan voorkomen, door elk optreden te toetsen
niet aan de letter alleen, maar ook aan
den geest der wet.
Daarbij zal zij goed doen te bedenken: dat
op het gebied der politieke politie, hoe aantrekkelijk
ook, voor haar geen lauweren zijn
te plukken, omdat blijkbaar noch de Regeering,
noch de minister van Justitie bereid zullen
worden gevonden haar handelingen te dekken.
"Bon entendeur... Salut!"
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

