… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Tweede Kamer, 's Gravenhage, 1 December
Leeuwarder Courant, 2 december 1899
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland
Tweede Kamer, 's Gravenhage, 1 December
[onderdeel van een langer verslag]
De heer Kuyper besprak de schending der
aloude quaestie op het stuk van nationale gastvrijheid
verleend aan politieke ballingen, naar
aanleiding van de feiten, dat aan een Armeniër
belet is het houden eener lezing met lichtbeelden;
dat een jong lid der Jong-Turksche partij
behandeld is als landlooper en het parket een
vervolging heeft voorbereid tegen een dier
vreemdelingen en tegen het Kamerlid van Kol.
Bij deze zaak achtte hij de geheele aansprakelijkheid
der Regeering betrokken zich verbazende
over het optreden ten behoeve
van den Sultan en krachtig opkomende voor
tot heilige recht om daden van buitenlandsche
regeeringen te critiseeren. Ter zake het
verbieden der lezing vroeg hij, of de minister
van Buitenlandsche Zaken daartoe bevel gegeven
had aan de politie, dan wel of de politie
door dienstijver machtsoverschrijding beging.
Of de Regeering het optreden van het openbare
ministerie door hare verantwoordelijkheid dekt
en of op haar Turksche invloeden
werkzaam zijn geweest.
De heer Pijttersen betuigde ook afkeuring
over de behandeling van vreemdelingen tijdens
de Vredesconferentie, vragende of de Regeering
aan de politie hare ontevredenheid heeft kenbaar
gemaakt. Tot toelichting der beteekenis van
het optreden der Jong-Turken wijst hij op de
bestaande toestanden in Turkije (een beschouwing,
die de Voorzitter thans niet strikt noodig
oordeelt), waarop die Jong-Turken de oogen
van Europa vestigden, en die menschen zijn
als landloopers en verdachten bejegend. In
deze neemt hij aan een gedeelte der
verantwoordelijkheid der autoriteiten met voorkennis
van 's rijkspolitie en den minister van Justitie.
Hij verzoekt maatregelen om herhaling te
voorkomen van onbevoegd optreden der gemeentepolitie.
De heer de Savornin Lohman vraagt
wat de Regeering in deze gedaan heeft en
waarin de overdreven diensttijver bestond, dien
hij afkeurde, doch hij kreeg overigens van het
voorgevallene den indruk, dat de politie haar
plicht gedaan heeft, ook ter besparing van
onaangenaamheden aan de Christelijke Jongelingsvereeniging.
Overigens brenge men de uitvoerende macht niet in de politiek,
waaraan de politie niet heeft te gehoorzamen.
De minister van Financiën beantwoordt
de sprekers. Ter zake de Jong-Turken
zegt hij, dat Minas Tcheraz allerlei onbetrouwbare
verhalen heeft gedaan, die geloof vinden
bij het publiek. De politie belette hem niet
op te treden. Bemoeiing van het parket, natuurlijk
in overleg met den minister van
Justitie, leidde tot een onderzoek naar de
heftige redevoeringen, maar gaf geen grond
tot vervolging.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

