… / Nederland / Nederlandse pers / 1924–1940 / Doetinchem – Armeensche Christenen
De Graafschap-Bode, 3 april 1936
Bron: Delpher
Doetinchem – Armeensche Christenen
— Dinsdagavond had in de kapel der Ned. Herv.
Zendingsgemeente alhier een samenkomst plaats, vanwege
de Stichting Morgenland-Zending van de Nederlandsche
Afdeeling der Action Chrétienne en Orient. Om 7
uur werd deze goed bezochte samenkomst door Ds. H. Visser,
alhier, geopend met het laten zingen van Psalm 121, vers 1
en 2 en vervolgens een inleidend woord waarin spreker
opmerkt dat het goed beschouwd een vreeselijk ding is,
dat samenkomsten als deze in onze dagen nog belegd moeten
worden, daar de eerste oorzaak voor deze vergadering de
nood is, waarin de Armeensche Christenen verkeeren.
Het is bijna onbegrijpelijk, dat toestanden, zooals zich
die in Armenië voordoen, in onze dagen nog voorkomen.
Hierna was het woord aan de spreekster van deze avond,
Mej. C. de Witte uit Utrecht. "De drie voornaamste
werkzaamheden van de Morgenland-Zending, aldus Mej. de
Witte, zijn: werken van barmhartigheid, het doen
herleven van de Armeensch protestantsche en Gregoriaansche
kerk en ten slotte het vervullen van de Zendingstaak onder
de Bedoeïnen en Arabieren in Mesopotamië. Om allereerst
even stil te staan bij het stamland van de Armeniërs
dan zien we dit land in de oude geschiedenis als een
bufferstaat tusschen het rijk der Parthen en dat der Romeinen.
Reeds toen begon voor deze menschen een moeilijk leven, maar
toen later dit volk als eerste het Christendom als
staatsreligie verhief, toen begon het lijden pas goed,
daar in de eerste tijden het Christelijk geloof, zooals
overal elders, veel te verduren kreeg en later een
systematisch onderdrukken, door Turksche heerschappij volgde.
De Turken die in de 12e eeuw vaste voet kregen onder de
Armeniërs, hebben sindsdien al het mogelijke gedaan
deze menschen, die vasthielden aan hun geloof, afbreuk te
doen.
Na één der vele Russisch-Turksche oorlogen
verzochten de Armeniërs op het bekende congres van
Berlijn behartiging van hun belangen, wat hen echter duur
kwam te staan, daar de sultan hiervoor bloedig wraak nam.
Eerst in 1912 werd hetzelfde recht als de Turk genoot,
toegegekend. Doch het ergste ijden moest nog komen en wel in
de wereldoorlog. In de jaren 1915-1918 werd de Armeensche
bevolking uit Klein Azië in de verbanning gezonden,
waarbij niet minder dan een millioen Armeniërs door
honger en massamoord omkwam. In 1922 werd de rest die na de
verbanning onder bescherming der Gealliëerden naar
Klein Azië was teruggekeerd, weerloos overgelaten
aan de zegevierende Turksche troepen en in een overhaaste
vlucht, met achterlating van elk persoonlijk bezit,
gedwongen zich op vreemde bodem als ballingen te
vestigen. Aanvankelijk ging het goed in de vreemde,
doch ook hier laat zich nu de crisis gelden en de
Armeniërs hebben met ongekende moeilijkheden te
kampen. Het staat vast dat de wisselvalligheid der
Europeesche politiek aan de huidige toestand der
Armeniërs aanzienlijke schuld heeft; als Christenen
van Europa hebben we hier meer dan ergens elders
een taak te vervullen."
Na deze met groote aandacht beluisterde uiteenzetting
werden een serie platen vertoond,
die lieten zien, wat hier gedaan wordt
om de nood te lenigen; mede door de verklarende opmerkingen
hierbij werd door deze lichtbeelden een goede indruk van het
werk onder de Armeniërs verkregen.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

