… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Nederland en Armenië
De Tijd, 9 juli 1899
Bron: Delpher
Nederland en Armenië
Zelden hebben wij een nederlandsch
publiek, voor het grootste
gedeelte samengesteld uit vertegenwoordigers
der hoogere kringen, zoozeer
in geestdrift ontvlamd gezien
als gisteren-avond bij de lezing van
den Armeniër Tchéraz.
Zeggen wij aanstonds, dat de voordracht
zelve die geestdrift allerminst
verklaarbaar maakte. De heer Tchéraz
is geen redenaar; noch door
uiterlijke verschijning, noch door
stemgeluid, noch door hooge welsprekendheid
is hij een man, die indruk
maakt. Ook was hetgeen hij mededeelde
verre van nieuw; de toehoorders
wisten, toen zij naar
het Gebouw voor den werkenden
Stand togen, bijna allen, wat zij
gingen vernemen. Meer dan zij
konden verwachten hebben zij in
de niet zeer lange rede over de
armenische toestanden en de lotgevallen
van het Armenische volk
gedurende de laatste jaren niet vernomen...
En toch, wij zeiden het
reeds, hebben de meesten, zoo niet
allen, welke bij de lezing aanwezig
waren, zich aangedaan gevoeld op
een wijze, zooals misschien nimmer
te voren bij het woord van redenaars,
die over veel grooter gaven des
woords te beschikken hadden.
De eerste, misschien ook de voornaamste
reden ligt voor de hand.
Er is niet veel welsprekendheid
en fraaie taal noodig, om indruk
te maken, wanneer men komt spreken
over drie-honderd-duizend martelaren,
ter wille van hun christelijke
belijdenis en hun nationaliteit,
meestal onder de wreedst denkbare
folteringen, om het leven gebracht,
en wanneer men als landgenoot en
vrijwillige balling het medelijden en
de sympathie komt vragen voor
een aldus zwaar beproefd, nog altijd
bloedig vervolgde christenbevolking.
Er was echter nog een andere reden.
Aan het gevoel van medelijden
paarde zich een gevoel van diepe
verontwaardiging, van verontwaardiging
over de houding der geheele
staatkunde van het christelijk
Europa; van verontwaardiging
ook – het moet gezegd worden –
over de houding onzer Nederlandsche
Regeering. Het was Dr Kuyper,
die aan dat gevoel vooral uiting wist
te geven op eene wijze, waarop het
woord bewonderenswaardig ten volle
van toepassing is. De rede, waarmede hij
de vergadering opende, en
zijn slotwoord, na de voordracht van
den heer Tchéraz, beide in keurig
Fransch gesteld, waren stukken van
hooge en vurige welsprekendheid.
Het was dan ook door de woorden
van den heer Kuyper vooral, dat de
ware beteekenis der vergadering
helder in het licht werd gesteld, en
dat de gevoelens, welke de overgroote
meerderheid der vergadering
bezielden, zooals uit de daverende,
dikwijls herhaalde en lang aanhoudende
toejuichingen bleek, op de
juiste wijze vertolkt werden.
Wat al de anderen min of meer
bewust gevoelden, werd door Dr
Kuyper in gloeiende taal gezegd.
De vergadering was een protestvergadering,
noodig om de eer van
ons Vaderland te herstellen, waaraan
was tekort gedaan door de
nederlandsche Regeering.
Een ergerlijk, een schandelijk feit
moet het genoemd worden, dat Turkije
– om een beeld uit de lezing
van Tchéraz te bezigen – na het
ten deele uitmoorden der Armeniërs
slechts even de handen te wasschen
had, om als gelijke te worden toegelaten
op het Vredescongres met
de vertegenwoordigers van alle beschaafde
christelijke natiën. De schuld
hiervoor draagt onze Regeering gezamenlijk
met die van andere natiën.
Zij kan die voor het grootste gedeelte
derhalve van zich afwijzen.
Ook is het niet de schuld onzer
Regeering, dat Tchéraz en anderen,
tolken en afgezanten van het gemartelde
volk, bij de Vredes-Conferentie
geen gehoor konden verkrijgen,
toen zij de vertegenwoordigers
der Mogendheden in bescheiden
termen wilden herinneren aan de
herhaalde, nooit nageleefde beloften
omtrent hervormingen en verbeteringen,
waartoe de Porte zich bij
tractaat jegens de Mogendheden van
Europa verbonden heeft. De Armeniërs
hebben het recht op naleving dezer
tractaten aan te dringen bij die Mogendheden,
welke zich op bepaalde
oogenblikken als ware het de voogdij
over hen hebben toegeëigend.
Men heeft echter naar de stem der verdrukten
niet willen luisteren, geen
adres zelfs van hen willen aannemen.
Het door den Tsaar vastgestelde
program van de Conferentie
liet dit niet toe. Nog eens: ook daarvoor
aan de Nederlandsche Regeering
geen schuld, hoewel het onze toch
reeds geringe ingenomenheid met de
"eer", aan ons Land en onze residentie
door keuze als zetel van het Congres bewezen,
opnieuw schade doet.
Daarentegen aan de Nederlandsche
Regeering de schuld, de volle verantwoordelijkheid
voor de kleinzielige
wijze, waarop de afgezanten van
onderdrukte volken, terwijl door hen
de wetten des Lands in alle deelen
werden geëerbiedigd, zijn bemoeilijkt.
Een oogenblik heeft inderdaad het
gevaar bestaan, dat men Tchéraz
en anderen hier te lande het spreken
zou beletten, hen, zoo mogelijk,
als landloopers over de grenzen zou
zetten, – en dit op aansporing van
de turksche Regeering! De moordenaar
vorderde van onze Regeering,
dat zij de Nederlandsche politie en
justitie, in strijd met onze begrippen
van recht en vrijheid, zou doen optreden,
om te beletten dat de stem
der slachtoffers door Europa zou
vernomen worden. En onze Regeering
toonde zich bereid aan dien
eisch te voldoen! Toen is in de
ziel van duizenden Nederlanders een
verontwaardigd protest opgerezen:
van een nog grooter getal, welke
van hetgeen er geschied was
slechts oppervlakkig kennis hadden
genomen, maakte de geestige,
in dit geval scherpe, teekenstift van
Braakensiek de toedracht ten volle
duidelijk: onze Minister van Buitenlandsche
zaken in de gedaante van
dierentemmer den Nederlandschen
Leeuw doende kruipen vóór den
Turk, die met hatelijken grijnslach
zijn tevredenheid betuigt, doch van
den Minister begeert, dat hij den
Leeuw ook zal gelasten, den staart,
dien hij hoog in de lucht zwaait,
tusschen de pooten te trekken.
Ook in het buitenland begonnen
stemmen van verontwaardiging op te
gaan. Nederland, het klassieke Land
der vrijheid, de tolken en afgezanten
van vervolgde volken over zijne
grenzen jagend – ten genoegen van
Turkije! Die smaad mocht niet op
ons land blijven drukken. Het was
dit gevoel, hetwelk Dr Kuyper en
de twee Kamerleden, van welke
met hem de uitnoodiging tot de
conferentie uitging, bezielde, toen zij
Tchéraz in de gelegenheid stelden,
de klachten van zijn volk voor een uitgelezen
Nederlandsch publiek uit
te spreken. Het was misschien
overdreven voorzorg, doch de heer
Tchéraz nam daags te voren op
uitnoodiging zijn intrek ten huize
van Dr Kuyper. Men zou, indien
de toeleg bestond, door chicanes het
houden der lezing te beletten, in
den gastheer den man gevonden hebben,
die het recht van zijn
gast op Nederlandschen bodem
zou weten te verdedigen. Gelijk
de drie groote Staatspartijen
vertegenwoordigd waren door de
drie Kamerleden, van welke in deze
het initiatief uitging, bestond ook
het talrijke publiek, hetwelk in het
Gebouw voor den Werkenden Stand
den heer Tchéraz toejuichte en tegen
de houding onzer Regeering protesteerde,
uit personen van de meest
uiteenloopende politieke richting.
En het was zeker niet 't minst
de overtuiging, dat men, hoezeer
anders omtrent vele zaken en
belangen verdeeld, thans, door
eenzelfde echt patriotische gedachte
bezield, als Nederlanders bijeen was,
om een echt nederlandsch belang te
handhaven, welke aan de geheele
bijeenkomst de bij ons ongewone
gloed en warmte schonk, die het
samenzijn kenmerkten.
De rede van den heer Tchéraz
bewees te over, hoe volkomen ongegrond,
van het standpunt onzer
wetgeving beschouwd, het optreden
van politie en justitie tegenover hem
moet genoemd worden. Hier geen doldriftige
revolutionnair, geen dweeper
of zeloot, die om wraak komt roepen
over het gestorte bloed zijner landgenooten
en oorlog komt prediken
tegen hunne vijanden. Zakelijk
en op kalmen toon – te kalm soms,
naar ons gevoelen, – beschreef
hij, op grond van onwraakbare
getuigenissen, toestanden en gebeurtenissen.
Van wraakzucht geen
spoor; uit de geheele rede sprak
een groote mate van gereserveerdheid
en voorzichtig zelfbedwang;
de naam van den Sultan b.v.
werd door hem, in verband met
de vreeselijke gebeurtenissen, geen
enkele maal genoemd. De zaak,
waaraan hij zijn leven gewijd heeft,
is: zijn verdrukten landgenooten te
hulp te komen. Wat hij vroeg van
zijn gehoor, was niet meer dan een
weinig sympathie voor zijn ongelukkig
land en van onze Koningin:
"In naam der armenische martelaren
smeek ik u geknield, duld niet
dat de beulen van mijn volk ooit
met hunne lippen uwe blanke hand
aanraken."
IJdele moeite, hooren wij reeds
den een of anderen scepticus zeggen.
De tijd der kruistochten is voorbij.
De practische staatkunde van onze
eeuw onderneemt geen tochten meer
tot het verwinnen van het graf van
den Heiland; zij verklaart evenmin
oorlog, om het uitmoorden van een
christenvolk te beletten, wanneer
haar geen financieele of handelsbelangen
daartoe aanzetten. De zaak
der Armeniërs schijnt haar niet de
knoken van een enkel soldaat
waard.
Inderdaad schijnt het zóó ver gekomen.
De houding van de europeesche
staatkunde ten opzichte der
Turken en hunne slachtoffers zal
eenmaal de groote schande heeten
van het einde onzer XlXde eeuw.
Doch het is niet van de tegenwoordige
Regeeringen, het is van de
volken-zelven, van het wakker schudden
van de publieke meening, van
de herleving van het christelijk gevoel
in Europa, dat de Armeniërs
hulp verwachten. De publieke meening,
het christelijk gevoel, hopen
Tchéraz en zijn vienden, zal eindelijk
de Kabinetten dwingen, hun
politiek van werkloosheid en machteloos
toezien op te geven. Moge
de toekomst hunne wenschen verwezenlijken.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

