… / Nederland / Nederlandse pers / 1915–1918 / Armenië
De Tijd, 7 januari 1916
Bron: Delpher
Armenië
Een onzer medewerkers schrijft ons:
Armenië wordt bewoond door een oud volk.
Nadat het in de middeleeuwen meermalen
door eigen koningen werd geregeerd, dus tot
dat tijdstip zelfstandig was, verloor het na dien
tijd zijne politieke zelfstandigheid en werd het
door drie landen, namelijk Rusland, Turkije en
Perzië geannexeerd.
Het omvat het gebied tusschen Klein-Azië
in het Westen; de laagvlakte van den Arras
en Koer, in het Oosten; den Kaukasus, in het
Noorden; de gebergte zuidelijk van den Murad
in het Zuiden, en vormt in dezen omvang een
natuurlijk geheel en een machtige, de omliggende
landen overschaduwende hoogvlakte, met
een van ouds nationale bevolking.
Armenië is rijk aan mineralen. Beroemd zijn
de mijnen in Gunnischane en Kure Baiburt, welke
zilver, lood, ijzer, koper, aluin en tertiaire
kristallen zout leveren.
Het klimaat is verschillend; de hoogvlakten
hebben lange, strenge winters en korte zomers
met heete dagen, maar koude nachten. Het
Koerdal van Tiflis tot de Kaspische Zee en het
in een dal liggend land van den Boven-Tigris
hebben een zacht klimaat.
De Armeniërs hebben een buitengewoon hoog
voorhoofd, dikke groote neuzen, donker haar
en oogen; zij zijn intelligent en bezitten een
vanuit de vierde eeuw dateerende literatuur en
geschiedenis.
Het christendom in Armenië dateert reeds
uit de Apostolische tijden. Verreweg het grootst
aantal bewoners des lands (ongeveer 3 millioen)
behoort in dezen tijd tot de Schismatiek-Gregoriaansche
Kerk. Ongeveer 150.000 Armeniërs,
meest het Westen bewonend, leven
met Rome geunieerd. De protestantsche Armeniërs,
ongeveer 60.000, namen de laatste
jaren zeer in aantal toe.
De Armeniërs vormen over het algemeen een
arbeidzaam, spaarzaam en sober levend volk,
echter zeer wraakzuchtig en moreel zeer laagstaand.
Om hun doel te bereiken zijn zij volstrekt
niet kieschkeurig, als het er op aankomt
flinke zaken te doen. Hun werklust, die zij in
hun eigen land niet voldoende kunnen benutten,
voert hen naar andere landen, vooral in
Konstantinopel bekleeden velen hunner ambtenaarsbetrekkingen,
maar ook naar West-Europa
en zelfs naar Noord-Amerika emigreeren zij.
Niettegenstaande deze verstrooiing vormen zij
een gesloten gemeenschap, die de nationale
eigenschappen weet te bewaren.
In hun vaderland zijn zij meest herders en
landbouwers. Hun kleeding is Turksch, echter
met dit verschil, dat zij in plaats van een
Turban, een hooge pelsmuts dragen. De vrouwen
mogen niet anders dan gesluierd uitgaan
en werden op een lagen trap van beschaving
gehouden.
Behalve Armenërs wonen er in dit land Turken,
Koerden, Nestorianen, Georgiers, Lassen,
Grieken, Joden en Zigeuners.
De woonhuizen zijn berekend op lange en
harde winters en hebben zeer weinig vensters
en deuren.
De dorpen bestaan uit huizen van kleigrond
gebouwd en de woonvertrekken bevinden zich
in hoofdzaak ondergronds. Onmiddellijk naast
de woonvertrekken bevinden zich de stallen.
Evenals de andere volkstammen van den
Kaukasus, vooral de Georgiers, hebben ook de
Armeniërs bij herhaling getracht, wederom onafhankelijk
te worden, zich dus van Rusland en
Turkije af te scheiden. Zeer zeker zullen deze
beide volken trachten, gebruik te maken van
den tegenwoordigen wereldoorlog, die, zooals
algemeen bekend, ook in de Kaukasus woedt.
Men doet dan ook zonder twijfel zeer goed,
de berichten over de Armenische gruwelen met
het grootste wantrouwen te aanvaarden.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

