… / Nederland / Nederlandse pers / 1924–1940 / Het lijden van het Armenische volk
De Tijd, 25 november 1928
Bron: Delpher
Het lijden van het Armenische volk
door den Poolonderzoeker FRIDTJOF NANSEN
De tijd der absolute heerschappij over Armenië
is een aaneenschakeling van gruweldaden
tegen dit volk; maar ook de Jong-Turksche
regeering, die vijandig tegenover den godsdienst
stond, staakte de vervolgingen der Armeniërs
niet. Integendeel: volgens verslag van den
Duitschen consul van Juni 1915 werden in
Erzerum in 4 dagen tijd op bevel der regeering
25.000 vrouwen en kinderen vermoord; in September
1915 beval de Turksche minister van
binnenlandsche zaken, Talaat Bey, dat alleen ds
kinderen beneden de 5 jaar in leven mochten
blijven.
Lepsius, die onder den titel "Duitschland en
Armenië 1914-1918" een verzameling van diplomatieke
stukken over dit onderwerp gepubliceerd
heeft, berekent, dat in de jaren 1915
en 1916 van de 1.845.450 Armeniërs er ongeveer
1.000.000 gedood, en van de rest ongeveer
200.000 verbannen en verkocht zijn; 250.000
zijn naar Trans-Kaukasië en Egypte gevlucht
en 200.000 uitgehongerd, opgesloten in een
Concentratiekamp. Volgens Turksche berichten
b.v. liggen in een enkel concetratiekamp.aan de
Euphraat 55.000 Armeniërs begraven, dicht bij
datzelfde kamp zijn in 1915 60.000 verbannen
Armeniërs "verdwenen".
In Bakoe werden op een enkelen dag, terwijl
de commandeerende Pascha met zijn officieren
een feestdiner hield, in de straten 20 tot 30.000
Armeniërs doodgeschoten.
In dezen vreeselijken noodtoestand sloten de
Armeniërs zich in den wereldoorlog bij de Entente
aan en kregen in 1916 en in 1918-1920
van de Engelsche regeering, in 1918 van de
Fransche regeering de belofte een onafhankelijken
vrijen staat te mogen stichten; in het
nooit geratificeerde verdrag van Sèvres (1920)
tusschen Turkije en de geallieerden, werd Armenië
als een souvereinen staat erkend. De
Turken bekommerden zich natuurlijk niet om
deze beslissing, die heelemaal geen rechtsgeldigheid
bevatte en zetten hunne vervolgingen
voort.
Een groot gedeelte van het Armeensche gebied
sloot zich, toen zij zich van de geallieerden – voor wie toch 200.000 Armenjërs in den
oorlog gesneuveld waren – verlaten zagen, bij
de Unie der Trans-Kaukasische Sovjet-republikeinen
aan. Hier maakten de mogendheden gebruik
van als voorwendsel, om den Armeniërs,
die nog steeds verdrukt werden, ieder beloofde
hulp te onthouden. Ook de Volkerenbond deed
niets in hun belang, behalve dat hij in 1920-1921
en 1922 in zijn vergaderingen telkens
weer met algemeene stemmen besloot, "alle
maatregelen te nemen", om aan de Armenische
tragedie een einde te maken. Hij droeg Nansen
op een studiereis door Armenië te maken; maar
van de hulpmaatregelen, die de onderzoeker
voorsloeg, werd niets uitgevoerd. De Armeensche
kwestie is nog steeds onopgelost.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

