… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Een nationaal protest
De Tijd, 20 juli 1899
Bron: Delpher
Een nationaal protest
De Hervorming kent aan de bijeenkomst
te Amsterdam, door de heeren Kuyper,
Lieftinck en Vermeulen belegd, en waar
de Armeniër Minas Tchéraz het woord
voerde, de beteekenis toe van een nationaal
protest tegen de wyze waarop te 's-Gravenhage,
onder den aandrang van den
Sultan, aan den pleitbezorger van de gemartelde
Armeniërs het vrije woord geweigerd is.
"Tegen een dergelijk vergrijp aan de
beste onzer volksoverleveringen voegt,"
zegt De Hervorming, "een nationaal protest,
om 't even welke de Regeering zij, die
verantwoordelijk is voor dat vergrijp."
Indien onder de beweegredenen tot
het uiten van zulk een protest mochten
schuilen, die, afgescheiden van de beteekenis
der zaak-zelve, enkel uit de berekening
eener politiek van slecht allooi zijn
geboren, dan blijve dit voor rekening van
hen die er zich door laten leiden. Ons
gaat dit niet aan. Sprekende van de
plagerijen, waaraan zij die hun grieven
tegen den Sultan kwamen uitspreken, te
's-Gravenhage van de zijde der politie
blootstonden, schrijft dr Bronsveld in zijn
Kroniek van deze maand: "Er is geen
twijfel aan, of de minister van Buitenlandsche
Zaken had daartoe geen last
gegeven, noch zijdelings, noch rechtstreeks."
Alsof er iemand zou kunnen
gelooven dat de politie op eigen hand, en
zonder te meenen dat zij den minister en
zijn beleid daarmee in 't gevlei kwam,
stappen zou doen, die zoo vlak tegen al
onze volksoverleveringen ingaan.
"Indien mr De Beaufort zich schoon kan
wasschen, dat hij het doe. Maar men zou
dr Bronsveld onder de eersten mogen
verwachten, die opkwamen voor onze
nationale eer, waar deze wordt aangetast
op zoo teeder punt. Hij ziet in heel het
protest niets anders dan een politieke manoeuvre.
Wat misschien als bewijs moet
gelden van politiek doorzicht, maar ook
een gevolg kan zijn van politieken hartstocht.
Wat ons betreft, zegt De Hervorming,
wij deelen van harte in het nationaal
protest en wie verantwoordelijk is voor de
schending van wat onschendbaar behoort
te blijven, moge die verantwoordelijkheid
dragen."
Ook De Vaderlander toont zich met de
gehouden meeting ingenomen.
"Wij wagen ons, bij zooveel tegenspraak
om ons heen – schrijft het blad – aan
de bepaling van schuld en verantwoordelijkheid
niet, ons vleiende dat voldoend
licht over duistere vraagpunten zal opgaan.
Maar het verheugt ons, en wij veronderstellen
evenzeer hen, die leden zijn onzer
Regeering, dat den afgezant der vervolgden
nu voor zijn klacht een plaats geopend
werd. Hiermede is Neerlands eer gehandhaafd."
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

