… / Nederland / Nederlandse pers / 1919–1923 / De internationale puzzle
De Amsterdammer, 4 augustus 1923
Bron: archief de Groene Amsterdammer
De internationale puzzle
Einde Juli 1923
Een gewichtig feit is voldongen geworden,
een even verblijdende als gewichtige stap gezet
op den weg die ons uit het moeras naar
den vasten grond moet voeren. Te Lausanne
is het tractaat van vrede met Turkije geteekend.
Wat zich een tijdlang als een onontwarbaar
muizennest liet aanzien, is nu in
hoofdzaak geregeld geworden. Wat eigenlijk
sinds 1919 een geladen vraagstuk was gebleven,
vol zaad voor conflicten, is nu de
verevening nabij gebracht. Er is weer een vaste
orde van zaken geschapen om den Bosporus
en in Klein-Azië. Het Turksche probleem is op
papier aan kant. Zelfs de Sovjetregeering te
Moscou zal de getroffen regeling aanvaarden.
Een belangrijk element van rust is verkregen.
De vrede van Lausanne is slechts in zeer
betrekkelijke mate een succes voor de Groote
Mogendheden. Het is een succes, dat zij ten
slotte nog een vrede hebben weten tot stand te
brengen. Vergeleken evenwel met den
oorspronkelijken opzet van hun actie jegens het
overwonnen Turksche Rijk, hebben de
regeeringen van Parijs, Londen en Rome heel
wat steken laten vallen. Het is misschien
beter, niet uit te pluizen wie het meest in de
wiek geschoten is. Italië behaalt profijten, en
het zal met het nieuwe Turkije de beste
verhoudingen krijgen. De ontwikkeling der
zaken komt vooral aan Italië als Middellandsche
Zeemogendheid ten goede. Engeland heeft
bereikt van wat het voor Griekenland
had beoogd. Het wordt in en om
Constantinopel als de vijand gehaat.
Frankrijk scheen
een oogenblik de vriend te zullen worden, en
de beschavingspost der Franken op den weg
naar Damascus blijft ook wel verzekerd. De
overwegende commercieele Fransche belangen
zijn evenwel deerlijk beknipt. Te midden van
hunne hooghartige disputen over het Duitsche
probleem, moet de onderteekening te Lausanne
aan de kabinetten te Londen en Parijs toch
een katterig oogenblik bezorgd hebben.
Hoe anders zag dat tractaat van Sèvres
eruit, – waarvan nu zoo weinig is
overgebleven. – 't welk in 1919 de "Conseil Suprême"
aan de toenmalige Turksche delegatie meende
te kunnen opleggen. Hoe andere tonen
klonken tijdens de conversatie's te Londen. Er
bleef van Turkije bijkans niets meer over.
Een nieuw, Helleensch rijk scheen zich baan te
breken.
En thans is weer een stevige Turksche staat
erkend geworden. Wanneer alles goed gaat,
kan hij een beter element van rust en vrede in
't Naburige Oosten worden, dan vóór 1914 het
oude Ottomaansche Rijk ooit is geweest.
Het nieuwe Turkije is zuiverder van karakter,
en minder aan internationale intrigues
blootgesteld, dan het vroegere rijk van den Padischah.
Want dit is wel, behalve het feit der vredesluiting
zelf, 't moment van historisch gewicht:
dat een geheel nieuw wezen, een geheel nieuwe
gedaante, als Turksche staat de familie der
volken binnentreedt.
De Zieke Man is volledig geliquideerd. Zal
de gezonde jongeling waardiger zijn plaats
innemen?
Het oude Turkije was een on-nationaal
machtsgebied. On-nationaal, omdat het voor
't grootste deel on-Turksch was en tal van
vreemde elementen door overheersching omvatte.
Onnationaal ook, omdat het sinds bijkans
twee eeuwen onderhevig was aan de
beurtelingsche inmenging van de Westersche
Mogendheden. Yildiz Kiosk was een mengeling
van overmacht op anderen, en eigen onmacht.
De nationaliteitenstrijd heeft gaandeweg het
Turksche Rijk ontleed; en allerlei volken er
van af doen vallen. Maar hij heeft nu ten slotte
het mirakel gebracht, dat hij den Turkschen
staat nieuw, zelfstandig leven heeft gegeven.
Want dit is de zege van Kemel Pascha en
van de Nationale Vergadering te Angora, dat
zij het Nieuwe Turkije op nationale beginselen
hebben gevestigd.
Met groote hardnekkigheid hebben zij
tijdens de onderhandelingen te Lausanne
getreden tegen alles wat nog op hun nationale
souvereiniteit inbreuk maakte.
Nu zijn de capitulaties, zinnebeeld van
onmondigheid, vervallen. Het internationale
toezicht, dat de Zee-engten boven het hoofd
hing, is losgelaten. De politieke druk der
concessie's en staatsschuldeischers is tegen
gegaan; commercie en staatkunde zijn
duidelijker gescheiden. Turkije is een Turksche
staat in Klein-Azië geworden, met den
voetsteun in Europa door Konstantinopel en
langs de zee-engten, onder internationale
verplichtingen van demilitarisatie. Het
Arabische deel van 't oude rijk is er los van
geworden, en vat een eigen leven op, als Iracq,
in Syrië en Mesopotamië. Palaestina krijgt
een eigen, ingewikkelden bestuursvorm. Het
Kurdische element, met Mossoul, ziet een
eigen kans. De eilanden in de Middellandsche
Zee zijn "ontturkt".
Nog blijven groote vragen over. Zal de
nieuwe Turksche staat inderdaad vrij blijven
van de fouten, die den voorganger tot zijn
noodlot hebben gebracht? Wat zal er komen
van de belangen van Armenië? Wat van de
Grieken in Oost-Thracië? Wat van de christen-minderheden
in Anatolië, in Konstantinopel, en elders?
Aan dat alles zal Europa nog de aandacht
moeten blijven geven. De nieuwe Turksche
geest duldt geen inmenging van eenig ander
gouvernement, hoe philanthropisch het zich
voor moge doen. Daarom zal ook in dit opzicht
de Volkenbond het nut kunnen bewijzen van
't gronddenkbeeld: wat van één of van enkele
mogendheden ongewenschte inmenging zou
zijn, leidt, indien het uitgaat van de
gezamenlijke organisatie der volken, tot aannemelijke
samenwerking.
Turkije's toetreding tot den Volkenbond
zal de nieuwe verhoudingen bezegelen. De
Volkenbond zal, evenals met andere nieuwe
staten het geval is, ten aanzien van Turkije
de garant van de bescherming der
minderheden worden. Hij moet den christenen, die onder
Turksch bestuur zijn gelaten, een waarborg
bieden. De verhouding tusschen Europa wordt
daardoor ver-onpolitiekt.
Bovendien zal een uitvoerig stelsel van
uitwisseling van bevolkingen, – een in den
Balkan meer en meer erkende methode, –
egalisatie brengen, en eenigermate verhoeden dat
onder turksch bestuur moeten blijven, wie er
niet hooren.
De pan-helleensche droom, dien eenmaal
Venezilos gedroomd heeft, is uit. Maar de
vrede van Lausanne brengt toch tenminste
aan het zwaar bezochte Griekenland de
gelegenheid om op zijn verhaal te komen, en door
vermindering der militaire uitgaven 't financieele
evenwicht terug te zoeken.
De naaste toekomst zal intusschen nog wel
doen zien, dat menig punt van beslommering
is overgebleven. Dit betreft vooral de financieele
en commercieele zijde. Inzake de
verdeeling der "Dette Ottomane" over de
verschillende successie-staten, bijvoorbeeld, zijn
de groote mogendheden wel wat zeer cavalierachtig
te werk gegaan, en verschillende
Balkengouvernementen hebben de haar opgedrongen
verplichtingen nog niet aanvaard.
Men zou de "nationaliseering" van Turkije
eenigszins kunnen vergelijken met wat, nu
een 60 jaren geleden, in het Verre Oosten in
Japan heeft plaats gegrepen.
Het voorbeeld, zoo 't opgaat, is niet
ongunstig. Want de nationale Japansche staat,
die zich sindsdien gevormd heeft, is een nuttige
factor in de statenrij geworden.
Japan is in het bijzonder weer in het licht
getreden, deze week, door de felle bespreking
der Britsche plannen om van Singapore een
vlootbasis te maken.
Wat zit daarachter? vragen velen zich af.
Is er grond tot vrees voor Japan, in de Stille
Zuidzee, en moet Engeland nieuwe maatregelen
nemen? Waarvoor? Paniek- en sensatielustigen
kijken reeds mede gewichtig rond, en
weten allerlei te vertellen.
Inderdaad is op 't eerste gezicht iets eigen-
aardigs in de houding van Engeland, dat
verleden jaar het Washington Pact teekende, en
daarbij Hongkong als vlootbasis prijsgaf,
en nu, aan dezen kant van den 110den Meridiaan,
groote vlootwerken wil gaan uitvoeren.
Men behoeft evenwel hierin geen aanwijzing
voor vrees jegens Japan's bedoelingen te zien,
bedoelingen die de leidende Japansche
staatslieden dan ook niet bezitten. Het ware jammer
indien ongerijmde beweringen als van "die
gelbe Gefahr" weer 't hoofd opstaken. Japan
heeft dit door zijne houding na den oorlog
niet verdiend. Het is met ongedacht succes
uit de Conferentie te Washington te voorschijn
gekomen, maar heeft daar toch de algemeene
zaak gesteund, en zijn ontwikkeling is vreedzaam.
Eerder moet men zich de Britsche vlootplannen
dan ook verklaren als de voortleving
van het Engelsche empire idee, dat zich het
Britsche Rijk nog niet denken kan dan met
een vloot, met steunpunten, als bindmiddel,
zonder dat daarbij aan bepaalde politieke
mogelijkheden, constellatie's of conflicten
wordt gedacht. Dit is de traditie der navy
en die valt niet licht weg. Misschien dat deze
zienswijze ook haar nut kan hebben bij de
beoordeeling van Nederland's vlootpuzzles.
BRANDARIS
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

