… / Nederland / Nederlandse pers / 1919–1923 / Het mandaat voor Armenië
Algemeen Handelsblad, 8 mei 1920
Bron: Delpher
Het mandaat voor Armenië
(Van onzen correspondent.)
New-York, 10 April.
"Que diable allait-il faire dans cette galèe!" – Molière.
In zijn antwoord op het memorandum van den
"Suprème Council" te Londen in zake
de toekomst van Turkije, wijdt president
Wilson de volgende woorden aan Armenië:
"Er kan geen twijfel bestaan aan de belangstelling
welke deze regeering koestert
ten aanzien van de Armeensche plannen, en
de regeering der V.S. is ervan overtuigd,
dat de beschaafde wereld wenscht en verwacht
dat dit ongelukkige land op de krachtigste
wijze zal worden geholpen. Zijn grenzen
behooren zoodanig te worden getrokken
dat aan alle rechtmatige eischen van het Armeensche
volk wordt voldaan in het bijzonder
wat betreft het verleenen van een gemakkelijken
en onbelemmerden toegang tot
de zee".
Verder wordt dan nog betoogd, dat Armenië's
economische belangen onvoldoende
zouden zijn gewaarborgd door dit land zekere
rechten te verleenen over Lazistan, terwijl
ten slotte de hoop wordt uitgesproken dat de
mogendheden de stad Trebizonde aan Armenië
zullen toewijzen.
Welgemeende raadgevingen. Maar wat
men in Europa verwacht, nl. het aanbod der
V.S. om Armenië practisch te helpen (behalve
dan met reliefwerk, wat reeds lang
door de Amerikanen wordt verricht) en het
mandaat te aanvaarden, blijft uit. En nu de
regeering te Washington, ofschoon niet officieel
vertegenwoordigd bij de vredesonderhandelingen
met Turkije (waarmede Amerika
nooit in oorlog was), zich op 't zelfde
oogenblik geroepen acht om verzet aan te
teekenen tegen de handhaving der Turken
in Konstantinopel, nu is het verklaarbaar,
dat de "Suprème Council" in een nota de
wrange opmerking maakt, dat Amerika alleen
maar verzoeken indient om Armenië te
beschermen, zonder zelf eenigerlei verantwoordelijkheid
op zich te willen nemen.
Dat lijkt op het eerste gezicht een billijk
verwijt. Maar bij nadere beschouwing der
feiten, zooals deze worden voorgesteld in de
rapporten van de officieele Amerikaansche
enquête-commissie (onder leiding van generaal
Harbord) en van individueele leden der
Amerikaansche missies in Armenië, valt een
ander licht op de motieven, die Washington
ervan terughouden om het door de Europeesche
kabinetten zoo gul aangeboden mandaat
te aanvaarden.
Wat is het Armenië, waarover de V.S.
het bestuur zouden moeten voeren? En hoe
en waarom is het tot zijn tegenwoordigen
vorm en omstandigheden gekomen? De Amerikaansche
missies, die langen tijd ter
plaatse de gebeurtenissen hebben kunnen
waarnemen, doen daarvan een wonderlijk
boekje open.
Wanneer men aanneemt dat Armenië het
land moet zijn, waar de Armeniërs wonen
(of woonden, vóór de massamoorden in Turkije),
dan zou het gebied de zes Turksche
villajets Erzeroem, Van, Bitlis, Kharpoet,
Diarbekir en Sivas omvatten, alsook de provinciën
Kars en Erivan en een deel der provincie
Elisabethpol in Russisch Trans-Caucasië.
Het spreekt vanzelf dat de belofte
der Geallieerden om een onafhankelijk Armenië
te stichten (een belofte die erop berekend
was om de Turken in moeilijkheden
te brengen) tot in 1917 (zoolang, Rusland
als bondgenoot word beschouwd) alleen betrekking
had op de Turksch-Armeensche
villajets, waaraan Cilicië zou worden toegevoegd
om den nieuwen staat een uitgang
naar de Middellandsche Zee te verschaffen.
En toen in 1917 de Russische revolutie het
Russisch-Caucasische leger noopte om van
het Turksche front terug te trekken en de
Armeniërs aan zich zelf werden overgelaten,
verklaarden de geallieerden dat zij niet in
staat waren hulp te verschaffen. Na
Brest-Litowsk riep de Armeensche Nationale
Raad de onafhankelijkheid van het
door zelf-verdediging behouden Russisch-Armenië
uit en wist de erkenning der Bolsjewiki
te verkrijgen. De erkenning door de
Geallieerden bleef evenwel uit. Ook na de
definitieve nederlaag der Turken, toen de
zes Armeensche villajets vrijkwamen voor de
vorming van een onafhankelijken staat, of
voor toevoeging aan den bestaanden Russisch-Armeenschen staat.
Intusschen zond Engeland troepen naar
den Caucasus, niet zoozeer om Armenië te
beschermen als wel om anti-bolsjewistische
controle uit te oefenen op den spoorweg van
Batoem naar Bakoe (met de rijke oliebronnen).
Wat later (in 1919) trok het deze
strijdmacht, ondanks de dringende verzoeken
der Armeensche regeering die oneenigheid
vreesde met het Moslemsche Azerbeidjan,
terug, met achterlating van een sterk garnizoen
in Batoem (het eindpunt van de oliebuisleiding
van Bakoe), terwijl de Kaspische
vloot van generaal Denikin van voldoende
Britsche officieren werd voorzien om de Engelsche
controle van Bakoe te blijven waarborgen.
De Geallieerden konden den Russisch-Armeenschen
staat bezwaarlijk erkennen. Daarvoor
hadden zij zich te zeer gebonden aan
de regeeringen van Denikin en Koltsjak die
voor een hereenigd groot-Rusland streden,
d.w.z. een Rusland met inbegrip van Russisch
Caucasië, en derhalve van Russisch Armenië.
Bovendien vertoonden de Armeniërs
sterke socialistische neigingen. Geen wonder
dat Denikin weigerde om den uitvoer van
Koebansche tarwe, welke de Amerikaansche
relief-commissie aankocht voor de
levensmiddelenvoorziening van Armenië, toe te
staan. Geen wonder ook dat Denikin in overleg
met de Geallieerden overging tot de blokkade
van Russisch Trans-Caucasië (waar de
drie onafhankelijke maar, anti-bolsjewistische
republieken Armenië, Georgië en Azerbeidjan
waren uitgeroepen) teneinde, naar
het heette, te voorkomen dat deze landen
voorraden naar de Russische bolsjewiki zouden
zenden. De hongersnood in Armenië
werd daar niet minder door. De christelijke
Armeniërs en de Moslemsche Tartaren van
Azerbeidjan vechten in letterlijken zin om
hun brood. Onderwijl deed de Amerikaansche
relief-commissie wat zij kon om den
nood te lenigen. De Armeensche akkers,
waarover strijdende legers heen en weer
waren getrokken, leverden niet eens genoeg
op voor de gedunde plaatselijke bevolking.
Intusschen begonnen de Britsche invloeden
in Caucasië zich hoe langer hoe krachtiger
ten gunste van de Moslemsche elementen te
doen gelden, in casu ten gunste der
Azerbeidjan-Tartaren, wier gebied door toedoen
der plaatselijke Britsche militaire autoriteiten
werd uitgebreid ten koste der Armeniërs.
Niet alleen dat Engeland zoodoende
zijn eigen Mohammedaansche bevolking in
't gevlei zocht te komen, maar tevens opende
zich de gelegenheid om den Britschen invloed
in een Moslemsch Bakoe ook in de toekomst
te bevestigen. Op dezelfde wijze steunden
de Britsche militaire autoriteiten de separatistische
beweging der Moslemsche Adjaren
uit de omgeving van Batoem. Zoo
richtte de Engelsche politiek zich op het
verkrijgen der controle van de twee eenige
zee-poorten (aan de Zwarte en Kaspische
Zeeën) van Russisch Armenië.
Intusschen begonnen de Franschen zich te
roeren in Cilicië, dat oorspronkelijk bestemd
was geweest om Turksch Armenië een uitgang
aan de Middellandsche Zee te verschaffen.
Uit het voorgaande blijkt hoe Armenië
meer en meer beklemd raakte tusschen de
invloedssferen der groote mogendheden.
Hoe het gaandeweg werd afgesneden van de
zeeën en omringd door vijandig gezinde
Moslem-bevolkingen. En hoe steeds de Armeensche
belangen wijken moesten voor die der
Geallieerden, wier politiek vaak regelrecht
tegen die belangen indruischte.
Hetgeen evenwel niet belette, dat diezelfde
Geallieerden steeds weer bij Amerika aandrongen
om zich het lot van Armenië aan te
trekken; van Armenië, welks grenzen (en
dientengevolge welks hulpbronnen waarop
toch de levensvatbaarheid van het land moest
worden gegrond) niemand wilde aanduiden,
terwijl met geen woord was gesproken over
de bestemmming van den bevrijde Turksche villajets
of over de erkenning van Russisch Armenië.
Wat was de reden van dit aandringen?
Ook op die vraag geven de rapporten der
Amerikaansche missionairs antwoord.
Tijdens den oorlog hadden de Geallieerden
geen moeite gespaard om de macht van den
Islam, waarvan het centrum in Konstantinopel
lag, te ondermijnen. De stichting van
het koninkrijk Hedjaz maakte deel uit van
het program. Amerika, dat niet in oorlog
was met Turkije, werd als sprak het vanzelf
geheel buiten deze plannen gelaten. Maar
tijdens de vredesonderhandelingen veranderde
de houding van Engeland, Frankrijk en
Italië, die met Moslemsche gevoeligheid in
eigen koloniën en bezittingen rekening moesten
houden. De Europeesche staatslieden berekenden
dat het niet kwaad zou zijn indien
een deel der verantwoordelijkheid voor het
lot van Turkije op Amerikaansche schouders
kon worden geschoven. Maar daarvoor was
het noodig om de V.S. die geen partij konden
wezen in het vredesverdrag, op andere
wijze in den politieken toestand van het nabije
Oosten te betrekken. En hier kwam als
vanzelf de mogelijkheid van een Amerikaansch
mandaat voor Armenië, Konstantinopel
of – als het moest – geheel
Klein-Azië naar voren. M.a.w. Amerika moest zoodanig
in de Oostersche politiek worden gemengd
dat het de aandacht en wellicht (zoo
ja – des te beter!) de gramschap der Engelsche,
Fransche en Italiaansche Mohammedanen
geheel of in elk geval grootendeels tot
zich zou trekken.
Zoo luidt de meening van menschen, die
de militaire autoriteiten der Europeesche
Geallieerden in Armenië aan den arbeid
hebben gezien, en nu een tegenstelling meenen
te bespeuren tusschen de blijkbaar door
de kabinetten van Londen, Parijs en Rome
goedgekeurde Klein-Aziatische politiek en
de talrijke beroepen op de Christelijke
plichten en deugden van Amerika.
In het licht van deze opvattingen wordt
ook het rapport der Amerikaansche Harbordcommissie
duidelijker, dat op verzoek van
den Senaat dezer dagen werd gepubliceerd.
Het rapport bevat geen conclusies, maar
beperkt zich tot een opsomming van pro's
en contra's in verband met de aanvaarding
van een mandaat.
Maar met nadruk wordt erin betoogd,
dat een mandaat over Armenië (met behoorlijk
vastgestelde en door alle partijen
aanvaarde grenzen) alleen kan worden geaccepteerd
wanneer dit tevens inhoudt de
controle der buitenlandsche betrekkingen
van het Turksche rijk (dat immers in elk
geval een buurstaat van Armenië blijft) en
over de Turksche financiën, ten einde Amerika
in Armenië – dat warempel wel een
wissel op Turkije mag trekken – niet op
kosten te jagen. (Het rapport voorziet op
dit punt groote oppositie van de talrijke
Europeesche landen, die bij de Turksche
staatsschuld geïnteresseerd zijn.)
In de reeks van pro's noemt het rapport
hoofdzakelijk de moreele verplichtingen van
de V.S. om hulp te verleenen waar deze
van hen verlangd wordt, alsook de voordeelen,
die uit een mandaat op den duur voor
den handel kunnen voortvloeien. Daartegenover
staan evenwel de nadeelen, welker opsomming
een meer overtuigden klank geeft.
Amerika heeft in eigen land genoeg te doen,
heet het, dan dat het zich zou gaan begeven
in Europeesche politieke verwikkelingen.
Want het nabije Oosten is altijd een begeerde
prooi geweest der imperialistische
natiën. Bovendien zou een eventueel hereenigd
Rusland naderhand grieven kunnen
laten gelden tegen den mandataris van wat
eertijds Russisch Armenië was. Daarbij
komt, dat een mandaat een kostbare onderneming
zou wezen. En eindelijk: Een ander
kan dit zaakje evengoed opknappen.
Voor zoover de publieke opinie hier te
lande over het onderwerp is ingelicht, is
de stemming ten opzichte van een Amerikaansch
mandaat niet erg welwillend. In
de pers is de tegen-argumentatie van het
Harbord-rapport bijna algemeen aanvaard.
En bij de bespreking van het Verdrag van
Versailles en van den Volkenbond in den
Senaat is ook bij herhaling oppositie tegen
Amerikaansche inmenging in Klein-Azië
aan den dag gekomen.
Zoodat het er naar uitziet alsof de V.S.
zich in Armenië zullen tevreden stellen met
hun nuttigen doch on-politieken reliefarbeid.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

