… / Nederland / Nederlandse pers / 1919–1923 / De Armeensche quaestie
Algemeen Handelsblad, 25 november 1920
Bron: Delpher
De Armeensche quaestie
(Van onzen correspondent.)
Genève, 22 Nov.
Geen dag is er nog voorbijgegaan zonder
noodkreten voor de redding van het Armenische
volk, dat uitgemoord wordt door de Turksche
nationalisten van Kemal Pacha. De eene
spreker heeft al roerender dan de
ander de tragedie van dit volk afgeschilderd
en om spoedige hulp gesmeekt. De Armeniërs
zijn ook geen heilige boontjes en zij
bezwijken ook wel eens voor de verleiding
om op hun beurt in Turksche dorpen minder onschuldige bezoeken te gaan afleggen; maar
op dit oogenblik is hun volksbestaan ernstig
bedreigd door de fanatieke Turken aan den
eenen en de Bolsjewisten aan den anderen kant.
Er moet geholpen, er moet ingegrepen worden,
daarover is ieder het eens. Maar hoe?
Heden heeft men de moeielijkheid onder oogen gezien
Er is openhartig gesproken en als Kemal Pacha
het verslag van deze vergadering onder oogen krijgt,
zal hij in z'n vuitje lachen over de onmacht van den
Volkenbond, welke zoo openlijk verkondigd is. Maar
als hij uitgelachen is, dan zal hij toch ook moeten
beseffen, dat het nu ernst wordt en dat de Volkenbond
te ver gegaan is om nog rechtsomkeer te kunnen maken
en niet, 't koste wat 't wil, armenië te redden.
De moeilijke situatie, waarin de Volkenbond ten
opzichte van Armenië verkeert, is niet voorzien.
Het Verdrag houdt rekening met het optreden van den Volkenbond in
een geschil tusschen staten, liefst welgeordende,
fatsoenlijke staten, die vol vrees en
eerbied opzien èn naar den Volkenbond èn
naar de publieke opinie.
Maar hier is dat niet het geval. Er is geen
sprake van een geschil of oorlog tusschen
twee staten. Eigenlijk is er zelfs geen enkele
staat bij betrokken, want de Armeensche Staat
verkeert nog slechts in wordingstoestand
en loopt nu gevaar niet eens dien toestand
te overleven. En de vijand is nog
veel minder een staat, die is slechts
een bendehoofd, officieel althans.
Het is dus wel een zeer bijzonder geval, waardoor de
Volkenbond zich geplaatst ziet en het is slechts uit
een oogpunt van menschelijkheid, om de uitmoording
van een volk te beletten, dat hij zich er mee inlaat.
Maar de macht van den Volkenbond gaat
in dit netelige geval nog niet ver.
Zijn voornaamste kracht schuilt in zijn economische
wapen, maar hoe zou dit hier toe te passen zijn?
En over een internationale gewapende
macht beschikt de Volkenbond nog niet,
zooals Viviani, 'k wil niet zoggen met eenig
leedvermaak, constateerde; men heeft destijds
niet Frankrijk's zin willen doen om de
generale staven met de leiding van zulk 'n
internationale macht te belasten, en nu
ondervindt men daar de gevolgen van.
De Raad van den Volkenbond is gegaan
zoo ver als hij kon, maar hij heeft geen man
en geen cent en is nu op het doode punt gekomen.
De Vereenigde Staten hebben het hun toegedachte
mandaat over Armenië niet willen
aanvaarden; en geen andere mogendheid
is daartoe bereid gevonden. Aan de
vergadering thans om 'n weg te zoeken,
waarlangs het reddingswerk ondernomen kan worden.
Lord Robert Cecil, die de eerste is geweest om de
vergadering tot daden aan te sporen, had een
voorstel in dien zin ingediend, doch kort
daarna de voorkeur gegeven aan een ander voorstel
van den Belg Lafontaine, die een commissie van zes
leden vroeg, welke tot taak zou hebben te
onderzoeken welke maatregelen genomen moeten
worden, teneinde aan den strijd tusschen
Armeniërs en Kemalisten 'n eind te maken.
Een Serviër heeft er zijn steun aan verleend
in een rede, welke mank ging aan hetzelfde hetzelde euvel,
waaraan ook de redevoeringen van de Argentijnse en
Venezuelaansche gedelegeerden de vorige week leden:
er werd te veel reclame gemaakt voor het eigen land.
De Serviër gaf ook een handwijzing, hij opperde het idee
aan alle regeeringen 'n telegram te zenden om
zich te verstaan over 'n krachtige actie.
Daar zou niet veel van terecht gekomen zijn,
de telegraaf heeft al genoeg gepresteerd voor
de Armeniërs, nu is het de beurt van de menschen zelf.
Balfour, die voor 't eerst de vergadering bijwoonde
en wiens mooie, rustige verschijning met applaus
begroet werd, verklaarde met de motie van Lafontaine en Lord Cecil
accoord te gaan. Hij verwachtte dat de vergadering,
die over meer autoriteit beschikt dan de Raad,
in haar pogingen wel slagen zou.
Maar breed mat hij de moeilijkheden uit
en zette de situatie ontnuchterend uiteen.
Er is geen directe methode voor den volkenbond om
Armenië te helpen. Langs indirecten weg moet het
land geholpen worden. Amerika had het gekund doch weigerde,
en thans zal geen andere mogendheid, zich voor 'n
mandaat laten vinden. Te zamen zullen de hier
vertegenwoordigde landen nu moeten helpen.
De raad heeft met een beroep om geldelijken steun
(voor de typhusbestrijding in Polen) te weinig
succes gehad, de Vergadering zal meer invloed, meer
autoriteit hebben en dus juicht Balfour de poging toe
om aan 'n commissie op te dragen de middelen te zoeken
om Armenië te redden.
Ook Nansen steunde het voorstel, hij meende
dat men met een expeditie van 60,000
man het doel wel zou bereiken, 't zou niet
meer behoeven te kosten dan 20 millioen
pond.
Toen kwam Viviani, de geweldige, in
verzet. Met groote welsprekendheid verwierp
hij het denkbeeld van een commissie. Altijd
maar weer commissies, 'n dokter is er
noodig.
En iedereen aan het applaudisseeren.
Viviani weet altijd de juiste snaar te
doen trillen. Wat zou 'n commissie nog
anders kunnen doen dan de Raad reeds deed?
De Volkenbond had het internationale leger
moeten hebben, zooals Frankrijk gewild
had. Dan zou hij terstond Kemal tot rede
hebben kunnen brengen, 't Is nutteloos nog
naar een mandataris te zoeken, geen land
zal het mandaat aanvaarden en de groote
staten hebben al genoeg hooi op de vork.
Laat men liever den Raad opdragen om
een staat te zoeken, die door onderhandeling
aan de vijandelijkheden een einde zal trachten
te maken.
De discussies werden steeds spannender.
Het was nog niet voorgekomen, dat men
drie groote staatslieden: Balfour, Cecil en
Viviani, in 't openbaar in het strijdperk
zag. Het strijdperk is eigenlijk het woord
niet, want strijden deden ze niet tegen
elkaar; als zij streden was het voor dezelfde
zaak. Maar beide partijen wilden hun
inzicht doen zegevieren. En als men zich door
hun peroraties meesleepen liet, zou men
altijd denken dat het de laatste spreker was,
die slechts het heil van Armenië voor oogen
had.
Zij hadden het beiden voor oogen. Maar
er waren sommige oogenblikken, met name
bij het debat tusschen Balfour en Viviani,
dat men zich niet aan den indruk kon onttrekken,
dat over de hoofden der Armeniërs
heen hoogere politiek gedreven werd en de
quaestie van den invloed in het Oosten niet
geheel aan den gedachtengang vreemd was.
Wat wilt gij onderhandelen – zoo riep
Balfour uit – wat wilt gij onderhandelen
met 'n bendehoofd als Kemal. Kunt gij hem
soms geld aanbieden of grondgebied? Wat
zijn uw bedoelingen?
Viviani erkende, dat het woord onderhandelen
misschien niet juist gekozen was,
en dat het beter zou zijn van bemiddelingswerk
tusschen Armeniërs en Kemalisten te
spreken. Wilde Balfour bijvoorbeeld zich
daarmee belasten, dan twijfelde hij niet aan
den goeden uitslag.
En het resultaat van deze belangwekkende
zitting?
Men zal het een doen en het andere niet
laten. Viviani krijgt zijn zin: de vergadering,
verlangend om met den Raad samen te werken
ten einde zoo spoedig mogelijk 'n einde
te maken aan de Armenische tragedie, noodigt
den Raad uit zich te verstaan met de
regeeringen, opdat een der mogendheden de
opdracht krijgt de noodige maatregelen te
nemen om de vijandelijkheden in Armenië
te doen ophouden.
En Lord Cecil krijgt zijn zin: een commissie
zal benoemd worden om te onderzoeken
wat er gedaan kan worden om aan de
vijandelijkheden tusschen Armeniërs en Kemalisten
een einde te maken.
Samengeklonken werden de beide moties
in stemming gebracht en met algemeene stemmen
aangenomen. Zietdaar alweer de verzoenende
kracht van den eisch van eenstemmigheid.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

