… / Nederland / Nederlandse pers / 1915–1918 / De Turksche aanstichters tot den oorlog
Algemeen Handelsblad, 25 november 1918
Bron: Delpher
De Turksche aanstichters tot den oorlog
BERLIJN, 23 Nov. (Eigen bericht.)
Het "Berl. Tagebl." heeft van de Turksche
kolonie te Berlijn een verklaring ontvangen,
waarin wordt gezegd: "Een aantal personen,
die direct verantwoordelijk zijn voor het ongeluk,
dat het Turksche volk heeft getroffen,
zijn naar Berlijn gevlucht, in de hoop hun gerechte
straf te ontgaan. Het zijn Talaat, gewezen
grootvizier, Enver, gewezen minister
van oorlog, Dsjemal, gewezen minister van
marine, Ismaïl Hakki, gewezen chef van de
militaire intendance, dr. Nazim en Beheddin
Sjakir, leden van het Centrale Comité voor
Eenheid en Vooruitgang, Boedri en Asmi, gewezen
gouverneurs, e.o. Zij worden door de
Turksche regeering vervolgd op grond van de
beschuldiging de slachtingen in Armenië op
touw te hebben gezet en staatsgelden te hebben
verduisterd. Op die gronden is hunne uitlevering
verzocht.
Deze mannen, die tegen de vrijheid van geweten,
tegen alle beginselen, die thans overal
triomfeeren, hebben gezondigd, die een eindelooze
reeks politieke moorden en andere misdaden
op hun geweten hebben, die bij de thans
verdwenen Duitsche autocratie een toevluchtsoord
hadden hopen te vinden, hebben hunne
handen in het bloed van honderdduizenden
onzer Armenische medeburgers gedompeld en
hebben in hun haat duizenden Israëlieten beroofd
van leven en goed. En het deel van de
onschuldige Turksche bevolking, dat anders
misschien buiten den oorlog zou zijn gebleven,
heeft eveneens door hun toedoen geleden. De
kolonie hoopt, dat de Duitsche regeering hen
zal uitleveren, het geheele Turksche volk en
ook de openbare meening in Frankrijk, Engeland
en Amerika zien met ongeduld de uitlevering
tegemoet."
Het "Berl. Tagebl." schrijft naar aanleiding
van het bovenstaande: "Wij hebben deze verklaring
opgenomen, daar het Duitsche publiek
omtrent de gebeurtenissen, waarover zij
spreekt, ingelicht dient te worden. Afgezien
echter van het feit, dat Talaat, Enver en de
anderen steeds vrienden zijn geweest van het
Duitsche volk, komt het ons voor, dat het een
der eerste en edelste plichten van een jonge
democratie is, het asylrecht te handhaven.
De Armenische gruwelen, over welke men
de openbare meening in Duitschland
niet voldoende heeft kunnen inlichten, behooren
tot de schandelijkste, ijselijkste gebeurtenissen
van den nieuwen tijd. Er dient echter
eerst onomstootelijk bewezen te worden, dat
Talaat en de andere naar Berlijn gevluchte
Turken de hand in die gruweldaden hebben
gehad of er deel aan hebben genomen, en zoolang
een afdoend bewijs niet geleverd is, zijn
zij politieke vluchtelingen, die aanspraak
mogen maken op bescherming.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

