… / Nederland / Nederlandse pers / 1919–1923 / Tweede Kamer – Begrooting van Buitenlandsche Zaken
Algemeen Handelsblad, 22 december 1920
Bron: Delpher
Tweede Kamer – Begrooting van Buitenlandsche Zaken
Aan de orde is Hoofdstuk III der Staatsbegrooting
voor 1921 (Departement Buitenl.
Zaken), benevens de interpellatie van den heer
Van Ravesteyn, in verband met de instructie
van de Nederlandsche Regeering aan de delegatie naar Genève.
De VOORZITTER stelt voor, den spreektijd
te bepalen op een half uur, en den interpellant drie kwartier te geven.
De heer VAN RAVESTEYN (Comm.) spreekt
van de nadeelen der geheime diplomatie, welke
uit den tijd moet worden beschouwd. Hij wijst
op de geheel gewijzigde diplomatie, der Sovjet-regeering.
Tjitsjerin zendt zijn nota's aan de
regeeringen, maar tevens aan de geheele wereld.
Iedereen kan er kennis van nemen, tegelijk met de
regeeringen aan wie zij gezonden zijn. In West-Europa
heeft men echter, ook na den oorlog, de geheime
diplomatie gehandhaafd. Tusschen openbare en geheime
diplomatie is geen tusschenweg; Ook de Nederlandsche
Regeering blijft zich in sluiers hullen, 't geen
wordt erkend, zelfs door de burgerlijke partijen.
Spreker vraagt der Regeering: Welke instructies hebt gij
den gedelegeerden naar de vergadering van den Volkenbond
meegegeven?
De Regeering heeft het blijkbaar niet noodig gevonden,
die instructies bekend te maken. Waarom niet? Het is van
belang na te gaan, wat de Volkenbond geworden is. Men zegt:
dat moogt ge nu nog niet doen, maar spreker
meent van wel. In het grootste deel vau Europa heerscht oorlog.
De verhouding tusschen de twee grootste overwinnaars,
de Ver. Staten en Engeland, is gespannen, zoodat velen
een botsing onvermijdelijk achten. Een der oorzaken
is de naijver tusschen beide landen over het
bezit der grootste oliebronnen der wereld. Men
lette voorts op de verhouding tusschen Engeland
en Frankrijk.
In het "Handelsblad" van 15 September werd de
juiste opmerking gemaakt, dat de mentaliteit van beide
landen zich hoe langer hoe meer van elkaar verwijderden.
Op al deze omstandigheden lettende, geeft de Volkenbond weinig
hoop. In zijn vergadering is wel zijn volkomen onmacht
gebleken; dat komt, omdat alle huidige problemen zijn van
economischen en imperialistischen aard. De Volkenbond mist de
medewerking van Noord-Amerika, zal straks
Zuid-Amerika verliezen en in welk een verhouding staat
Canada met den bond! Zooals de
correspondent van de "Nederlander" te Genève
schreef, demonstreert het vertrek der Argentijnsche delegatie
het verschil tusschen het denken van Amerika en Oud-Europa!
Het Iersche probleem is een imperialistisch probleem
en daarom mocht de Volkenbond er niet aan
raken! De Oostersche volken worden geweerd uit den Bond:
krachtens het mandatenstelsel worden zij beschouwd
als onderworpen volken.
Hoe was nu het standpunt onzer gedelegeerden
ten aanzien van al deze aangelegenheden?
Wat beteekent een Volkenbond, die niet durft
aanpakken een wereldprobleem als het Iersche,
't welk een botsing tusschen grootmachten kan ontsteken?
Spreker hecht geen essentieele waarde aan de vestiging
van het Internat. Hof van Justitie, er is in dit opzicht
geen enkele reden om illusies te koesteren. Het vertrouwen
der groote massa, in de mogelijkheid van ontwapening,
door de stichting van den Volkenbond
gewekt, is geheel verloren gegaan. Ook
ten aanzien van het ontwapeningsprobleem deed
de Volkenbond niets. En aan het Russische
probleem heeft de Bond zelfs niet durven raken!
Intusschen legt deze niet belovende Bond,
– een los verband van kapitalistische staten –
ons verplichtingen op: Wij zullen straks deelnemen
aan de expeditie naar Wilna. Zoo zal onze eerste
officieele aanraking met Sovjet-Rusland
er eene van vijandelijken aard wezen!
Spreker's conclusie is, dat de Volkenbond volstrekt
machteloos staat tegenover de geweldige
vraagstukken van onzen tijd.
De heer TROELSTRA (S.-D.) vereenigt zich
met de klacht over de weinige inlichtingen,
welke de Reegering bij belangrijke gebeurtenissen
geeft. Spreker doelt daarbij niet in de
eerste plaats op België, maar op de deelneming
aan den Volkenbond. Indertijd, vóór de toetreding
tot dien Bond, is met nadruk gevraagd
om de Kamer bijtijds op de hoogte te stellen
van de instructies. Spreker betreurt ernstig,
dat dit niet is geschied. Over de Servische
quaestie zal de heer De Jonge spreken.
Intusschen wil spreker met nadruk constateeren het
gemis aan voldoende mededeelingen der Regeering.
Wat de Commissie voor Buitenl. Zaken aangaat erkent
spreker, dat de Minister zich af
en toe geroepen gevoelde, haar mededeelingen
te doen. De Commissie zelve heeft geenerlei
recht handelen, zij is geen orgaan, maar
een verzameling van leden der Kamer, die gezamenlijk
inlichtingen ontvangen. Van een voorzien
in het gemis aan openbaarheid door
deze Commissie is geen sprake. Enkele leden
worden ten aanzien van enkele punten van
buitenlandschen aard slechts ingelicht.
Een bespreking over het optreden onzer delegatie
in de vergadering van den Volkenbond
laat spreker rusten tot de Minister het bericht
heeft gegeven over dat optreden, hetwelk hij
heeft aangekondigd.
De heer Van Ravensteijn hing een pessimistisch
beeld op van den Volkenbond, waarmede spreker
zich niet kan vereenigen. Hij
wenscht echter niet nader in te gaan op den
arbeid der vergadering in het algemeen, doch
slechts een bijzonder punt behandelen, de
Armeensche quaestie. Deze heeft tot achtergrond
een onderling accoord van Engeland, Frankrijk
en Italië om het verdrag van Sèvres te
handhaven en uit te voeren. De Opperste Raad der
Geallieerden verzocht dan ook in Armenië op
te treden. Maar, zooals spreker's vriend Branting
in den Volkenbond opmerkte: het lag op
den weg der Geallieerden en niet op dien van
den Volkenbond om den toestand in Armenië te
redden. In den Volkenbond had men dan ook
geen succes. Wat is nu het bedenkelijke in deze
zaak? Dat men ons, en andere landen, betrekken
wil in de Oostersche quaestie. In dat verband
verheugt het spreker, dat Nederland geweigerd
heeft het verzoek om het mandaat
over Armenië op zich te nemen.
De MINISTER VAN BUITENLANDSCHE
ZAKEN, de heer VAN KARNEBEEK: "Een
feitelijk verzoek is nooit gedaan!"
De heer TROELSTRA: "U weet, wat destijds
de berichten in de dagbladen meldden!
U hebt dit nooit tegengesproken! Het is dus uw
eigen schuld, wanneer wij niet goed zijn ingelicht.
Alleen de "Standaard" was voor het mandaat,
't geen niet te verwonderen is als men de
petroleumrijkheid van Armenië in verband
brengt met de aanwezigheid van een bekend
staatsman in de anti-revolutionnaire partij.
De Armeensche quaestie is een politieke
en nu komt spreker ertegen op, dat de
Opperste Raad hierbij zijn verantwoordelijkheid
heeft willen afschuiven op den Volkenbond,
dien hij wil gebruiken om het verdrag van Sèvres te handhaven.
Spreker stelt zich op het standpunt, dat geen
enkel vredesverdrag verantwoordelijkheden
meebrengt voor degenen,
die het niet hebben geteekend. Op dit standpunt
behoort de Nederl. delegatie zich ook te
stellen. Als uitvoerders van commando's van
den Oppersten Raad moeten de delegaties zich
nimmer laten gebruiken.
(De zitting duurt voort.)
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

