… / Nederland / Nederlandse pers / 1915–1918 / Voor de Armeniërs
Algemeen Handelsblad, 19 september 1917
Bron: Delpher
Voor de Armeniërs
Hooggeachte Redactie,
Naar aanleiding van de circulaire "Hulp
voor het Armenische volk", gedateerd September
1917 en waarvan de inhoud geheel of
gedeeltelijk, met of zonder commentaar door
de Nederlandsche bladen is overgenomen, verzoek
ik U beleefd het onderstaande in Uw
blad te willen opnemen.
Een ieder zal het toejuichen indien menschen
in den lande door edele gevoelens bezield
zich vereenigen en tot liefdadigheid gedreven
hun doel trachten te bereiken. Iets geheel
anders is het echter, wanneer de liefdadigheid
gewild of niet in politieke actie overgaat
en dan nog wel gesteund door verschillende voormannen
uit de Nederlandsche staatsmankringen. Toen in
1915 in konstantinopel Turksche bladen eenige aanvallen
richtten tegen ons Indisch
bestuur, heeft onze Regeering niet nagelaten
bij het Turksche gouvernement daartegen
te protesteeren. Dit laatste heeft dan ook gevolg
aan onze wenschen gegeven. Zoo kan
men zich thans afvragen of het nuttig en noodig
was in dergelijke onpolitieke termen als
de bovenbedoelde circulaire bevat de Turksche
Regeering aan te vallen.
Dat daarmede de verhouding der beide landen,
die toch op vriendschappelijken voet verkeeren,
gediend zou zijn, betwijfel ik ten zeerste.
Zonder in de onderhavige quaestie partij
voor wie dan ook te willen kiezen, zou ik willen
doen opmerken dat vóór dat "la quaestion
arménienne" tot een "mot d'ordre'" was gemaakt,
de Armeniërs zich zeker niet, evenmin
als de onder Turksch bestuur levende Joden
thans, over de Turksche Regeering te beklagen
hadden. Armeniërs vond men in alle takken
van bestuur en zij bekleedden de hoogste ambten.
Het is niet dan nadat eenige groote
mogendheden de Armeniërs als een welkom
protext tot inmenging gemaakt hadden en nadat
de Amerikaansche scholen de Armeniaansche
jeugd een vernis van Europeesche beschaving
hadden bijgebracht, dat de conflicten begonnen zijn.
Het walgelijke van de geheele zaak is echter
dat die Armeniërs die de agitatie leiden en die
door hunne oogmerken een direct gevaar voor
de Turksche regeering waren, veilig en wel in
Egypte, Londen, Parijs en Zwitserland voor
den oorlog waren en nog zijn, getuige den
millionair Boghos Nubar Pasja, waarvan toch
een ieder wel weet dat hij de ziel der beweging
is. Dat men zich in Holland echter tot politieke
werktuigen van die menschen leent, zonder de
zaken ernstig bestudeerd te hebben, is op zijn
minst verwonderlijk.
De passage waartegen ik echter bij afwezigheid
van mijn vroegeren chef, den heer Westenenk,
den gewezen inspecteur-generaal, meen
te moeten protesteeren, is die waarin gezegd
wordt dat de beide "hoofdinspecteurs" werden
weggezonden. Toen in September 1914 de
inspecteur-generaal zag, dat van hervormingswerk
in de hem aangewezen provincies niets
meer kon komen, is hij op eigen initiatief en
in overleg met de Turksche Regeering naar
Nederland vertrokken. Gedurende het verblijf
in Holland is aan den heer Westenenk,
evenals aan zijn collega in Noorwegen, geregeld
half tractement betaald, een op zichzelf
zeer aanzienlijk bedrag. Toen in 1915 Turkije
in vollen oorlog was, heeft hij van de opzeggingsclausule
in het contract gebruik gemaakt,
met inachtneming van den overeengekomen
termijn. In de moeilijke tijden der
Dardanellen-expeditie heeft de ondergeteekende in
den korten tijd, van drie weken de aan
de missie als schadevergoeding verschuldigde
sommen, waarbij het om groote bedragen ging,
integraal ontvangen. De onberispelijke houding
in dat opzicht door de Turksche Regeering
aangenomen, alsook de goede verstandhouding
die steeds tusschen die regeering en den
inspecteur-generaal heerschten, geven mij aanleiding
om te protesteeren tegen de weinig kiesche
wijze waarop de circulaire de Nederlandsche
missie vermeldt.
Met de meeste hoogachting,
Uw dienstwillige dienaar,
Mr. C. L. Torley Duwel.
Wij willen den heer Torley Duwel de plaatsing
van bovenstaand stuk niet weigeren, doch
wijzen er op dat, hoe goed de Turksche regeering
hare financieele verplichtingen tegenover
de heeren Westenenk en Hoff moge zijn nagekomen,
dit toch eigenlijk met de zaak van de
Armenische moorden niets te maken heeft en
de passage daaromtrent in den oproep van het
Armenische comité van zóó weinig belang ten
opzichte van de hoofdzaak is, dat wij er niet gaarne
toe medewerken de aandacht van die
hoofdzaak te doen afleiden.
Van de Armenische moorden, van de Turksche
regeering, die deze moorden en andere
wandaden heeft gelast, heeft voorbereid en georganiseerd,
kan niet in te krachtige termen
gesproken worden.
De tegenwoordige Turksche regeering hoeft
zich een bedroevend "goed" opvolger getoond
van "Abdul the damned on his internal throne."
De Turksche regeering heeft den afschuw
en de verachting van de geheele menschheid
verdiend. Wij plaatsten gisteren een tegenspraak
van de Turksche regeering, waarin de
slachtingen in Armenië gedeeltelijk werden ontkend,
gedeeltelijk goed gepraat. Maar om onze
volle meening te zeggen: Die ontkenningen
zijn het papier niet waard waarop zij geschreven
zijn.
Wij hebben de ondergeteekende en beëedigde
verklaringen gezien, in de merkwaardige
boeken daarover reeds thans verschenen, van
tientallen en tientallen getuigen, getuigen
die verhalen van zulke verschrikkingen, zulke
onmenschelijke en beestachtige mishandelingen
en doodmartelarijen op groote schaal van vrouwen
en kinderen, zulke afslachtingen van geheele
dorpen en steden, dat elke twijfel is buitengesloten.
De verhalen, de processen-verbaal
mogen wij zeggen, herhalen met eentonige gelijkvormigheid
dezelfde gruwelen – wie zulk
een boek lezen moet, is te beklagen, zijn gemoedsrust
is voor dagen weg, en de dingen erin
beschreven – wij hebben er iets van verteld
in ons avondblad van 1 Juni – zijn zoodanig
dat wij ze onzen lezers niet konden en wilden
oververtellen. En dat alles is getuigd niet alleen
door Engelschen, Franschen, Armeniërs
zelven. Neen, ook Duitschers, wetenschappelijke
mannen, diep geschokt teruggekomen,
hebben hun diepe verontwaardiging
uitgeschreeuwd toen zij dien langen stoet mishandelden
en ter martelbank en slachtbank
geleiden voorbij hadden zien trekken, de lange
rijen dooden waren voorbijgegaan. Duitsche
liefdezusters, die met levensgevaar, doch tevergeefs,
enkele kleine kinderen die hun ouders
voor hun oogen hadden zien in stukken hakken,
hadden trachten te redden, vertelden verhalen
die geheel overeenkwamen met wat de
Armeniërs zelven geschreven hebben. Red. H.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

