… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Jong-Turken en Armeniërs
Algemeen Handelsblad, 16 februari 1900
Bron: Delpher
Jong-Turken en Armeniërs
In een vergadering met introductie, gisteravond
in Odêon belegd door de afdeeling
Amsterdam van de "Nederlandsche Vereeniging
van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden"
werd door dr. J.Th. de Visser
een lezing gehouden over "Jong Turken en
Armeniërs."
In het Osmaansche rijk, begon spr. zijn rede,
wonen behalve de Turken vele vreemde volken bij elkaar.
Men vindt er de Armeniërs, die er een geschikt operatieveld
vinden voor hun handelsgeest, de Grieken,
zoowat de slechtste bewoners van het Turksche rijk,
en mooie typen als de Albaneezen, krachtige figuren
als de Walachen, flinke vertegenwoordigers van het Slavische
ras, de kleine Bulgaren en de lange Serviërs, de zonderlinge
Zigeuners, de Cirkassiërs, Koerden en Perzen, de handeldrijvende
Levantijnen en behalve die allen de natie die nergens ontbreekt,
de Jood. Van hen worden alleen in Constantinopel 50.000 gevonden,
en het gaat hun er niet zoo goed als in 't westen,
want de groothandel is in handen van Grieken
en Levantijnen.
De beide meest beteekenende godsdiensten zijn de
Islam en het Christendom, De groote verdeeldheid
der Christenen in verschillende groepen doet echter
een godsdiensthaat ontstaan, die aanleiding geeft
tot botsingen onderling en met de Turken zelf.
De vorm van het Christendom die zich het sterkst
in Turkije ontwikkelt is het katholicisme, dat vele
bekeerlingen maakt onder de Grieken, en de bekeeringen
daartoe zeer vergemakkelijkt. Zoo is het den
Griekschen bekeerling veroorloofd het Avondmaal op
twee wijzen te vieren en de geestelijke mag gehuwd
zijn, mits zijn huwelijk vóór
de consacratie gesloten is.
Achter den godsdienstigen naijver staat de politieke,
waarin de mogendheden, met name vooral
Rusland, Engeland en Oostenrijk de hand hebben.
Wij zijn hier in het Westen zoo graag geneigd den
Sultan een moordenaar en de Turken ellendelingen
te noemen, en spr. wil niet ontkennen, dat die benamingen
reden van bestaan hebben, doch voor een
groot deel moeten gruwelen als de Armenische moorden
gesteld worden op rekening der Christenen. Het vredesverdrag van
San Stefano waarmede de Russisch-Turksche
oorlog eindigde, bepaalde in art 16, dat door Rusland
bescherming werd bedongen der Armeniërs. Doch de
mogendheden vervingen dit artikel door een gezamenlijke
garantie en verzwakten daardoor de bescherming
van het ongelukkige volk. Toen eindelijk in 1894
ernst werd gemaakt met het invoeren van hervormingen
naar aanleiding van het onderzoek door de mogendheden
in Armenië ingesteld, besloot sultan Abdul
Hamid tot geheele vernietiging van het volk zelf.
300.000 Armeniërs werden sedert afgemaakt en dit
gaat nog op dit oogenblik zoo voort, stil en aanhoudend.
Terwijl de mogendheden blaften, beet de Sultan.
Het valt niet te ontkennen, dat de Armeniërs verschillende
aanvallen geprovoceerd hebben, doch men
bedenke daarbij hoezeer zij gekneveld en verdrukt
worden. De hoofdschuld blijft bij de mogendheden.
In het proces over de Armenische moorden staan voor
God de Moslems in het Oosten en de Christenen in
het Westen terecht.
Intusschen is de toestand van het Turksche rijk en
door de verschillende kuiperijen der niet-Turksche
bewoners, en door het fatalisme der Turken zelf, en
door het jammerlijk wanbestuur van den Padisha
ellendig geworden. Mede droegen daartoe bij de Armenische
moorden, de oorlog met Griekenland en de
Kretenser quaestie. De stof voor eene groote uitbarsting
hoopt zich op. En die uitbarsting wordt
voorbereid door de Jong-Turken, over wier organisatie
en streven spr. in het tweede deel zijner rede uitweidde.
De Jong-Turksche beweging is ontstaan door de
zucht om het voorbeeld, door de westelijke staten
gegeven, na te volgen. Aanvankelijk scheen de beweging
kans van slagen te hebben, toen Midhad Pacha
in 1861 als grootvizier optrad. Doch de paleiskliek
bracht den vizier ten val, de nieuwe grondwet werd
ingetrokken, de volksvertegenwoordiging naar huis
gestuurd. Abdul Hamid heerschte alleen. De Jong-Turken,
geweken naar het buitenland, lieten weinig
meer van zich hooren. Doch sinds 1896 wordt de
propaganda weer levendig. De Armenische gruwelen
gaven den aanstoot. De Sultan greep ter bestrijding
naar het echt-Turksche wapen: omkooping. Werkelijk
werden een aantal Jong-Turken door gelden, eerepostjes
er toe bewogen hun zaak te verlaten. Een
van hen die weerstand bood was Ahmed Riza Bey,
dezelfde wien door de Haagsche autoriteiten het leven
moeilijk gemaakt werd en die door een Turksch
afgevaardigde ter Vredesconferentie tot een tweegevecht
werd uitgedaagd. Hij en eenige anderen
geven een blad uit, dat in Turkije bij duizenden
wordt verspreid.
Nu in den laatsten tijd is van Kaïro een nieuwe
opleving uitgegaan. Voor een tiental dagen is het
Jong-Turksch program in de Egyptische bladen verspreid
en twee afgevaardigden van het comité zijn
naar Konstantinopel gezonden. De Padisha zit in
angst en neemt zijn maatregelen.
Doch het volksgericht daagt op. Nu meene men
niet, dat de Jong-Turksche beweging den Armeniërs
hulp zou brengen. Integendeel, deze beweging, die
door ongeloof gesteund wordt, zal voor de goede Armeniërs
(Ameghian en Minas Tschéraz, die wij hier
gehad hebben, schijnen niet tot die soort te behooren)
een ramp zijn. Waar het op aangaat, is een strijd
tusschen de Jong-Turken en het pan-Islamisme, dat
den geheelen Islam onder één heerscher wil brengen.
Vermoedelijk zullen de Jong-Turken het onderspit
delven. In ieder geval krijgt het Turksche rijk een
genadigen knak; Rusland zal zijn slag slaan in Europeesch
Turkije en de Islam zal zich vestigen in Azië
met een nieuwe Oostersche residentie als hoofdzetel.
Dat dan de christenen zullen te lijden hebben van
de Turksche overheersching, bij een nog feller geworden
godsdiensthaat, staat vast.
Doch het einde zal zijn, volgens spreker,
de wederkomst van den Christus, die alle
volken zal bekeeren onder Zijn bestuur, tot
Zijn rijk.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

