… / Nederland / Nederlandse pers / 1915–1918 / Voor de Armeniërs
Algemeen Handelsblad, 14 september 1917
Bron: Delpher
Voor de Armeniërs
Een comité van aanzienlijke Nederlanders,
die tot uitvoerend comité hebben gekozen mr.
Ant. van Gijn, voorzitter, jhr. mr. A.F. de
Savornin Lohman, mr. R.J.H. Patijn, mej.
E. J. van der Hoop, secretaresse-penningmeesteresse,
allen te 's-Gravenhage, mej. L.C.A.
van Eeghen, de heeren S.P. van Eeghen en
E. Sillem, allen te Amsterdam, verspreidt een
oproeping om steun voor de Armeniërs. In
hun circulaire, waarbij drie bijlagen gevoegd
zijn, die bewijsmateriaal bevatten, wijzen zij
erop, dat van alle volkeren, die in den wereldoorlog
betrokken zijn, geen enkel naar verhouding
zoo zwaar heeft geleden als het
Armenische volk.
Het Armenische volk telde voor den oorlog
ongeveer 3.600.000 zielen waarvan de grootste
helft in Turkije, de kleinste helft in Rusland
woonde.
Na de laatste groote moordpartijen, in 1909
van Turksche zijde te Adana aangericht, werd
onder de pressie der groote mogendheden in
1914 een hervormingsplan aangenomen, dat
onder toezicht van de hoofdinspecteurs Westenenk
(een Hollander) en Hoff (een Noor)
tot stand zou worden gebracht.
Terstond bij den aanvang van den oorlog
werden de beide Hoofdinspecteurs weggezonden.
De Turksche Armeniërs hebben in het Turksche
leger gedurende de eerste oorlogsmaanden
hun plicht op loyale wijze vervuld. Niettemin
schijnt de Jong-Turksche Partij het oogenblik
geschikt te hebben geacht om de Armenische
quaestie bij voorbaat op radicale wijze op te
lossen. De christelijke bevolking werd ontwapend,
het Turksche gepeupel daarentegen gewapend.
Koerden en georganiseerde misdadigersbenden
mochten ongestraft de christelijke
dorpen overvallen en uitplunderen.
In het voorjaar van 1915 werd het bevel uitgevaardigd,
dat alle Armeniërs uit hun woonplaatsen
in Hoog-Armenië, Ciliciën, West-Anatolië
en Mesopotamië naar elders zouden worden
overgebracht. Dat stond gelijk met uitroeiing,
en de Regeering zelve heeft deze uitroeiingspolitiek
voor hare rekening.
Deze deportatie, naar het voorgeven van de
autoriteiten een vreedzame verhuizing, was in
waarheid: de roof van de geheele have van het
volk, het vermoorden van het mannelijk deel
der bevolking, het wegsleepen van de jonge
vrouwen en meisjes naar Turksche harems en
Koerdische dorpen, het verkoopen van de kinderen
op slavenmarkten en het overleveren van de
overigen aan een langzamen dood door ziekte en
honger. Slechts wie tot den Islam overging kon
leven en bezittingen redden. Gespaard bleven
slechts de in Konstantinopel en Smyrna woonachtige
Armeniërs en voorts enkelen, die bij
den inval der Russen naar den Kaukasus wisten
te ontkomen. Van de gedeporteerde massa
der bevolking zijn, naar schatting, 800.000 door
systematische slachting en uithongering omgekomen.
De rest van het Armenische volk in Klein-
Azië is een hongerlijdend bedelaarsvolk, in
hoofdzaak uit grijsaards, oudere vrouwen en
kinderen bestaande. Aan den rand van de
woestijn van Mesopotamië zijn groote troepen
van deze ongelukkigen in concentratiekampen
bijeen gedreven, waar honger en ziekte het
werk van de Turksche voortzetten;
anderen moeten bedelen in Mohamedaansche
dorpen. Het nog in leven gebleven deel van
de Turksch-Armenische bevolking zal nog ongeveer
300.000 à 400.000 in getal zijn. Het aantal
kinderen, dat, van hun naastbestaanden gescheiden,
op de karavanenwegen is blijven liggen
en in de steden, welke men voorbijgekomen
is, als honden rondloopt, loopt tot in de
tienduizenden. Het bloeiende schoolwezen der
Armeniërs met meer dan 130.000 leerlingen,
bestaat niet meer; meer dan 1000 christelijke
kerken staan leeg of zijn in moskeeën veranderd.
Kan aan de overlevenden of althans aan een
deel van hen, nog hulp worden geboden?
Reeds tijdens de deportatie en daarna is door
Europeesche consuls en door verschillende menschenvrienden
veel geschied om, voor zoover de
Turksche autoriteiten het toelieten, te voorkomen
dat nog meer menschen door honger te
gronde gingen. In bijna alle landen van Europa
en van Amerika (ook in Duitschland, waar
vele kringen met ontzettend leedwezen den
loop van zaken hebben gezien en waar groote
bedragen zijn bijeengebracht) hebben zich hulpcomité's
gevormd en zijn gelden verzameld,
welke georganiseerde hulp aan de ongelukkigen
mogelijk maakten.
Het comité doet een beroep op allen om bijdragen,
groot of klein. Het heeft zich, daar
rechtstreeksche relatiën van Nederland met
personen in de geteisterde streken niet bestaan,
in verbinding gesteld met het Zwitsersche Comité,
dat over zulke relatiën wèl beschikt en
dit geeft volledige garantie, dat de gelden, tot
zijne beschikking gesteld, ten volle aan hun
doel ten goede komen.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

