… / Nederland / Nederlandse pers / 1919–1923 / Vredesonderhandelingen
Algemeen Handelsblad, 13 augustus 1919
Bron: Delpher
Vredesonderhandelingen
De Turksche anarchie.
Uit de Fransche pers spreekt een toenemende
onrust over hetgeen in Klein-Azië gebeurt.
Het "Journal des Débats" geeft in een
geharnast artikel tegen de vredesconferentie
de vrijwel algemeene opinie weer: de traagheid
waarmede deze werkt, schrijft Gauvain,
zal leiden tot een catastrofe in Azië. Sinds
Nov. is er in Turkije geen regeering meer.
De nieuwe sultan, hoewel doortastender dan
de vorige, staat machteloos. Hij beschikt
over wereldlijke noch geestelijke macht. Te
vergeefs zoekt hij ergens steun. Schaart hij
zich aan de zijde der Christenen, dan verliest
hij dadelijk alle gezag bij de Muzelmannen.
Tracht hij de Muzelmansche krachten
om zich te verzamelen, dan lokt hij de
vijandschap uit van alle Christenen – en in
dezen oorlog zijn de Christenen de overwinnaars.
Het eenige wat hem rest is zijn eerzucht
te beperken tot Turksch Turkije. Hetgeen
ook het stelsel scheen te zijn, door de
geallieerden aanvaard, maar dat zij sindsdien
aarzelen om toe te passen. Zij aarzelen
sinds acht maanden en in dien tijd groepeeren
de vijandelijke elementen zich tegenover
en tegen de volken, aan wien wij plechtig de
onafhankelijkheid hebben beloofd.
De medestanders van het comité van Eenheid
en Vooruitgang, d.w.z. de partij van
het Turksche nationalisme, zijn in Klein-Azië
weer de baas. Zij hebben daarvan gebruik
gemaakt, zoo betoogt Gauvain verder,
om de verantwoordelijkheid voor hun eigen
misdaden op hun vijanden te werpen en voor
de onwetende massa te verschijnen als de
uitsluitende vertegenwoordigers van de heilige
zaak van de Islam. Aangezien de geallieerden
met hen onderhandelingen hebben
aangeknoopt, inplaats van streng tegen hen
op te treden, hebben de Turken daaruit geconcludeerd,
dat, niettegenstaande alles,
het comité van Eenheid en Vooruitgang toch
de eenige werkelijke macht vormt. En inderdaad
dient te worden erkend, dat de
schijn dezen eenvoudigen van ziel recht gaf.
Zij konden niet begrijpen – evenmin als wij
zelf trouwens – dat de overwinnaars, tegen
wien de Padisja den heiligen oorlog had uitgeroepen,
als gelijken onderhandelden met
de vijanden, die zij ter neer hadden geworpen:
Zij hebben gedacht, dat de Christenen
pochten op een schijnoverwinning en gedragen
zich dienovereenkomstig.
Moestafa Kémal pasja, inspecteur-generaal
van het Oosterleger, treedt thans in
Anatolië op als dictator. Uit Konstantinopel
vertrokken met een officieele zending, gedraagt
hij zich volkomen onafhankelijk van
Konstantinopel.
Hij verklaart, dat de regeering te Konstantinopel
het vaderland verkocht heeft aan
de geallieerden en hij noodigt de bevolking
uit zich aan zijn zijde te scharen. Reeds
heeft hij verschillende militaire chefs voor
zich gewonnen, zoodat hij over verscheidene
tienduizenden soldaten beschikt en zich gereed
maakt de "moreele eenheid" van
Turkije te herstellen. D.w.z. door de Christenen
te vermoorden. De Armeniërs komen
daarvoor het eerst aan bod. In de Armenische
vilajets zijn de Christenbevolkingen
volkomen aan hun lot overgelaten.
Elk verzoek om hulp en bescherming
blijven onbeantwoord. Zoodat, wanneer
de Conferentie eindelijk een nieuwen Armeenschen
staat zal hebben gesticht, er
wellicht geen Armeniërs meer in Turkije
zijn zullen. De Turken toch passen sneller
methoden toe dan de Conferentie!
Na gewezen te hebben op de onverantwoordelijke
houding van Amerika, dat maar
steeds niet beslist over de mandaatsquaestie,
gaat Gauvain den Britschen bondgenoot
te lijf, die met "zeldzame onvoorzichtigheid
een panarabisme in heb leven heeft
geroepen evenals een nieuwen vorm van
panislamisme, waarvan Engeland wel eens
het eerste slachtoffer zou kunnen worden.
Hij heeft zich, met vaak onwelwillende begeerlijkheid,
erop toegelegd, bevriende staten
te verdringen, die hij in een verkeerde
politieke opvatting beschouwde als gewone
concurrenten."
Tenslote wordt een krachtig beroep gedaan
op de Europeesche staten om toch in
te zien, dat hun belangen in Klein-Azië
solidair zijn en om te begrijpen, dat zij in
de eerste plaats ervoor moeten zorgen, die
belangen tezamen te beschermen tegen
de eeuwenoude vijanden van de christelijke
en Europeesche beschaving. Zoo niet, dan
loopen zij hun verderf te gemoet.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

