… / Nederland / Nederlandse pers / 1899–1904 / Van dag tot dag
Algemeen Handelsblad, 1 juni 1899
Bron: Delpher
Van dag tot dag
Wij deelden in ons Ochtendblad mede hoe
volgens de Daily News de Sultan een
protest gezonden had betreffende de tegenwoordigheid
te 's-Gravenhage van Minas Tchéraz,
een Armenisch schrijver, die volgens
dat blad "aanpraak kan maken de tolk te zijn
van de geheele Armenische bevolking".
En aan het Vaderland ontleenden wij het
bericht, "dat de voordracht over de Armeniërs
te 's-Gravenhage gisteravond niet is doorgegaan,
daar prof. Minas Tchéraz, op verzoek
van het bestuur der Christ. Jongelingsvereeniging,
besloot gehoor te geven aan een
wenk der politie, blijkbaar handelende op een
wenk van Buitenlandsche Zaken, dat op zijn
beurt een wenk van de Turksche legatie
scheen te hebben gekregen."
Te 's-Gravenhage hebben wij eens geïnformeerd
en van daar deelt men ons mede,
dat dit bericht onjuist is. Vanwege de politie
was de professor er aan herinnerd, dat zijn
lezing allicht aanleiding kon geven tot uitlatingen
over een bevriende mogendheid, die
volgens de Nederlandsche wet niet straffeloos
kunnen geduld worden, doch dat de wet volkomen
vrijheid geeft voordrachten te houden.
Het bestuur der Christ. Jongelingsvereeniging
was gewaarschuwd, dat voor een
vertooning met lichtbeelden vooraf de vergunning
noodig is van den burgemeester. Die
vergunning is niet gevraagd – ook niet
nadat de waarschuwing had plaats gehad.
Wij hopen dat de heer Tchéraz de waarschuwing
nu maar goed begrepen heeft en er
toch vooral geen bedreiging in zag. Eenigszins
vreezen wij hiervoor, omdat we anders niet
begrijpen waarom de lezing niet is doorgegaan.
Dit zou een verkeerd denkbeeld kunnen
geven aan de vreemdelingen in onze poorten
van de vrijheid van het woord in ons land!
Maar, wat is het gelukkig dat Gladstone, de
geestdriftvolle, overtuigde vriend der Armeniërs
nooit in 's-Gravenhage een zijner bezielden
redevoeringen over de afschuwelijke mishandeling
der Armeniërs door Turken gehouden
heeft!
Hij noemde den Sultan maar ronduit: "een
moordenaar".
Wat zou men door zulk een bezoek te
's-Gravenhage vredelievend met de handen
in 't haar gezeten hebben!
Want in dien tijd was er nog geen hof van
arbitrage.
Men had dus te kiezen gehad tusschen
Turksche yatagans en Britsche pantserschepen,
eer men een Haagschen politie-agent zond
naar het Hotel des Indes – waar de
heer Gladstone zijn verblijf had gekozen –
om den premier van Engeland te waarschuwen
dat zijn redevoering "allicht aanleiding kon
geven tot uitlatingen over een bevriende
mogendheid, die door de Nederlandsche wet
niet straffeloos kunnen geduld worden."
En als Engeland's eerste minister dan volgens
zijn gewoonte de waarheid gezegd had,
ware hij tusschen twee Haagsche agenten
opgebracht naar het Huis van Bewaring.
En zoo niet?
Waarom mag dan een Armeniër namens
zijn mishandeld en vermoord volk niet de
waarheid zeggen in Nederland? Zouden die
uitlatingen noodzakelijk hinderlijk moeten
zijn voor een bevreemde mogendheid? Ja?
Wel des te erger voor de schuldigen is het
als de enkele mededeeling van feiten een
uiting is die den Sultan onaangenaam moet zijn.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

