… / Nederland / Nederlandse pers / 1924–1940 / De Armeensche Christenen
Nieuwsblad van het Noorden, 19 november 1929
Bron: Delpher
De Armeensche Christenen
Gisteravond sprak mejuffrouw Cato de
Witte, secretaresse van de "Action Chrétienne
en Oriënt" – het ondersteunings- en evangelisatiewerk
onder de Armeensche Christenen
in Syrië – in de Fransche kerk, die veel
te klein bleek te zijn om al de belangstellenden
te bevatten, over bovengenoemd onderwerp.
PROF. DE ZWAAN leidde – na het openingsgebed
– de spreekster in. De Armeniërs
zijn een volk van onzen – den Indo-Germaanschen
– stam. Er is een parallel te trekken
tusschen het Joodsche en het Armeensche
volk. De Armeniërs hebben eeuwen van
ellende en verdrukking gekend. Meer dan
eens stonden ze aan den rand van uitroeiing,
zooals op 't oogenblik ook weer. Ze zijn Christenen,
die door hun geloof zijn samengehouden.
Reeds in 451 n. Chr. moesten ze de eerste
geloofsvervolging doorstaan. De koning der
Perzen wilde hen uitroeien, omdat ze geen
vuuraanbidders waren.
Van 850-1050 vormen ze een zelfstandig
Rijk in Klein-Azië. Het was een land van
hooge cultuur. Na 1050 gaat het licht onder
in Klein-Azië door vele vijandelijke invallen.
Na 1075 komt het Turksche Rijk en dan begint
pas recht de tweede lijdensperiode. Later
komt het volksbewustzijn weer naar boven
en in de 19e eeuw is de volksontwikkeling sterk
toegenomen. Dan, na 1860, vinden
er groote Christenmoorden plaats op last van
den sultan. Europa zag het lijdelijk aan. In 1908
komen de Jong-Turken. Men hoopte
op betere tijden, maar in 1918-1919 heeft
datzelfde jong-Turkije de Armeniërs uitgemoord.
In 1908 waren er 2½ millioen Armeniërs.
Als er nu nog een half millioen over is gebleven,
is 't al veel.
Spr. eindigde met het vertellen van een
Armeensch sprookje: Ergens in een diep,
zonnig dal is een vogel, die telkens: sagak
roept.. Gij kunt de vogel niet zien hem en gij
vindt nooit; het is de ziel van een moeder. Zij
had een zoon, die als eerste over een nieuwe brug
liep en volgens de gebruiken van dien tijd gedood
werd om in de brug ingemetseld te worden. Zijn
moeder roept nog altijd om hem: sagak, sagak.
Dit is de toestand van Armenië. Niet
één moeder, maar honderdduizenden
roepen om hun zonen.
Daarna nam MEJUFFROUW DE WITTE het woord. In 1914
was door Duitsche en Russische bemoeiing een
verdrag tot stand gekomen, waarbij de Armeniërs
dezelfde rechten kregen als Koerden en Turken.
Enkele maanden later brak de wereldoorlog uit.
De Armeniërs vochten naast de Turken voor hun
gemeenschappelijk vaderland, hoewel ze zoodoende
moesten strijden tegen de in Rusland wonende
Armeniërs.
Plotseling hoort men hoe een klein groepje van het
Armeensche volk in een waan een vrijheidsoorlog wil
voeren. 18 Turken worden gedood. Het persbericht
spreekt van 18.000. Enver bey, de minister, grijpt
de gelegenheid om deze Christenen te vernietigen,
met beide handen aan. Het Armeensche volk moet
verplaatst worden. In Mei 1915 neemt deze
verplaatsing naar de steppen van Syrië en
Noord Mesopotamië, een aanvang. In groepen
van 6000 – arbeiders, doktoren, professoren,
winkeliers – werden ze voortgedreven naar plekken
in de bergen, waar ieder zijn eigen graf moest delven
alvorens men hen afmaakte. Vrouwen, die vermomd als
Koerdische boerinnen aan het bloedbad wisten te ontkomen,
vertelden hoe ze zagen, dat 300 kinderen met petroleum
overgoten en daarna verbrand werden. Vrouwen werden in
harems gesleept, anderen werden geheel ontkleed
voortgedreven door woeste Arabieren. Velen van die
ongelukkigen maakten zelf een einde aan hun lijden.
Karavanen uitgehongerde skeletten trokken langs de
wegen om tenslotte de dood te vinden in de woestijn.
Na het sluiten van den vrede in 1919 ademden de
Armeniërs op. Frankrijk en Engeland bezetten
Turksche gebieden. Toen de geallieerden weer
wegtrokken, had echter Kemal Pasja de handen vrij.
Honderdduizenden van het Armeensche volk vluchtten
naar het Fransche mandaatsgebied Syrië. Geweldige
vluchtelingenkampen zijn daar opgericht. De barakken
die men er heeft gebouwd, zijn allertreurigst.
Men vraagt zich af hoe hier soms 30.000 menschen
bijeen kunnen wonen. Het geloof in Christus heeft
hen staande gehouden. Er zijn Armeensche kinderen,
die Nederlandsche pleegouders hebben, d.w.z. dat
zij op kosten van onze landgenooten worden
onderhouden. Velen wachten echter nog op hulp.
Het lijden heeft het Armeensche volk gelouterd.
Een Armeniër zeide: Als de oplossing van het raadsel
van ons lijden is, dat wij de Mohammedanen tot het
Christendom willen brengen, dan is ons lijden nog
niet groot genoeg geweest.
Met lichtbeelden van de steden Damascus, Beiroet
en van de vluchtelingenkampen werd het gesprokene
op duidelijke wijze geïllustreerd.
Ds. van Dijk sprak het slotgebed uit.
Heden zou mejuffrouw de Witte in het Wijkgebouw der
Ned. Herv. Gemeente in de O. Boteringestraat
Armeensche handwerken verkoopen.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

