… / Nederland / Nederlandse pers / 1878–1893 / Amsterdam, Zondag 13 Juni
Algemeen Handelsblad, 14 juni 1880
Bron: Delpher
Amsterdam, Zondag 13 Juni
De gemeenschappelijke nota der mogendheden, zegt
heden een telegram uit Konstantinopel, vraagt uitvoering
der overeenkomst betreffende Montenegro en van
art. 61 van het tractaat van Berlijn betreffende Armenië.
Men was daarop reeds voorbereid en het is nu maar
de vraag wat dit alles zal baten. Herhaaldelijk hebben
wij reeds uitvoerige berichten medegedeeld omtrent
den droevigen staat van zaken in Armenië en men kan
er bijna niet te veel van zeggen. Vrijdagavond kwam
in het Engelsche Hoogerhuis het onderwerp weder ter
sprake. Wat in telegrammen en brieven en in blauwboek
bij blauwboek werd medegedeeld, vatte lord Carnarvon
nog eens samen in een indrukwekkend tafereel. Met
de somberste kleuren schetste hij den toestand van dit
ongelukkige gewest en niemand kon beweren, dat hij overdreef.
Wanneer men wil weten, wat Turksch wanbeheer
is, dan behoeft men slechts deze rede te lezen. Christenen
en Mohammedanen lijden er evenzeer door ziekte
en hongersnood en eene talrijke nijvere bevolking loopt
groote kans van geheel te verdwijnen. In het eene
bericht leest men, dat 144 bloeiende dorpen geheel zijn
uitgestorven of door de inwoners verlaten. In een
ander, dat duizenden gezinnen naar Rusland verhuizen.
En instede dat het Turksche bewind al het mogelijke
deed om deze ellende te lenigen, haalt het van de ongelukkige
inwoners wat er nog van te halen is. Verdrukking
en uitzuiging gaan haar ouden gang; de rechters
zijn even omkoopbaar als vroeger. De ambtenaren
en soldaten wachten tevergeefs op hunne tractementen.
Ze worden soms zelfs niet eens gevoed. Nog
slechts weinige weken geleden was de bezetting eener
stad zoo geheel van alles ontbloot, dat de soldaten een
halven dag moesten vasten en ten slotte moesten verkoopen
wat verkoopbaar was, om een maal te krijgen.
Wanneer niet een bankier op eigen risico geld geschoten
had, dan zou eene groote troepenafdeeling geheel
zonder onderhoud zijn geweest.
Het doel van deze rede was natuurlijk der regeering
gelegenheid te geven, om mede te deelen, wat zij dacht
te doen, en het antwoord was, wat men per telegram
uit Konstantinopel heeft vernomen.
Graaf Granville schreef den toestand toe aan de volgende
oorzaken: 1°. den jongsten oorlog; 2°. slechte
oogsten; 3°. den ongeregelden staat van zaken en de
rooftochten der Kurden; 4°. het invorderen der achterstallige
lasten; 5°. de vermindering der waarde van het
geld; 6°. de aankomst der havelooze Lazen en
Circassiërs; 7°. het wanbeheer van den koren voorraad
der regeering. Men kon niet zeggen, dat de Turksche
regeering niets deed, maar met dat al werd toch eigenlijk
niets gedaan. De toestand was van dien aard, dat onder
het tegenwoordig bedorven en ontredderd bestuur van
het gewest de middelen der Turksche regeering niet
toereikend waren, om er in te voorzien. Alleen grondige
hervorming van het gewestelijk bestuur kon iets
teweegbrengen, maar daarvoor was nog weinig, of
niets gedaan, ofschoon er genoeg commissiën van onderzoek
waren benoemd. Het meest was nog gedaan onder
Abeddin-pacha, die nu tot minister van buitenlandsche
zaken was benoemd. Maar over het geheel genomen had
men slechts beloften, geen daden. En daarom ook had de
regeering aan de mogendheden in overweging gegeven
van de Porte gemeenschappelijk de uitvoering te vragen
van art. 61 van het tractaat van Berlijn.
Of zij daarvan nu veel verwachtte zei de Minister
niet, maar zijn voorganger, lord Salisbury, die na hem
het woord nam en zijdelings de onthouding der vorige
regeering had te verdedigen, verklaarde in den maatregel
niet veel heil te zien. Hij vond dien natuurlijk
zeer prijzenswaardig, maar wat zou de Turksche regeering
kunnen doen? Ze had geen geld en geen macht
en de vraag was zelfs of zo den wil had, om te hervormen.
Hij verwachtte dus niet veel van pressie op
het centraal gezag, maar meende dat veel meer te
verwachten was van de werkzaamheid van Engelsche
consuls, die op de plaats zelve voortdurend de aandacht
op misbruiken vestigden.
Tot heden echter kan men niet zeggen, dat ook dit
stelsel wonderen heeft verricht. Men kan althans tegelijkertijd
ook het andere beproeven. De Porte zelf kan
zeker niet veel doen. Maar zij kan laten doen en
wanneer de mogendheden het maar eens blijven, kunnen
eenige weinige Europeesche ambtenaren met een klein
korps van goede politie reeds veel uitrichten. Men zal
nu althans eene poging doen, om daartoe te geraken
en aldus groote ellende te lenigen. Stuit ook dit weder
af op den onwil, het onverstand en de onmacht der
Turksche regeering, dan ligt ook de afscheiding van
dit gewest in het verschiet. Reeds nu is de eenige hoop
der rampzalige bewoners op Rusland gevestigd.
Nederlandse pers
• 18 7 8–1893 ›››
• 1894–1898 ›››
• 1899–1904 ›››
• 1 905–1909 ›››
• 1 9 1 0–1 9 1 4 ›››
• 1 9 1 5–1 9 1 8 ›››
• 1 9 1 9–1 9 2 3 ›››
• 1 924–1 940 ›››

