… / Nederland / Nederlandstalige rapporten / “Het bloedig juk van den Turk”
“Het bloedig juk van den Turk”
“HET BLOEDIG JUK
VAN DEN TURK”
DOOR
ARNOLD J. TOYNBEE
(“De bevrijding der volken die thans gebukt gaan onder
het bloedig juk van den Turk...”
en “De uitdrijving uit Europa
van het Ottomansche Rijk, dat zich zoo grondig onvatbaar
voor Westersche beschaving heeft betoond...”
– Gemeenschappelijke Nota der Geallieerden,
ter beantwoording van President Wilson.)
HODDER & STOUGHTON
LONDON NEW YORK TORONTO
MCMXVII
titelpagina
VOORWOORD
NIET één, vertrouwd met de geschiedenis van het
Naaste Oosten voor de laatste vijf eeuwen, die
zich zal verwonderen over het voornemen, door de Gealliëerden
uitgesproken om een eind te maken aan
het bewind van den Turk in Europa; in nog mindere
mate zal hij in verzet komen tegen hun vast besluit
om de Christelijke bevolking van het zoo genaamd
Turksch Rijk, in Azië zoowel als in Europa, te
verlossen van een heerschappij, die gedurende deze
vijf eeuwen niets anders heeft gedaan dan hen te
verdrukken. Tot deze hervorming had het inderdaad
reeds lang moeten komen. Reeds meer dan
een eeuw geleden had men er toe behooren over te
gaan, want reeds toen was het helder als de dag,
dat de Turk buiten staat was, rassen van een godsdienstige
overtuiging, verschillend van de zijne, te
besturen. De Turk heeft nimmer voor iets anders
gedeugd dan voor vechten. Alle administratie is hem
vreemd. Goede rechtsbedeeling gaat zijn krachten
te boven. Als bestierder heeft hij zich aldoor
doen kennen als onbekwaam, omkoopbaar en hardvochtig.
Hij heeft altijd verwoest, nooit opgebouwd.
De Turken zijn, in het recht begrip van den
term, heelemaal geen natie. Zij maakten oorspronkelijk
een kleinen strijdbaren stam uit, die gedurende
de twee eerste eeuwen van zijne veroveringen
onder het gezag stonden van een reeks bekwame
en gewetenlooze Sultans, die de Christelijke bevolkingen
van het Oostelijk Romeinsche Rijk onderwierpen,
een deel er van dwingend den Islam te
omhelzen en hun gezag versterkend door de kinderen
der overigen weg te sleepen om ze met geweld in
pagina 2
Muzulmannen om te scheppen en er een krachtig
staand leger, de Janitzaren, uit te vormen, welks
dapperheid en krijgstucht hun vergunde, van het
begin der vijftiende tot ver in de negentiende eeuw
oorlog te voeren. Zooals een beroemd Engelsch
geschiedschrijver te boek stelde – de Turken zijn
niet anders dan “een rooverbende, die in de door
hen verwoeste streken hunne tenten hebben opgeslagen.”
Naar Edmund Burke getuigde, zijn de
Turken, “wilden, met wie geen beschaafde Christennatie
banden van bondgenootschap behoorde aan
te knoopen.”
Het Turksch gezag behoort in Europa te worden
afgeschaft omdat het, zelfs in dit klein gedeelte
ervan, waarover de Sultan nog altijd regeert, een
buitenlandsche macht beteekent, die er zich
uitsluitend heeft beziggehouden met het onderdrukken
of uitmoorden, folteren of uitdrijven van de Christelijke
bevolking van Grieksche of Bulgaarsche
afkomst. Om dezelfde reden behoort het te worden
verjaagd uit het westelijk kustgebied van Klein-Azië.
Desgelijks behoort Konstantinopel er van te
worden gezuiverd, een stad van ongeëvenaarde commerciëele
en politieke beteekenis, wier wel en wee
niet langer aan zulke handen kan toevertrouwd
blijven. Hetzelfde geldt van Armenië, Cilicië en
Syrië, waar de Turken de laatste twee jaren aan
het uitroeien zijn geweest van het vreedzaamste,
werkzaamste en schranderste deel der bevolking,
hun Christen-onderdanen.
Komt men er toe, een Turksch Sultanaat te laten
voortbestaan, laat het dan worden geduld dáár,
waar het aan de wereld het minste schade kan
toebrengen, in Centraal en Noordelijk Klein-Azië,
waar de bevolking grootendeels Mohamedaansch is
pagina 3
en men betrekkelijk weinig Christenen – en dan nog
maar alleen in de steden – aantreft om ten prooi
te vallen aan Turksch wanbeheer. Ook hier moet
men met het lot der onderdanen zijn begaan, maar
een zwakke Turksche Staat, zooals dan het geval
zou zijn, zou zich niet aan de misdaden kunnen
wagen, waaraan hij zich bezondigde, terwijl hij
betrekkelijk machtig was.
Dat de gebreken, die het Turksch bestuur
aankleven, ongeneeslijk zijn is ten duidelijkste
gebleken uit het feit, dat de Jong-Turken troep,
die zich na Abdul-Hamid te hebben afgezet, van
de teugels van het bewind meester maakte, zelfs
dat ondier van wreedheid achter zich lieten in het
uitmoorden der onschuldige Armeniërs. De Turk,
als gezagsman, is onverbeterlijk en de Gealliëerden
zouden zich aan miskenning van alle beginselen
van Recht en Menschelijkheid, waarvoor zij
het zwaard trokken, hebben schuldig gemaakt,
indien zij niet toezeiden, dat na den Oorlog aan het
Turksch regime niet langer zal worden toegestaan,
over aanhangers van andere gezindten dan de hunne
den dwingeland te spelen.
pagina 4
“HET BLOEDIG JUK VAN DEN TURK”
Het Doel der Geallieerden
PRESIDENT WILSON richtte zich, in zijn Nota tot
de oorlogvoerende regeeringen, tot beide partijen
met het verzoek om de doeleinden te ontvouwen, die
zij zich voorstellen met het verder voortzetten van
den Oorlog te bereiken. De Gealliëerden, in hun
gezamenlijk antwoord op 11 Januari 1917 geopenbaard,
verklaren zich volgaarne bereid, aan deze
uitnoodiging gevolg te geven en komen deze toezegging
na door het geven van een reeks bepaalde
vredesvoorwaarden. Onder deze treft men aan:—
“De bevrijding der volken, die thans gebukt
gaan onder het bloedig juk van den Turk”
en “De uitdrijving uit Europa van het Ottomansche
Rijk, dat zich zoo grondig onvatbaar
voor westersche beschaving heeft betoond.”
Het oogmerk der Gealliëerden om met Turkije af
te rekenen is zoodoende zonder voorbehoud aan
de buitenwereld bekend gemaakt. Het is van groot
belang, na te gaan, waarop het neerkomt en waarom
het als rechtmatig moet worden aangemerkt.
De Onderworpen Volken onder Turksch Gezag
Welke zijn de volken, wier bevrijding de Gealliëerden
vast besloten zijn te erlangen?
Het Ottomansch Rijk telt iets meer dan
20.000.000 zielen en van dit totaal zijn er niet meer
dan 8.000.000, of minder dan 40%, Turken. Van
de rest zijn 7 millioen Arabieren; voorts zijn er
pagina 5
2 millioen Armeniërs (of liever zooveel waren er
vóór de gruwelen van 1915); het aantal Grieken
bereikt bijna 2 millioen, terwijl er blijkbaar evenveel
niet-Turksche bergbewoners zijn: Koerden,
Nestorianen, Drusen, Maronieten en zoo voorts.
Het niet-Turksche element der totale bevolking
van Turkije bedraagt dus meer dan 60% van het
geheel. Deze volken waren allen in het land gevestigd,
vóór de Turken verschenen – door wie Klein-Azië
veroverd werd omstreeks den tijd, dat de Noormannen
Engeland overweldigden – en vele der onderworpen
rassen waren daar naar menschenheugenis
altijd geweest. Al de onderworpen volken hebben,
sedert en zoo lang zij onder Turksch gezag waren,
in den diepsten staat van verval verkeerd.
De Grieken gaven in de Oude Wereld en in de
Middeleeuwen den toon der beschaving aan, totdat
het Grieksche Rijk van Constantijn in 1453 door
de Turken werd veroverd. Van dat oogenblik verdwenen
zij uit de rij der natiën, totdat de Bevrijdingsoorlog
van bijna een eeuw geleden een deel der Grieksche
natie opnieuw onafhankelijk maakte. De
Grieken, die onder Turksch gezag bleven staan,
bleven van gemeenschap met het Grieksch nationaal
leven afgesneden.
De Armeniërs waren het eerste volk, dat de Christelijke
leer tot een nationalen godsdienst maakte.
Zij zijn een leerzaam volk, schrander en ijverig,
zoo in zaken van praktischen aard als ten opzichte
van het geestelijk leven. In de dagen, toen zij een
onafhankelijk koninkrijk vormden, brachten zij een
schoone letterkunde en bouwkunst voort, die door de
Turksche overweldiging te gronde gericht werden.
Van dien tijd af hebben de Turken alle kiemen van
herleving in de Armeniërs in bloed gesmoord en de
pagina 6
verschrikkelijkste dezer slachtingen werd verleden
jaar aangericht.
De Arabieren schonken in de jaren, waarin
Middeleeuwsch Europa nog in duisternis lag gehuld,
aan een wonderbare beschaving het aanzijn. Hunne
ontdekkingen op het gebied der wiskunde, sterrekunde,
scheikunde en geneeskunde vormen de grondslagen
der hedendaagsche wetenschap, zooals blijkt
uit de aanwezigheid van Arabische woorden in
onze wetenschappelijke terminologie. Deze Arabische
beschaving werd door de Turksche verhuizingen uit
Centraal-Azië in de elfde eeuw overstroomd en verder
door de Mongolen, die het spoor der Turken volgden
en Bagdad, de hoofdstad der Arabische wereld, verwoestten,
in de 13e eeuw geheel uitgewischt. De
Arabieren staan nog steeds vooraan in de Islamitische
wereld; in de bevolking van het Ottomansche
Rijk naderen zij in zielen-aantal dicht aan de
Turken, terwijl zij in godsdienst niet van hen
verschillen. Diensondank sluit de Turksche regeering
hen van alle deelname aan het bewind uit
en heeft zij zich beijverd, hun herrijzenis tegen
te gaan met dezelfde hardnekkigheid, waarmee zij
aan alle pogingen van dien aard van Armeniërs en
Grieken den kop indrukte. Ook op de Arabieren
werden gedurende den huidigen oorlog uitmoording
en verbanning toegepast.
Ook de Koerden waren er vóór de Turken, maar
zij hebben niet dezelfde traditiën achter zich als de
drie andere volken. Ten hunnen aanzien zijn de
Turken er op uit geweest, niet om een bestaande
beschaving te verdelgen maar om hun te verhinderen,
het tot beschaving te brengen, zoo zij lust
mochten gevoelen, zich in die richting te ontwikkelen.
De Koerd is vele eeuwen lang een zich aan geen
pagina 7
wet storende herder in de bergen geweest; toch doet
hij zich, als hij eens in de valleien afdaalt, als een
naarstig en vreedzaam bewerker van den bodem
kennen. De Turksche regeering heeft zich met klem
gekeerd tegen deze neiging, die zich ongeveer een
halve eeuw geleden bij de Koerden begon te openbaren,
door hun wapenen uit te reiken en verlof te geven,
het hunnen Armenischen medeburgers zoo hard
mogelijk te maken.
“Het bloedig juk van den Turk” – de eerste Phaze
Dit verminken en klein houden van hooger
begaafde volken bevat reeds op zichzelf een geduchte
aanklacht tegen de Turksche overheersching; het
onrecht wordt echter nog oneindig verergerd door
de gruwelijke methoden, die bij de toepassing van
het systeem werden gevolgd. Deze methoden zijn
in het Antwoord der Gealliëerden op President
Wilson's vraag terecht gekenschetst als “bloedig”.
In de geschiedenis der Ottomansche dwinglandij
vallen drie phazen op te merken en de phaze waarin
zij thans verkeert is de ergste. De Ottomansche
Staat is van het begin tot het eind een zuiver militaire
Staat geweest. Osman, zijn stichter, naar wien de
Osmanli Turken zich noemen, was het erfelijk hoofd
van een zwervenden stam Turksche vrijbuiters uit
Centraal-Azië, aan wiens vader Turksche Sultans,
toen reeds in Klein-Azië gevestigd, vergunning verleenden
om ten koste van naburige Christenen een
eigen vorstendom te vermeesteren, precies op dezelfde
manier als de Duitsche Ridders den grond legden tot
het prinsdom Pruisen ten koste van de oorspronkelijke
bewoners. Dit Ottomansch gewest, aldus in
de 13e eeuw met een paar vierkante mijlen gronds
in Noord-Westelijk Klein-Azië begonnen, breidde zich
pagina 8
in den loop der volgende driehonderd jaren zoodanig
uit, dat het ten slotte van een punt, een mijl of wat
van Weenen, tot Mekka en Bagdad reikte. Het
vernietigde het eerwaardig Rijk van Konstantinopel,
de bewaarder gedurende de Middeleeuwen van de
Grieksche beschaving, de vrije Christen-koninkrijken
Bulgarije, Servië, Bosnië, Wallachije, Moldavië
en Hongarije, alsmede de onafhankelijke Mohamedaansche
staten van West-Azië. Zulk een loopbaan
van vernielende overweldiging was een ramp voor de
wereldbeschaving en succes werd alleen verkregen
door middel van een niets-ontziend militarisme.
De Ottomansche opvatting van algemeene dienstplicht
bestond in het ontnemen van kinderen aan de
onderworpen Christenen – zóoveel kinderen uit elke
familie, verdeeld over zóoveel tijd – om dan de kleinen
in kazernes tot dweepzieke Moslemin op te leiden en als
beroepssoldaten al te richten. Deze Janitzaren, van
vroegsafaan voor den krijgs dienst opgefokt en zonder
andere band met medemenschen dan verkleefdheid
aan hun aanvoerder, waren de meest geduchte krijgers
van heel Europa en elk nieuw Christenland door hen
veroverd werd dadelijk tot een nieuw werf-gebied van
rekruten voor het corps gemaakt. Het Ottomansche
Rijk zoog zijn slachtoffers letterlijk het bloed uit en
in de wereld historie wordt het als Vampier-Staat door
géén overtroffen.
De tweede Phaze – Abd-Ul-Hamid
Dit was de eerste phaze van de Ottomansche
geschiedenis; het tweede tijdperk, onvermijdelijk
gevolg van een uitsluitend op oorlog aangewezen
Staat, geeft inwendig en uitwendig verval te zien.
Het Rijk werd gaandeweg afgeknot door Oostenrijk,
Rusland en andere buitenlandsche machten, terwijl
pagina 9
de onderworpen volken tot het herwinnen hunner vrijheid kwamen door zich meer en meer van het Turksche juk los te maken. Een wijze regeering zou aan deze gevaren het hoofd hebben geboden door verbetering van den toestand, waarin het Rijk verkeerde. Zij zou er naar hebben gestreefd, hare onderdanen tevreden te maken, aan hunne eigenschappen gelegenheid gevend, zich te ontplooien om uit hen een schild tegen den buitenlandschen vijand te smeden. Maar het ontbrak de Turksche regeering zoowel aan de noodige verbeeldingskracht als aan de vereischte welgezindheid om zulkeen staatkunde tot de hare te maken. Het eenige, waarover zij beschikken kon, was hare militaire traditie van geweld en misleiding en zoo trachtte zij de naweëen van hare eigen verdorvenheid te ontgaan door de onderworpen volken nog zwakker en rampzaliger te maken dan zij het zelf was. Dit was de politiek van Abd-Ul-Hamid, die van 1876 tot 1908 de scepter voerde en zijne methoden kwamen neer op het ophitsen van het eene ras tegen het andere. De Koerden werden aangemoedigd, de Armeniërs te verdelgen en aan de Turksche soldaten werd gelast, aan de slachting deel te nemen, zoo de Armeniërs weerstand mochten bieden. De Bulgaren zagen zich vergunning verleend, middels gewapende benden de dorpen van Macedonië te “bulgariseeren”, terwijl terzelfder tijd aan de Grieken werd toegestaan om gewapende benden te vormen, teneinde dit bulgariseeren te beletten; de Macedonische boeren hadden het met beide groepen te kwaad en als zij aan de benden gastvrijheid verleenden om hen te bewegen, hen te sparen, daagden Turksche troepen op, die het dorp in brand staken onder voorwendsel, dat het zich aan landverraad jegens den Ottomanschen Staat had bezondigd.
pagina 10
De derde Phaze – de Jong-Turken
In de eerste phaze betaalde de onderworpen volken
hunne schatting in kinderen en werden dan niet
verder lastig gevallen. In de tweede phaze werden
ze op elkaar losgelaten om elkaar, naar den Machiavellistischen
trant van Abd-Ul-Hamid onschadeliik te
maken. De derde phaze werd ingevoerd door de
Jong-Turken en zij gingen daarmede over tot het
stelselmatig uitroeien van de onderworpen rassen van
regeeringswege – eene regeering dus, die hare krachten
wijdde aan het uitmoorden harer eigen onderdanen!
En deze methode werd met verdubbelde kracht en
gewetenloosheid gevolgd, sinds de Turksche regeering
het oorlogspad betrad en zij er zeker van was, dank
zij Duitschland's bijstand, dat zij de beschaafde
wereld ongestraft kon tarten.
De Jong-Turken zijn “Nationalisten”, die bij de
Germanen en Magyaren ter schoole zijn gegaan. Hun
nationaal ideaal is, hun eigen nationaliteit met geweld
aan anderen op te dringen. Toen de Jong-Turken in
1908 meesters werden, kondigden zij een program van
“verottomanisatie” af. Elke taal in het heele Rijk
buiten de Turksche zou voortaan worden geweerd;
Turksch moest de éénige officieele taal zijn en zelfs
moest alle hoogere opleiding in die taal worden gegeven.
De niet-Turksche meerderheid moest met geweld aan
de Turksche minderheid worden geassimileerd. Het
program was afgekeken van het verpruisen van de
Polen en het vermagyariseeren van de Roemeniërs,
Slovaken en Zuid-Slaven in Hongarije, die de
Geallieerden – blijkens een andere paragraaf in hunne
Nota – voornemens zijn, eveneens van vreemde
overheersching te verlossen. Maar de Turken,
in hun ijver tot Nationalisatie, zijn, gelijk zij dit
pagina 11
in hun Militarisme deden, verder gegaan dan hunne Europeesche “tegenhangers”. De Pruisen ontnemen aan Poolsche landbouwers den eigendom van hun land, maar zij betalen hun hiervoor de prijs; de Turken daarentegen drijven Grieken en Bulgaren uit hunne woonsteden en bezittingen en laten hen gansch berooid gaan. De Magyaren mobiliseeren troepen om Slovakken en Roemeniërs bij de verkiezingen te kunnen intimideeren, terwijl de Turken de boeven uit de gevangenis laten en hen in de Gendarmerie opnemen om het uitmoorden van het Armenische ras ter hand te nemen. Van den omvang van hun optreden af hebben de Jong-Turken hun nationalistisch program nagestreefd door het aanrichten van bloedbaden. De Adana-moorden van 1909, de verschrikkelijkste slachting onder de Armeniërs gehouden tusschen de Hamidiah-moorden van 1895-6 en die thans aan den gang, vielen voor, binnen het jaar na de afkondiging van de Jong-Turksche Constitutie, die aan alle bewoners van het Rijk gelijke rechten toezegde. In 1913 was het Turksche Leger bezig de Armeniërs te verdelgen, omdat zij er een on-Ottomanschen nationalen geest van eigen maaksel op durfden nahouden. Dit werk werd onderbroken door den Balkan-Oorlog, maar de Turken wreekten zich voor hun nederlaag in dezen oorlog, die groote groepen van Grieksche en Slavische nationaliteit van hunne overheersching vrijmaakte, door wat er aan Grieken en Slaven, in het land hun gelaten, overbleef, uit te moorden. Zij hielden zich hiermede in de pauze tusschen het einde van den Balkan-Oorlog en het begin van den Europeeschen Oorlog bezig en Griekenland stond op het punt, ter bescherming van het snel dunnend overschot Grieken in Turkije's macht den
pagina 12
strijd opnieuw aan te binden, toen deze crisis
werd ingehaald door het zooveel grooter conflict.
Zoodra Turkije Duitschland's bondgenoot werd,
hield Duitschland de Jong-Turken van verdere
geweldenarijen tegen hunne Grieksche onderdanen
terug, omdat het tegen Duitschland's belang zou
zijn, indien Griekenland haar heul zoeken en zich
in den strijd aansluiten zou bij de Entente. Maar
Duitschland liet hen hun gang gaan tegenover hunne
andere onderworpen volken en hiervan zijn het
resultaat geweest de gruwelen aan Armeniërs en
Arabieren begaan, waarmee in 1915 werd begonnen
en sedert geregeld is voortgegaan.
De Armenische Gruwelen van 1915
Niet meer dan één derde van de 2 millioen
Armeniërs in Turkije hebben er het leven afgebracht
en dit nog alleen door, òf zich tot de Islam
te bekeeren, òf, met achterlating van alles wat
zij bezaten, over de grenzen te vluchten. De vluchtelingen
zagen hunne vrouwen en kinderen onderweg
bezwijken; in andere gevallen bracht de uitwijking
mede, dat een vrouw zich tot den levenden dood
van een huwelijk met een Turk en de opname in
zijn harem verwezen zag. De overige twee-derden
werden “gedeporteerd” – dat is, men dreef hen uit
huis en hof en in benden over ruwe bergwegen,
zonder voedsel of dekking voor den tocht, in schroeiende
hitte of bittere koude, honderden mijlen ver.
Zij werden bestolen en gemarteld door hunne
bewaker en gesubsidieerde rooverbenden die hen
in de wildernis aanrandden en met wie hunne bewakers
het broederlijk eens waren. Wanneer zij
van dorst versmachtten, hield men hen met gevelde
bajonet van de drinkplaats terug. Zij stierven van
pagina 13
honger of verkleuming en uitputting of in verlaten
streken grepen de bewakers en de roovers hen aan
maakten hen bij troepen af – een aantal op de
eerste pleisterplaats, anderen eerst na weken te
zijn voortgejakkerd. Ongeveer de helft der gedeporteerden
– wier totaal aantal zeker 1.200.000 bedroeg
– bezweken op dezen tocht, terwijl de andere
helft langzaam wegkwijnde aan het einde ervan,
men deporteerde hen naar de meest onherbergzame
streken van het Ottomansche Rijk; de
malaria-brengende moerassen in de Provincie Koina;
de oevers van de Euphraat, waar deze, tusschen
Syrië en Mesopotamië, door een steenachtige
wildernis stroomt; de heete en uiterst verlaten baan
den Hedjaz-spoorweg. De nog in leven gebleven
uitgedrevenen hadden het, alles te samen gerekend,
nog harder te verantwoorden dan zij, die in den
beginne werden van kant gemaakt.
Dezelfde uitroeiings-campagne werd tegen de
Nestoriaansche Christenen op de Perzische grens
en tegen de Arabieren van Syrië in gang gezet;
het gold hier Mohamedanen zoowel als Christenen,
zonder onderscheid. In Syrië heerscht een schrikbewind.
De Arabische hoofden werden reeds gevangen
gezet, terechtgesteld of verbannen en de
massa der bevolking is verlamd van vrees, zich
voorbereidend op het lot dat den Armeniërs trof en
elk oogenblik verwachtend, dat het besluit tot hunne
uitmoording genomen zal worden.
Deze slachting op grooten schaal, waaraan nu
reeds twee der aan den Turk onderworpen volken
werden blootgesteld en die de gansche 60% van
de bevolking, die niet-Turksch van afkomst zijn,
boven het hoofd hangt, is het rechtstreeksche werk
van de Turksche regeering. Het “Deportatie Plan”
pagina 14
werd te Konstantinopel door het Centraal Gezag
opgezet en gelijktijdig aan alle plaatsdlijke autoriteiten
in het Rijk geseind; het werd uitgevoerd door
de ambtenaren, de Gendarmerie, het Leger en de
benden struikroovers en boeren, door het Gouvernement
in dienst genomen. Geen Staat zou meer
volkomen verantwoordelijk kunnen zijn voor wat
binnen zijne grenzen wordt gedaan, dan de Ottomansche
Staat aansprakeijk is voor de afzichtelijke
misdaden, die hij gedurende den Oorlog aan zijne
onderworpen volken heeft begaan.
Grondig onvatbaar voor westersche Beschaving
Deze wandaden en de phazen der Ottomansche
Geschiedenis, die er toe voerden, toonen, om
de bewoordingen van de Nota der Gealliëerden
tot de onze te maken, ten duidelijkste aan, dat
“het Ottomansche Rijk zich voor westersche
beschaving grondig onvatbaar heeft betoond.”
Inderdaad, waar het Ottomansch gezag zich verbreidde,
was het met alle beschaving gedaan. Waar
het gevestigd bleef, was het aan de beschaving
onmogelijk tot uiting te komen. Zij herleefde
alleen dáár, waar de verdrukte volken er in slaagden,
ten koste van eigen bloed en met den bijstand van
beschaafde natiën, die er beter aan toe waren dan
zijzelven, het juk van den Turk af te werpen; en
deze worstelingen kwamen aan de vrijheid en den
vooruitgang der geheele wereld ten goede, waar
immers het feit eener Turksche heerschappij, over
welk volk ook, reeds op zichzelf een onberekenbaar
verlies, ook voor de menschheid in het algemeen,
medebracht.
Aan deze lange loopbaan van gruweldaden zijn de
Gealliëerden thans vastbesloten, een einde te maken.
pagina 15
“De bevrijding der volken die gebukt gaan onder het
bloedig juk van den Turk” is hun doel. Toch geven
zij van geen heerschzuchtig oogmerk jegens de
Turken blijk. In een andere paragraaf hunner nota
verklaren zij nadrukkeijk, dat het nimmer in
hun voornemen heeft gelegen, de algeheele vernietiging
of de staatkundige uitwissching der Germaansche
volken te bewerken.” Deze verklaring
geldt gevolgelijk ook voor de Magyaren, Bulgaren
en Turken, die als volken de bondgenooten der
Duitsche rijken zijn. Er zijn gewesten in Klein-Azië,
waar de Turk ontegenzeggelijk in aloud bezit is van
het land. De Gealliëerden hebben niet de minste bedoeling
om den Turk uit deze gewesten te “deporteeren”,
zooals de Turk de Armeniërs “deporteerde”
uit de streken, die hun toebehoorden. De Turk zal,
zoo goed als de Duitscher, de Magyaar en de Bulgaar
blijven, waar hij thuis behoort. Van het uitgestrekt
gebied, waarover hij heden de scepter zwaait, zal
het hem vrijstaan, zijn precies pond vleesch te
nemen, maar wee hem, zoo hij daarbij één droppel
Christen-bloed vergiet!
Europa's Reorganisatie
Deze afrekening met Turkije vloeit logisch voort
uit het hoofddoel der Gealliëerden in den Oorlog.
“De reorganisatie van Europa, door een duurzame
regeling verzekerd, gelijkelijk gegrond op het beginsel
van nationaliteit, het recht van alle natiën,
klein of groot, op het genot van volle veiligheid
en vrije economische ontwikkeling en tevens op
grensregelingen en internationale schikkingen, zoo
getroffen, dat zoowel de landgrenzen als de
kustlijnen tegen onrechtmatige aanvallen zullen
zijn gewaarborgd.”
pagina 16
Dit oogmerk is er niet een, gisteren opgekomen;
het heeft allen voorstanders van vrijheid sinds een
eeuw voor den geest gestaan.
“Laat de Turken”, zeide Mr. Gladstone in een
beroemde rede, “nu hunne ongerechtigheden op
de éénig mogelijke manier uit den weg ruimen,
door n.l. zichzelven weg te pakken. Hun Zaftiehs
en Mudirs, hun Bimbashis en Yuzbashis, hun
Kaimakams en Pashas – hoop ik allemaal, met pak
en zak, uit het gewest te zien gebezemd, dat zij
braak gelegd en verontheiligd hebben.”
Het gewest waarvoor Mr. Gladstone in deze
woorden opkwam was... Bulgarije; maar
hoezeer Bulgarije vrij werd, werden op de andere
volken, die nog steeds onder de dwinglandij zuchten,
verschrikkingen toegepast, oneindig erger, in omvang
en in ongerechtigheid, dan die welke in 1876
de verontwaardiging der buitenwereld gaande
maakten.
Heinrich von Treitschke stelde vele zaken boven
vrijheid, toch dwong hare schending, zooals de Turk
ze beging, hem tot een uiting van afkeuring, die
in kracht niet voor die van Gladstone onderdoet.
In de naaste toekomst zal, “schrijft hij, naar
wij hopen, paal en perk worden gesteld aan het
schandaal dat zulkeen heidendom zich ooit op
Europeeschen grond kon nestelen. Wat heeft dit
Turksche Rijk gedurende drie heele eeuwen uitgericht?
Verwoesting en niets anders.”
Treitschke en Gladstone, mannen die in Europa
zeer uiteenloopende idealen voorstonden, bleken het
omtrent de noodzakelijkheid van zulkeen verlossing
van den Turk volkomen eens te zijn en thans
zien wij de Gealliëerden strijden om wat zij beoogden
in vervulling te doen gaan.
pagina 17
Het Beginsel van Nationalileit
In de oplossing van de Turksche quaestie zullen
de Geallieerden op opvallende wijze een historische
taak kronen, waarvoor zij in het verleden bleken heel
wat veil te hebben. De bevrijding van de onderworpen
volken van Turkije en de reorganisatie naar
het beginsel van nationaliteit namen een eeuw geleden
een aanvang, toen de Serviërs en de Grieken hun
kamp voor nationale onafhankelijkheid streden – een
strijd die een onderdeel vormde van den algemeenen
strijd voor vrijheid in Europa en waardoor
de volken van andere onderworpen landen niet
weinig werden bezield. Engeland, Frankrijk en
Rusland traden in 1837 naar voren om aan Griekenland
de belooning voor haren heldenmoed te
verzekeren, toen zij op het punt stond, het tegen
haren verdrukker af te leggen; door Rusland werd
Turkije gedwongen, aan Servië, bij het vredesverdrag
van 1831, zelfbestuur toe te kennen; wederom,
in 1877, was het Rusland, dat, na den oorlog met
Turkije, Roemenië en Servië aan hare suzereiniteit
onttrok, voor nog meer verdrukte broeders van
Servië en Griekenland vrijheid bedong en aan
Bulgarije onafhankelijkheid als natie verzekerde.
In den Balkan Oorlog van 1912-13, zetten de
Balkan-Staten, gewapenderhand en zonder hulp
van buiten-af, het werk voort en verdreven het
Ottomansch Rijk uit alle provinciën, waarover het
in Europa nog den dwingeland speelde, met uitzondering
van Konstantinopel en Thracië. In 1916
verklaarde de Sherif van Mekka, aan het tegenovergesteld
uiteinde van het gebied van den Ottomanschen
Veroveraar, een Arabische provincie en
de Heilige Arabische stad, waarvan hij het wettig
pagina 18
hoofd is, onafhankelijk. Het is de taak der Entente,
Arabieren van Syrië en de Armeniërs, die zichzelven
niet kunnen redden, van het juk te bevrijden.
De Syriërs en Armeniërs hebben zich niet, zooals
de Turken en Duitschers het gelieven voor te stellen
van Turkije, in de ure des gevaars, afvallig betoond.
Integendeel hebben Arabische en Armenische dienstplichtigen
zich loyaal gedragen door, in den
Balkan-Oorlog en in het huidige zooveel verschrikkelijker
conflict, te vechten voor een zaak,
die heelmaal niet de hunne was. Hunne hoofden
zijn te voorzichtig en het volk is te vreedzaam, er
staat voor hen te veel op het spel en hunne krachten
zijn te zeer verdeeld, dan dat het één oogenblik in
hen zou opkomen, in opstand te komen. Toch heeft
dit loyaal en oprecht gedrag hen niet behoed voor
de woestheid hunner Turksche meesters; het heeft
hen integendeel blootgesteld aan een koelberekend
plan van uitmoording, dat de Jong-Turken op dit
oogenblik met alle macht bezig zijn ten uitvoer te
leggen. De verlossing van deze onschuldige lieden
uit de hel, waarin zij zich bevinden en die hen aan
doodsgevaar blootstelt, zoolang het Ottomansch en
Pruisisch militarisme den strijd volhouden, is de
heilige plicht der Geallieerden, willen zij hun
plechtige belofte gestand doen.
Konstantinopel
Ziedaar wat de Gealliëerden, bij de oplossing der
Turksche quaestie, aan het beginsel van nationaliteit
verschuldigd zijn.
Zij hebben zich echter verder plechtig verbonden
om op te komen voor het recht van alle natiën, klein
of groot, op het genot van volle veiligheid en vrije
economische ontwikkeling en hiermee wordt de status
van Konstantinopel te berde gebracht.
pagina 19
Sinds de Turken het in 1453 op den laatsten Christen Keizer veroverden, is Konstantinopel de staatkundige hoofdstad van het Ottomansche Rijk geweest. Maar van af den dag, dat het een stad mocht heeten, was het bovendien de strategische en economische sleutel tot de Zwarte Zee en hingen er de vrijheid en de economische ontwikkeling van alle volken, die de kustlanden van de Zwarte Zee bewonen, van af. Konstantinopel is de meest cosmopolitische van alle steden. De Turk is er, krachtens veroveringsrecht, meester van, maar dat recht wettigt evenzeer zijn gewapende uitdrijving thans, als zijn bezitverkrijging toen, terwijl men op grond van ruimer overwegingen, met betrekking tot bevolking, gevoelens, traditiën en overblijfselen van het verleden tot de slotsom komen moet, dat Konstantinopel evenzeer moet worden beschouwd als de hoofdstad voor alle Christenvolken van het Oosten. Het is echter niet het uitsluitend bezit van een der oorspronkelijke bewoners, onverschillig of hunne tegenwoordigheid dagteekent van meer verwijderde of betrekkelijk nieuwe data. De belangrijkste wijk van Konstantinopel is Pera, aan de overzijde van den Gouden Horen, dat bewoond wordt door buitenlandsche handelaren, die een gemeenschap vormen, even internationaal van samenstelling als b.v. de handelswereld in de Chineesche “Verdrags-haven” Shanghai. Het leeuwendeel van den transitohandel, waaraan Konstantinopel den rang van wereidhaven dankt, gaat door de handen van deze buitenlandsche ingezetenen. Maar zelfs deze lieden zijn niet aan te merken als de meest belanghebbende partijen, waar het geldt den economischen status van Konstantinopel en van de Straat. Zijn de omstandigheden niet naar
pagina 20
hun zin, dan kunnen zij hunne zaken naar elders
overbrengen. De partijen voor wie de toekomst
van Konstantinopel niets meer of minder is dan een
levensquaestie zijn Rusland en Roemenië, twee
landen, door hun geographische ligging voor altijd
gedwongen om hun zeehandel te drijven over de
Zwarte Zee en door de Straat, die er toegang toe
geeft en daardoor in economisch opzicht aan de
genade overgeleverd van elke andere mogendheid,
in wier handen zich het gezag over de zee-engte
bevindt.
Het Recht op volle Veiligheid
Dit is niet maar een theoretische quaestie. Het
is elk jaar opnieuw een probleem van praktischen
aard voor de nationale huishouding van Rusland en
zet aan Rusland's nationalen handel een karakter
van onzekerheid bij, dat voor haar welvaart uiterst
fnuikend is. Als beheerscher van de Straat bezit de
Turk niet alleen technisch het recht om de Straat
voor de scheepvaart te sluiten, maar hij maakt
van dit recht op een willekeurige wijze gebruik.
In de laatste zes jaren werd de Straat tot driemaal
toe door Turkije gesloten: gedurende haren oorlog
met Italië, gedurende den Balkan-Oorlog en na het uitbreken
van den Europeeschen Oorlog, maar vóór Turkije
zelve aan den strijd deelnam. Het is misschien
mogelijk, de sluiting in elk dezer gevallen als een
door krijgskundige overwegingen geboden maatregel,
om Turkije's staatkundig bezit van deze “territoriale
wateren” te vrijwaren, te verdedigen. Maar
dit aanvoerend, voert men tevens het sterkst mogelijke
argument aan om een onafhankelijk en onverantwoordelijk
gezag niet in het bezit te laten van
een commercieelen zeeweg, de gepaste regeling van
pagina 21
welks gebruik voor de economische welvaart van de Russische en Roemenische natiën onmisbaar is. Zelfs al ware Turkije een welwillend gezind en behoorlijk bestuurde Staat, zou de toestand ondragelijk zijn; zij is echter gedurende de laatste eeuw – daargelaten of dit haar schuld was of niet – vaker dan éénige andere Staat in de wereld in oorlog geweest en hare vijandigheid heeft zich voornamelijk tegen Rusland gekeerd, de mogendheid die er bij het verstoren van het vrij gebruik van de Straat het ergste aan toe is. Het sluiten van de Straat in het laatst aangehaald geval, toen Rusland in oorlog was met Duitschland en dringend behoefte had aan den invoer van benoodigdheden, kan moeilijk anders worden uitgelegd dan als een daad van vijandelijkheid – een voorlooper van den openlijken oorlog die Turkije Rusland een week of wat later aandeed. Dit economisch wapen bij het sluiten van den vrede in Turkije's handen te laten gaat niet aan. Door het sluiten van de Straat in elk gegeven jaar, juist wanneer de oogst in Rusland binnen was en op 't punt stond te worden afgescheept en wanneer de Russische importeurs hunne jaarlijksche inkoopen in het buitenland op krediet hadden gedaan ten bedrage van de geschatte opbrengst van de oogst in de wereldmarkt, kon Turkije Rusland met een financieele crisis bedreigen, die haar aan den rand van een staatsbankroet bracht. Van volle veiligheid en vrije economische ontwikkeling zou dan voor Rusland geen sprake zijn en niet alleen voor Rusland maar voor de heele wereld, want hoe zouden Turkije en hare Duitsche meesters, met zulk een troefkaart in handen, aan de verleiding weerstand kunnen bieden om een economischen “oorlog na den oorlog” op touw te zetten, die Rusland van hen afhankelijk
pagina 22
maken en henzelven in staat stellen zou, die eerzuchtige
plannen tegenover haar te verwezenlijken,
die zij buiten machte waren met geweld van wapenen
ten uitvoer te brengen?
Geen andere Keuze
Het is om deze reden dat, wanneer het tot eene
reorganisatie van Europa, gewaarborgd door een
duurzame regeling, komt, het beheer van de Straat,
zoogoed als het gezag over onderworpen volken,
den Ottomanschen Turk uit de handen moeten
worden genomen, waarmede een ander beginsel der
Gealliëerden zal worden gehuldigd. Toch zullen
onzijdigen, terecht verlangend naar een zoo spoedigen
vrede als met het bereiken der essentieele
doeleinden, waarom het gaat, is overeen te brengen,
geneigd zijn te vragen, of elk doel op zichzelf of
beide doeleinden, van het regelen van het Turksch
beheer onafscheidelijk, niet kunnen worden bereikt
op minder drastische wijze dan door het herzien
van grenzen en het overbrengen van het gezag
over het gebied in quaestie op anderen. Kan de
bevrijding van de onderworpen volken worden tot
stand gebracht, zonder dat aan Turkije's staatkundige
eenheid wordt getornd, b.v. middels een
stelsel van decentralisatie en het verleenen van
plaatselijk zelfbestuur, een stelsel dat onder waarborg
en contrôle der buitenlandsche mogendheden
zou kunnen werken? Geldt het hier, vraagt men
verder, niet juist een zaak, waar omtrent de voornaamste
oorlogvoerenden van weerszijden, met
toevoeging van de Vereenigde Staaten, op minnelijke
wijze met elkaar in overleg zouden kunnen
treden? Het antwoord hierop is, dat dit precies de
oplossing was, waarvoor men zich gedurende de
pagina 23
19de eeuw uitsloofde en dat juist door den tegenwoordigen oorlog aan deze pogingen voor goed een einde werd gemaakt. Gedurende de 19de eeuw stelde het Europeesch Concert Turkije inderdaad onder een soort van curateele. Het Ottomansch tarief van in- en uitvoer werd bij verdrag geregeld, terwijl de douane en andere deelen der inkomsten werden beheerd door een Internationale Administratie van de Ottomansche Schuld, waarin houders van Turksche schuldbrieven waren vertegenwoordigd. Men nam tot onderscheiden proeven met plaatselijk zelfbestuur zijn toevlucht; Kreta en de Libanon genoten zelfbestuur, onder waarborg der Mogendheden; een poging werd gedaan om aan de anarchie in Macedonië, door het Turksch bewind opzettelijk aangestookt, een eind te maken door dat bewind te dwingen, buitenlanders toe te laten als gendarmerie-inspecteurs, met bepaalde spheren van toezicht; er was een belofte van hervormingen in de Armenische Vilayets, aan Turkije op het Internationaal Berlijnsch Congress afgedwongen, waarvan echter niets dan het op papier brengen terecht kwam. Het is ongelukkigerwijs maar al te waar, dat dit vereenigd Europeesch curatorschap hersenschimmig was, dat het faalde, niet alleen in het afschaffen, maar zelfs in het temperen van het regime van uitmoording, dat het Turksch gezag altijd heeft gehuldigd; het is evenzeer een feit, dat de Jong-Turken dezen oorlog hebben benut om deze curateele in haar geheel te verwerpen. Het Britsche volk is niet lichtvaardiglijk of in eigengerechtigheid tot deze oplossing gekomen – het heeft haar stilzwijgend tot de zijne gemaakt door deze Nota te samen met zijne Bondgenooten te onderteekenen. De Engelschen staan op deze twee voorwaarden met betrekking tot eene oplossing van de Turksche quaestie – bevrijding
pagina 24
van de onderworpen volken en de uitdrijving der
Turken uit Europa – omdat zij zoo volkomen overtuigd
zijn, dat zij billijk zijn en er geen andere keuze
overblijft. Deze overtuiging is echter reeds op zichzelf
een pijnlijke erkentenis van te hebben gefaald.
Zij leidt tot de herroeping van een politiek,
waaraan men een eeuw lang hechtte, want gedurende
de geheele negentiende eeuw betoonde zich Groot-Brittannië,
in het bijzonder, een voorstander van de
staatkunde die er op uit was, het Turksche vraagstuk
te regelen zonder aan Turkije's grondgebied te raken,
zij het dan met behulp van een stelsel van toezicht
door het Europeesch Concert uit te oefenen. Voortdurend
bewoog zich de Britsche diplomatie in deze
richting en het vertrouwen van Britsche zijde in deze
politiek was zóó oprecht, dat Groot-Brittannië zestig
jaar geleden in samenwerking met een harer tegenwoordige
bondgenooten een bloedigen strijd voor
hare handhaving aanbond. Indien Engeland zich
thans een overtuigd aanhanger verklaart van een
tegenovergestelde en meer drastische gedragslijn,
is dit niet anders dan het gevoig van het feit, dat het
stelsel van gemeenschappelijk Europeesch toezicht,
na jarenlange proefnemingen, die de oude dwinglandij,
uitmoording en wanhoop slechts bestendigden en
zelfs nog verergerden, door den tegenwoordigen
Oorlog voor altijd onmogenlijk werd gemaakt.
De Turksch-Duitsche Overeenkomst
Het was om zich aan dit toezicht te onttrekken,
dat de Jong-Turken den oorlog, als Duitschland's
trawant, begonnen; aan alle toezicht van buiten-af
komt vanzelf een eind, indien een der Groote Mogendheden
(en in nog sterker mate indien een groep van
twee Groote Mogendheden) buiten den kring der
pagina 25
toezichthouders treedt, alle verantwoordelijkheid
voor de politiek door de Turksche Regeering tegenover
hare onderworpen volken en op de economische
zeewegen, waarover zij gezag heeft, toegepast, van
zich werpt en die Regeering krachtig steunt in haar
terugwijzing van alle recht van interventie van
de zijde van de andere betrokken Mogendheden.
Hierop kwam juist de koop neer, tusschen Duitschland
en de Jong-Turken beklonken, toen Turkije de
Gealliëerden, zonder aanleiding van hun kant, in
October 1914 te lijf ging. De Jong-Turken stelden
al hunne militaire en economische hulpbronnen
tot Duitschland's beschikking. Turksche troepen
(waaronder niet te vergeten de noodige dienstplichtigen
van Turkije's onderworpelingen) zijn thans voor
de Duitsche zaak in de Riga, de Halicz en de Dobrudja
liniën aan het vechten. De uitgestrekte onontgonnen
economische hulpbronnen van het Turksche Rijk
zullen, ingeval van overwinning, zoodra het weer
vrede zal zijn, wagenwijd voor Duitsche ondernemingsgeest
worden opengesteld. Dit zijn concessies, waarvoor
Turkije zich vroeger altijd naijverig wachtte,
ze aan éénige andere Mogendheid te maken en de
prijs die Duitschland ervoor heeft betaald bestaat
uit de waarborg van dit ééne: dat de Jong-Turken
ook in de toekomst in staat zullen worden gesteld, alle
toezicht van buiten-af terug te wijzen en hun politiek
van “verottomanisatie” ongestoord door te voeren.
De vrije Hand om te verottomaniseeren
De Turk heeft niet gedraald om de overeenkomst
van zijn kant na te komen en is niet minder vlug
geweest in het gebruik maken van “de vrije hand”,
hem door Duitschland verleend. In de eerste plaats
verwierpen de Turken de “capitulaties” – een stelsel
pagina 26
van verdragen, op zichzelven niet bijzonder billijk,
maar tot wier naleving Turkije zich dan toch verbonden
had – waarbij de civiele vrijheden van buitenlanders,
in Turkije gevestigd, werden gevrijwaard
tegen de onvolmaaktheden van een Turksche rechtsbedeeling.
Daarna verwierpen zij de tarief-verdragen
om er een eigen tarief van in- en uitvoerrechten – onlangs
gepubliceerd – voor in de plaats te stellen.
Vervolgens verklaarden zij het Hervormings-plan
voor de Armenische Vilayets, dat het Europeesch
Concert hen ten leste had bewogen te ratificeeren,
voor vervallen en ontsloegen de beide Inspecteurs-Generaal,
een Hollander en een Noor, die zijzelven
hadden aangesteld om het plan ten uitvoer te leggen.
Toch waren deze contract-breuken kleinigheden
vergeleken bij de Armenische Deportaties, waarvan
wij de gruwelen hierboven in het kort aanstipten en
waartoe zij wel zorgden niet over te gaan, vóórdat de
Expeditie tegen de Dardanellen was mislukt. 0m het
uitdrijven van alle niet-Turksche elementen uit het
Rijk volledig door te zetten, zijn zij thans bezig te
trachten, zich van de Amerikaansche zendelingen te
ontdoen.
De Campagne tegen de Zendelingen
De houding door de Jong-Turken tegenover
de zendelingen aangenomen bewijst, dat hun
“Nationalisme” hen niet alleen tot misdaad verleid
maar ook stapelgek gemaakt heeft. De Amerikaansche
zendelingen hebben voor meer dan tachtig
jaren in Turkije gearbeid. Hun doel was, den
godsdienstzin in de onderworpen Christenvolken te
bevorderen en hun een verlichte moderne opvoeding
te verschaffen; zij hebben dit doel belangeloos en
met een merkwaardig succes nagestreefd, terwijl zij
pagina 27
hun werk alleen dan tot de Moslermin uitstrekten,
wanneer zij daartoe van die zijde werden aangezocht.
Zij zijn de scheppers van zoo goed als alle secondaire
opleiding, waarop Turkije in onze dagen bogen mag.
Het is vooral het leergierig en vooruitstrevend element
van de bevolking van Turkije, dat onder hun invloed
geraakte en dat van hen een moreele en intellectueele
aansporing ontving, die het in eigen boezem nimmer
zou hebben gevonden. Het opvoedend werk door
de zendelingen verricht had niet onvermeld mogen
blijven onder de pogingen in den loop der 19de eeuw
aangewend om Turkije geleidelijk, door inwendige
verbetering, te hervormen; inderdaad was dit
werk van veel meer invloed en veel meer hoopgevend
voor de toekomst dan het meerendeel van de staatkundige
middelen, met de noodige diplomatische
praal en plichtpleging door het Europeesch Concert
aangewend. Daarbij waren de zendelingen op een
even goeden voet met het Turksch Bestuur als met de
onderworpen volken. Zij bemoeiden zich niet met
de politiek hunner pupillen en hielden er evenmin
politieke bijbedoelingen voor zichzelven op na. Zij
waren de meest kostbare helpers, die de jong-Turken
zich hadden kunnen wenschen in wat zij vóór alles
behoorden te hebben nagestreefd, indien zij hunne
democratische ontboezemingen waren nagekomen.
Bovendien hadden zij van deze helpers minder te
vreezen dan van énig ander.
Instede van dit in te zien, hebben de Jong-Turken,
na het werk der zendelingen te hebben te niet gedaan
door de onderworpen volken, die er voornamelijk
van profiteerden, uit te roeien door ballingschap,
schande en dood te brengen over de knapen en meisjes
in hunne scholen en door de inlandsche meesters,
door de zendelingen voor hun taak bekwaamd, dood
pagina 28
te martelen, ten slotte de Amerikaansche scholen,
colleges en zendingsposten in vele deelen des Rijks
geconfiskeerd en den zendelingen zelven het vuur zoo
na mogelijk aan de schenen gelegd om hen te nopen
het land te verlaten, waarvan zij de weldoeners zijn.
Op 4 April 1916, publiceerde het Turksche blad
Hilal een artikel, waarin een lezing, gehouden door
een lid van den Duitschen Rijksdag, Traub genaamd,
werd geprezen, volgens welk artikel de redenaar zich
zou hebben verklaard “tegen alle zendelingswerk
binnen het gebied van het Turksche Rijk.”
“De opheffing”, schrijft Hilal, “van de scholen
door kerkelijke zendingen opgericht en bestuurd, een
maatregel zich aansluitend bij de afschaffing van het
capitulatie-stelsel, is van niet minder belang. Dank
zij hunnen scholen, waren buitenlanders in staat,
grooten invloed uit te oefenen over 's lands jongelingschap
en zij waren bij slot van rekening de geestelijke
en intellectueele leiders van het vaderland. Door
deze scholen te sluiten heeft het Gouvernement een
einde gemaakt aan een even vernederenden als
gevaarlijken toestand.”
Hier spreekt zich de leer van de verottomanisatie
uit. Zij werd in grover termen geuit door een
Turkschen gendarme, sprekend tot een Deensche
Zuster van het Roode Kruis, die uit hare betrekking
in een hospitaal te Erzindjan was ontslagen omdat
zij tegen de deportaties van Armeniërs protest
aanteekende. “Eerst”, zeide de man, “zullen wij
de Armeniërs over de kling jagen, dan de Grieken en
daarna de Koerden”. “Hij zou er zeker”, merkt de
Deensche dame op, “graag aan hebben toegevoegd:
en daarna de buitenlanders!”*
* Zie het officieel Britsch verslag: “The Treatment of Armenians in the Ottoman Empire.” (Misc. 31, 1916).
pagina 29
Het Turksch-Duitsch Verbond
Zonder den moreelen en militairen steun van
Duitschland zouden de Jong-Turken nimmer in
staat zijn geweest, deze campagne van verdelging van
alle goede elementen in de landen en onder de volken
onder hun gezag zoover te drijven als zij doen. Het
is echter niet bloot toeval alleen, dat er toe leidde,
dat Turken en Duitschers elkaar in dit werk der
schande zóó wel zouden verstaan.
Bij het nastreven harer eerzuchtige doeleinden
heeft Pruisen kostbare instrumenten gevonden in
het Habsburgsche en in het Ottomansche Rijk. Deze
Staten zouden in een vrij, democratisch Europa
anachronismen zijn en bestemd, werd aan de normale
ontwikkeling der wereld niets in den weg gelegd,
zich te vervormen in vrijwillige bondgenootschappen
dan wel zich op te lossen in de volks-eenheden, die
er thans de elementen van uitmaken. Maar noch
federatie noch oplossing was van de gading van
de tyrannieke minderheid die elk dezer Rijken, ter
bereiking van haar eigen zelfzuchtige oogmerken, tot
dusver hebben beheerscht en gexploiteerd. In het
Habsburgsche Rijk zijn de verdorven Magyaarsche
aristocraten, die Hongarije beheerschen en door
Hongarije het heele Rijk, de dwingelanden. In het
Ottomansche Rijk zijn het de Jong-Turken, een
geheim eedgenootschap, waarvan het centraal gezag
in Konstantinopel zetelt en dat vertakkingen heeft in
het binnenland, terwijl hun een bende vunzige gelukzoekers
als stroomannen dient om den schijn van een
democratisch bewind te helpen ophouden.
De Jong-Turken en de Magyaarsche oligarchie
zagen in, dat de steun van Pruisen en deze alleen hun
dwinglandij kon beschermen tegen den drang der
pagina 30
Democratie in Europa. De Pruisen begrepen, dat de
Turken en Magyaren hun 70.000.000 menschen konden
leveren om daaruit hun “kanonnen-voer” te trekken,
boven en behalve de 70.000.000 Duitschers, Polen,
Elzassers en Denen, bereids tot dat doel beschikbaar.
Deze extra 70.000.000 schenen hun de heerschappij
der wereld te beloven. De zaak werd beklonken en
zoo werd de Oorlog begonnen, waaronder de heele
wereld thans zucht en waaronder zij zal voortgaan
te zuchten, zal de Vrijheid niet ondergaan en aan het
kwaad sinds eeuwen opgetast niet verder paal en
perk worden gesteld.
Er bestaat geen uitzicht op terugkeer tot den
status quo vóór Augustus 1914 – in de eerste plaats,
omdat de status quo, onder den Turk, op zichzelf
niets anders was dan het laten voortduren van een
verdrukking en een ellende, die der beschaafde wereld
tot oneer strekten en die reeds lang geëindigd had
moeten zijn; in de tweede plaats, omdat de
stand van zaken gedurende den Oorlog oneindig
erger was gemaakt dan hij vóór den Oorlog was. Elk
element ten goede dat onder Turksch bestuur was
staande gebleven en een systeem, in zichzelf te
bedorven om voort te bestaan, minder ondragelijk
had gemaakt, wordt thans uitgeroeid, door middel
van deportatie, afpersing, roof en moord. Het kwaad
heeft zich van alle goed ontdaan. Aan de Turksche
dwinglandij is, dank zij het verbond met Duitschland,
een onnatuurlijk leven ingeblazen en de Centrale
Bondgenooten droomen er van de klok in Zuid-Oostelijk
Europa een volle eeuw terug te zetten. Door
een der Balkan Staten tot een bondgenootschap
te verleiden door hem te paaien met het vooruitzicht,
de overigen te kunnen berooven, hopen zij den
vrijheidsdrang in den Balkan geheel uit te roeien en
pagina 31
voor het Militarisme het terrein te herwinnen, dat de
negentiende eeuw hier voor de Democratie won, om er
een brug over te bouwen, door middel waarvan drie
tyrannieke volken, de Pruis, de Magyaar en de Turk,
elkaar de hand zullen kunnen reiken in het onderdrukken
en uitroeien, zonder inmenging van elders,
van een aantal kleinere en zwakkere volken, van de
Elzas tot Roemenië en van Sleeswijk tot Bagdad.
Het is niet een quaestie van verbeteren van den
status quo. De status quo in Turkije, die voorheen
reeds onverbeterlijk bleek, wordt ijverig omgezet in
iets dat nog oneindig erger is en dit gebeurt, achter
het bolwerk van het Militarisme, in het aangezicht
der beschaafde wereld.
Het Antwoord der Geallieerden
Ziehier dan de redenen, waarom de Geallieerden
drastisch zijn in hunne eischen, maar dit wordt
bovendien verklaard uit het feit, dat zij niet behoeven
te schroomen, ze vóór de wereld bloot te leggen.
Duitschland dat niet, zooals de Gealliëerden wel
deden, op President Wilson's verzoek ingingen, omdat
zij zich voor hare oogmerken schaamt en voor de
ontvangst ervan, door alle vrije, democratische volken
der beschaafde wereld, terugdeinst, zal zonder twijfel
trachten, alle mogelijke munt, waarop zij maar komen
kan, uit het meer open en rechtschapen bescheid der
Gealliëerden te slaan. Op zulke listige kunstgrepen
voorbereid, heeft men het wenschelijk geacht, “de
bloedige overheersching van den Turk”, zoowel
gedurende den oorlog als eeuwen daarvóór, te schetsen,
het aan den lezer overlatend, er het zijne van te
denken.
pagina 32




