Terug naar de vorige pagina 

Nieuwe Rotterdamsche Courant, 26 mei 1917
Bron: Koninklijke Bibliotheek

De vernietiging van een volk

Eenigen tijd geleden hebben wij melding gemaakt van een door een Amerikaansch comité tot ondersteuning van de Armeniërs en Syriërs gepubliceerd rapport van een ooggetuige over de gruwelijke lotgevallen van de naar het noorden van Syrië en Arabië verbannen Armeensche bevolking. Verschillende uitvoerige relazen over de Turksche vervolgingen van de Armeniërs, welke nu voor ons liggen en welke voor het meerendeel door Duitsche ooggetuigen zijn opgesteld, laten weinig twijfel aangaande de juistheid van de van andere dan van Turksche zijde ontvangen berichten en den omvang van het vreeselijke lot, dat het ongelukkige Armeniaanse volk heeft getroffen.

Deze Duitschers, ongetwijfeld bewogen door deernis met hun christelijke geloofsgenoten, maar van politieke vooringenomenheid tegen den Turksche bondgenoot toch niet te verdenken, hebben dan ook de openbare meening in Duitschland, eenzijdig voorgelicht door de in de Duitsche bladen opgenomen Turksche communiqué's, van de ware toedracht op de hoogte trachten te brengen. Diep gewond in hun menselijkheidsgevoel, spreken zij van de slachtingen, tegen welke zij de tusschenkomst van de Duitsche regeering inroepen. "Het schijnt ons onze plicht", schrijven o.a. de onderwijzers aan de Duitsche school te Allepo, "de opmerkzaamheid van het (Duitsche) ministerie van buitenlandsche zaken er op te vestigen, dat aan onzen schoolarbeid de zedelijke grondslag en de achting bij de inboorlingen zouden ontzinken, indien de Duitsche regeering inderdaad niet in staat zou zijn, de geweldplegingen te verzachten, waarmede hier tegen de verbannen vrouwen en kinderen van gedoode Armeniërs wordt opgetreden."

"In 't aangezicht van de tooneelen der verschrikking, die zich dagelijks bij ons schoolgebouw onder onze oogen afspelen, is onze schoolarbeid tot een hoon van ons menschelijk gevoel geworden. Hoe zouden wij onderwijzers "Sneeuwwitje en de zeven dwergen" met onze Armeniaansche kinderen lezen, hoe moeten wij verbuigen en vervoegen, wanneer op de plaatsen tegenover en naast ons schoolgebouw de dood onder de verhongerende stamgenoten, onzer leerlingen zijn zeis zwaait: meisjes, knapen, vrouwen, bijna naakt op den grond liggend en anderen, die tusschen de aan het lijden reeds bezwekenen en de gereed staande doodskisten hun laatsten adem uitblazen."

"40-50 geraamten blijven er over, wanneer 2000-3000 gezonde boerenvrouwen uit Boven-Armenië hier naar het laagland worden gedreven. De schoonen decimeert de zinnelijke lust der bewakers. De leelijken vallen onder de stokslagen, den honger en den dorst, want aan den oever van het water laat men de dorstenden niet drinken. Aan Europeanen, die brood onder de hongerden wilden uitdeeelen, wordt zulks geweigerd. Meer dan honderd lijken van verhongerden draagt men dagelijks uit Allepo."

In het Novembernummer van 1915 van het Allgemeine Missions-Zeitschrift leest men van de meest weerzinwekkende moordtooneelen onder de uit hun dorpen weggevoerde Armeniërs, meerendeels vrouwen en kinderen – daar de mannen in den oorlog zijn – saamgebonden van de hooge oevers van den Euphraat in de rivier gestort, in putten geworpen en erger.

Het Zwitschers comité voor Armenië heeft ten bate van de aan de ongelukkigen te verleenen geldelijke hulp verschillende geschriften uitgegeven, waarin het nameloos lijden der Armeniërs beschreven wordt, ook door Duitschers uit onderwijs- en zendingskringen.

In een ander Duitsch boekje, met de geheele voorgeschiedenis omtrent de aanleidingen tot de uitroeiing der Armeniërs, vinden wij vermeld, dat van het, volgens de statistiek van het patriarchaat, in Turkije levende aantal van 1,845,450 Armeniërs er niet minder dan 1,396,350 verbannen of gedood zijn, gevlucht 244,400, gespaard bleven 204,700. Door de deportatie werden getroffen alle door Armeniërs bewoonde wilajets in het oosten en westen van Klein-Azië, Cilicië en Mesapotamië. Verschoond bleven, behalve Konstantinopel, Bagdad en Jeruzalem, slechts het wilajet Aidin met Smyrna. Aan de deportatie ontsnapten de Armeniërs van het wilajet Wan en de aangrenzende districten, die voorzooveel zij niet door de Koerden gedood zijn, deels over de grens vluchtten, deels door de Russen uit hun woonplaatsen gevoerd werden. Voor gespaard kunnen ook worden gehouden de gezinnen, die zich onder den druk door overgang tot den Islam aan de deportatie onttrokken hebben en de tallooze meisjes, jonge vrouwen en kinderen, die voor Turksche harems verkocht of naar de dorpen der Koerden gevoerd zijn.

Ten hoogste een derde der bevolking zal naar schatting door vlucht, islamiseering of doordat zij in haar woonplaatsen is gelaten, aan de deportatie ontkomen zijn. In de Oostelijke provincies werden de deportaties meestal door stelselmatige moordpartijen vergezeld, waarbij hoofdzakelijk de mannelijke bevolking, voor een niet gering deel ook vrouwen en kinderen, omkwamen.

Van officiëel Turksche zijde – zoo wordt verder in dit Duitsche geschrift medegedeeld – is het aantal gedoode Armeniërs op 300,000 aangegeven. Rekent men daarbij, wat van de scharen der gedeporteerden onderweg en aan de bestemming door honger en ziekte is omgekomen, dan moet het verlies aan menschenlevens veel hooger geschat worden.

De Turksche regeering heeft den maatregel gekenschetst als een "kolonisatie van onder verdenking staande gezinnen in Mesopotamië". Een kolonisatie zou vorderen, dat den gedeporteerden land, huizen, vee, landbouwwerktuigen, zaaigoed enz. toegewezen waren. Niets van dat alles is gebeurd.

Voor het onderhoud der onteigende en in het leven gebleven Armeniërs wordt, op enkele uitzonderingen na, niet gezorgd, zoodat zij op de bedelarij zijn aangewezen en in groeiende getale door honger en ziekte gedecimeerd worden. Daar 80 pct. van het Armeensche volk tot den landbouwenden stand behoorde, blijft een aanmerkelijk deel van het anders bebouwde gebied van Turkije braak liggen, zoodat ook de Mohammendaansche bevolking dezer streken door hongersnood bedreigd wordt.

Gregorianen, katholieken en protestanten werden in dezelfde mate getroffen. De organisatie der kerken is vernield. Aan het Armeniaansche patriarchaat werd de geestelijke verzorging van de gedeporteerden niet vergund. Meer dan 1000 kerken staan leeg. Zij worden, zoo niet voor wereldsche doeleinden gebruikt, in moskeeën veranderd of aan verval prijsgegeven.

Het bloeiende schoolwezen van het Armeensche volk, dat meer dan 120,000 leerlingen der volksschool telde, terwijl het aantal leerlingen in de Turksche regeeringsvolkssscholen volgens de officieele statistiek slechts 212,060 bedraagt, is vernietigd. Zelfs de gezinnen heeft men uit elkaar gereten, de maanen van de vrouwen, de kinderen van de ouders.

De moreele gevolgen van de Armeensche menschenslachtingen en deportaties – aan het woord is nog steeds altijd dezelfde Duitscher – zullen eerst na den oorlog merkbaar worden. De wereld zal er zich niet van laten overtuigen, dat militaire overwegingen de verbanning van een half miljoen vrouwen en kinderen, massale bekeeringen tot den Islam en de vernietiging van honderduizenden weerloozen hebben geëischt. De politieke leiders van het Armeensche volk hadden zich niet alleen onthouden van alle deloyale handelingen tegenover de Turksche regeering, doch sedert de totstandkoming der Constitutie de aan het bewind zijnde Jong-Turksche partij gesteund. De oorzaak moet dan ook alleen in de panislamitische tendenzen der tegenwoordige Turksche regeering gezocht worden.

Behalve een uitvoerige beschrijving van den omvang der deportaties en van de gepleegde menschonteerende daden, behandelt de schrijver ook de schuldvraag tot in bijzonderheden. Daarbij herinnert hij aan het hervormingsprogram, dat de Porte in 1914 van de groote mogendheden had moeten aanvaarden en de benoeming dientengevolge van twee inspecteur-generaals, den Hollander Westenenk en den Noor Hoff, die bij het uitbreken van den oorlog op het punt waren hun ambt te aanvaarden. "Hoff bevond zich reeds in Wan. Direct na het uitbreken van den Europeeschen oorlog herriep de Porte het hervormingsprogram en zond de inspecteur-genraals weer naar huis. Een onvergeeflijke fout. Waren de inspecteur-generaals in het land gebleven, zoo hadden de gebeurtenissen, welke tot het verlies van Wan" (aan de Russen) "leidden, kunnen worden verhoed en het vertrouwen van het Armeensche volk in de oprechtheid der hervormingsoogmerken ware niet ondermijnd"

Er wordt hier een verslag gedaan van een gesprek met Talaat bei (nu Talaat pasja en grootvizier) met den Armeenschen afgevaardigde voor Erzeroem, waarbij Talaat het volgende moet gezegd hebben: "In de dagen van onze zwakte" (na de verovering van Adrianopel! zet de schrijver hier met een uitroepingsteken achter) "zijt gij ons naar de keel gevlogen en hebt gij de Armeensche hervormingskwestie opgeworpen. Daarom zullen wij de gunstige positie, waarin wij nu verkeeren, gebruiken om uw volk dermate te verstrooien, dat gij u voor vijftig jaren de gedachte aan hervormingen uit het hoofd zet!" – "Dus," antwoordden de Armeniër, "is men voornemens het werk van Abdoel Hamid voort te zetten?" – "Ja," antwoordde Talaat.

In het centralistische en nationalistische Jong-Turksche Comité worden alle op decentralisatie en zelfbestuur gerichte pogingen, ook van Mohammedaansche niet-Turksche rassen, voor landverraad aangezien. De toenmalige grootvizier Said Halim pasja, de voorzitter der kamer Halil bei en de sjeich-ool-islam waren volgens dezen zegsman tegen de deportatie gekant. Daar Talaat zijn almachtigen invloed voor den vernietigingsmaatregel aanwendde, werd daartoe echter sedert 21 April 1915 besloten. De tegenstand van de gouverneurs in het binnenland heeft de uitvoering in eenige wilajets slechts enkele weken vertraagd.

Dit zijn slechts enkele grepen, welke wij omtrent de hoofdfeiten uit deze geschriften met hun sinistere bijzonderheden hebben gedaan.

Colofon