Geschiedenis

Terug naar geschiedenis

Nederland en de Armeense kwestie
Door Edwin Ruis

De Armeense genocide is een terugkerend onderwerp in de Nederlandse politiek. Erken-
ning, ontkenning en bagatellisering vinden plaats al naar gelang de belangen of achter-
gronden van politici. Die belangen hebben te maken met de Nederlandse relatie met Turkije. Ten tijde van de Armeense genocide zelf was het niet anders.


De Armeense genocide vond plaats onder dekking van een van de grootste conflicten uit de geschie-
denis van de mensheid: de Eerste Wereldoorlog. De positie die landen innamen ten opzichte van de Armeense genocide, hing sterk samen met hun positie in deze oorlog. De internationale verhoudingen waren bepalend. Nederland was geen grootmacht; het speelde de tweede viool in het concert van Europa. Verder zat Nederland klem tussen haar belangrijkste buren en handelspartners Duitsland en Groot-BrittanniŽ, de superpowers van die tijd. De belangen die hieruit voortvloeiden dicteerden het Nederlandse buitenlandse beleid, dat vooral bestond uit het te vriend houden van beide partijen. Daarom hechtte men veel waarde aan neutraliteit. Door deze neutraliteit was Nederland vlak voor
de oorlog betrokken geraakt bij de Armeense kwestie.

In februari 1914 ging het door de Jong-Turkse militaire junta geregeerde Osmaanse Rijk akkoord met een regeling, waarbij twee buitenlandse inspecteurs-generaal wer-
den aangesteld om toe te zien op hervormingen in de oostelijke provincies waar veel ArmeniŽrs woonden. De hervormingen moesten leiden tot een betere bescherming
van ArmeniŽrs tegen geweld van Koerdische en Circassische bendes, alsmede tot een beperkte vorm van provinciaal zelfbestuur. Nederland werd door de internationale gemeenschap gevraagd een kandidaat voor de positie van inspecteur-generaal te leveren. In april 1914 werd de Nederlands-Indische assistent-resident L.C. Westenenk door de Turkse regering benoemd, samen met een Noorse kandidaat. Westenenk kwam in dienst van het Osmaanse Rijk zelf en had nauwelijks bevoegdheden. Door het uitbreken van de oorlog begin augustus was zijn rol snel uitgespeeld. De Osmanen hadden er nooit belang bij gehad en Europa was met zichzelf bezig. In september keerde Westenenk terug naar Nederland. De hervormingen zijn nooit ten uitvoer gebracht. Na de Armeense genocide was dit ook niet meer nodig.

Terwijl neutrale landen als de Verenigde Staten (tot 1917) en Zwitserland zich actief opstelden in
de hulpverlening aan vervolgde ArmeniŽrs, hield Nederland zich afzijdig, met uitzondering van een geldinzamelingsactie door een in 1917 opgericht Nederlandsch Comitť tot hulpbetoon aan de nood-
lijdende ArmeniŽrs
. Osmaanse christenen die de Nederlandse ambassade om hulp vroegen, werden doorverwezen naar de Amerikanen. Deze afzijdigheid had niets te maken met desinteresse voor een ver van ons bed probleem, want in andere gevallen, zoals de vredesoperatie van 1912 in AlbaniŽ, was Nederland er wel bij. De Armeense Kwestie echter werd bewust zoveel mogelijk vermeden. Tijdens de Eerste Vredesconferentie van Den Haag in 1899 had de politie nog een Armeense schrijver verboden te spreken over het lot van zijn volk, waarna hij onder hoede van de populaire politicus Abraham Kuyper in Amsterdam alsnog zijn verhaal mocht doen. De Nederlandse onwil om al te zeer bij de Armeense Kwestie betrokken te raken, was onderdeel van een politiek die er op was gericht om bevriend met het Osmaanse Rijk te blijven. En dat had alles te maken met de politieke stabiliteit van Nederlands-IndiŽ.

Nederland overheerste een groot koloniaal rijk in de vorm van Nederlands-IndiŽ, waarin islam de belangrijkste godsdienst was. De Europese buren waren ook aanwezig: de Britten in Malakka en Borneo, de Duitsers in Papoea Nieuw-Guinea en MicronesiŽ. Maar ook de Turken speelden een be-
langrijke rol in IndiŽ. Het Osmaanse sultanaat onderhield van oudsher contacten met het opstandige sultanaat Atjeh. Dat had in de zestiende eeuw een beroep gedaan op de Turkse sultan-kalief voor bijstand in de strijd tegen de Portugezen. De sultans van Atjeh legitimeerden hun regime met islamitische symboliek, ideeŽn en rituelen en voerden heilige oorlog of jihad tegen de koloniale bezetters. De contacten tussen Atjeh en het Osmaanse Rijk bleven bestaan in de Nederlandse tijd en leidden tot de aanwezigheid van Osmaanse islamgeleerden in Nederlands-IndiŽ. In 1914 was het nog maar tien jaar geleden dat het KNIL onder generaal Van Heutsz een langdurige opstand in Atjeh had bedwongen. Islam was veruit de grootste religie in de Gordel van Smaragd en veel IndiŽrs maakten de hadj, de verplichte bedevaart voor wie het betalen kan, naar Mekka, dat in het Osmaanse Rijk lag. En de heerser van dit rijk claimde ook kalief te zijn, opvolger van de profeet Mohammed en leider van de moslims.

Sultan-kalief AbdŁl Hamid II, die regeerde van 1876 tot 1909, had een panislamitische beweging opgezet die in de eerste plaats was bedoeld om de interne orde binnen het rijk te handhaven. Maar daarnaast was ze ook bruikbaar in buitenlandse aangelegenheden, vooral voor het verwerven van steun onder islamitische onderdanen van Europese koloniale rijken. Ook leidde men jonge moslims op van buiten het rijk. In 1906 verscheen er in de NRC het bericht dat Arabisch-Javaanse jongens werden opgeleid aan de Turkse militaire academie. Ze waren geworven door de Turkse consul-generaal, die beloofde zich te zullen inzetten voor gelijkschakeling van Arabieren aan Europeanen in het raciaal onderverdeelde Nederlands-IndiŽ. En in 1907 bracht de broer van de sultan van Koetei, Pangeran Sasronegoro, een bezoek aan Istanboel. Koetei was een autonoom islamitisch staatje op Borneo. Sasronegoro had aan de koloniale autoriteiten geen toestemming gevraagd voor zijn bezoek en laadde daarmee de verdenking op zich bezig te zijn met dubieuze politieke activiteiten.

Een man die als geen ander was doordrongen van het belang een luisterend oor aan de deur van de sultan-kalief te houden, was de Leidse arabist prof. Christiaan Snouck Hurgronje. Snouck gold internationaal als een groot expert op het gebied van islam, omdat hij een van de weinige westerlingen was die de hadj in Mekka had meegemaakt. Snouck had zich tot moslim bekeerd, maar bleef kritisch ten opzichte van bepaalde aspecten van het islamitisch geloof. Het was dan ook Snouck die bij de regering bleef hameren op het potentiŽle gevaar van Osmaans panislamisme voor de stabiliteit van Nederlands-IndiŽ, of wat hij noemde "het gevaar der groene vlag". Volgens Snouck aanvaardden de islamitische zelfbesturen in IndiŽ onterecht de pretentie van de Turkse sultan de kalief te zijn. Door het aanknopen van directe betrekkingen met de sultan hoopten zij voordeel te behalen in hun positie ten opzichte van Nederland. Turkse diplomaten in landen met islamitische onderdanen versterkten het idee dat de sultan-kalief slechts wachtte op de juiste gelegenheid om zijn gezag en invloed daar te doen gelden. Toen het Osmaanse Rijk in 1914 de kant van Duitsland koos en de sultan-kalief, mede op aandringen van de Duitsers, de jihad uitriep tegen de Triple Entente, leek dat moment gekomen.

Met het uitroepen van de jihad vroeg de regering zich af wat het risico was dat dit tot een algehele oorlog van islam tegen christendom zou leiden. In november 1914 verscheen een pamflet, waarin de Javaanse moslims werden opgeroepen in opstand te komen tegen hun ongelovige onderdrukkers, de "halfbeschaafde" Hollanders. Nederland werd in ťťn adem genoemd met andere koloniale rijken, waarin moslims woonden. Voor Snouck Hurgronje was dit reden om via zijn Duitse connecties stevig aan de bel te trekken, waarna de Turken en de Duitsers het als "een fout" bestempelden. Er was Nederland veel aan gelegen om Duitsland er van te doordringen dat zij de islamitische kaart niet te hard moest spelen.

Het gevaar zat voor Snouck niet in het uitroepen van jihad door de sultan-kalief, want iedere oorlog die het Osmaanse Rijk voerde was technisch gezien jihad. Maar door een overschatting van de invloed die de sultan kon doen gelden binnen de islamitische wereld, verkreeg hij juist invloed. Hierdoor kon hij de verhoudingen tussen Europese machten en hun islamitische onderdanen verstoren en op lokaal niveau voor onrust zorgen, met name binnen die koloniale mogendheden, die zelf de sultan teveel macht toedichtten. Zo verscheen er in het Arabische dagblad Mudafa'a van 23 april 1916 een artikel, waarin de versoepelde opstelling van Frankrijk ten opzichte van haar islamitische koloniale onderdanen als een teken van vrees voor het panislamisme en de kracht van het Osmaanse Rijk werd gezien.

De Nederlandse gezant in Istanboel Van der Does de Willebois kreeg zijn informatie vooral van Duitse diplomaten en militairen, waarmee hij goede contacten onderhield. In december 1914 rapporteerde de gezant dat de jihad een fiasco was. De steun die Turkije ontving, had het naar zijn inschatting toch wel ontvangen, waardoor de heilige oorlog als middel veel van zijn dreiging had verloren. De Osmanen hadden hun invloed over de internationale moslimgemeenschap overschat, al betekende dat niet dat die invloed er niet was of ongevaarlijk was. Daarom nam Den Haag het zekere voor het onzekere en hadden goede verhoudingen met de Turken voorrang boven bemoeienis met het lot van de ArmeniŽrs. Men nam daarbij geen enkel risico en mengde zich niet in binnenlandse aangelegenheden van het rijk. In september 1915 stelde de gezant Den Haag officieel op de hoogte van de Armeense volkerenmoord in een uitgebreid rapport aan de minister van buitenlandse zaken, John Loudon.

Sinds de opening van het Suezkanaal in 1869 was het de belangrijkste route naar AziŽ voor de Europese koloniale mogendheden. Het Suezkanaal had de reis naar IndiŽ verkort van vijf maanden naar ťťn maand. Het was al snel duidelijk dat het Suezkanaal in 1914 geen neutrale zone zou blijven. De Britten confisqueerden Duitse schepen en sloten het kanaal voor schepen van de Centralen. Door Duitse successen aan het westelijke front zagen de Britten zich gedwongen hun troepen uit Egypte te verplaatsen naar Europa. Hierdoor konden ze alleen de westelijke oever van het kanaal militair controleren. Dit lijkt lichtzinnig, maar de eerste drie maanden van de oorlog was het voor de buitenwereld nog helemaal niet duidelijk wat de Turken zouden gaan doen: het Osmaanse Rijk had goede banden met Engeland en de burgerlijke elite was francofiel. Officieel was het Osmaanse Rijk nog steeds neutraal, maar in het geheim was er al op 2 augustus een bondgenootschap met de Duitsers gesloten, ťťn dag voor het uitbreken van de oorlog.

De oorlogshandelingen rond Suez hadden voor Nederland in eerste instantie het positieve effect dat de scheepvaart toenam door het wegvallen van de Duitse concurrentie. Nederland was tijdens de Eerste Wereldoorlog de op twee na grootste gebruiker van het kanaal gemeten naar tonnage. Ook leidde het wegvallen van de Duitse suikerbietenexport tot een stijgende vraag naar suikerriet uit Java. In december 1915 echter verlegde de Rotterdamsche Lloyd als eerste Nederlandse rederij haar route naar de Kaap, omdat de Britten geen steenkolen meer leverden aan schepen uit landen die handelden met Duitsland. Toen het Suezkanaal toenemend onveilig werd door Duitse aanvallen, luchtbombardementen, U-boten en zeemijnen, voeren de Nederlandse koopvaardijschepen via de Kaap en het Panamakanaal. Gedurende de periode 1915-1916 was het niet denkbeeldig dat de Duitsers het Suezkanaal in handen zouden krijgen, vooral ook als ze in Europa militaire successen zouden boeken en er in Egypte alsnog pro-Osmaanse opstanden onder moslims zouden uitbreken. Nederland moest daarom naast de Britten en de Duitsers ook om deze reden de Osmanen te vriend houden.

In tegenstelling tot de V.S. en Zwitserland hield Nederland zich als neutraal land ten tijde van de Armeense genocide alleen bezig met zijn eigen besognes. Nederlands-IndiŽ speelde een bepalende rol in de Nederlandse houding ten opzichte van het Osmaanse Rijk. Het neutrale Nederland nam een kwetsbare positie in tussen de twee belangrijkste tegenstanders in de Eerste Wereldoorlog, Groot-BrittanniŽ en Duitsland. Beide landen grensden met hun eigen kolonies aan IndiŽ en beheersten ook de belangrijkste vaarroutes er naar toe. Groot-BrittanniŽ controleerde het Suezkanaal en de Kaap. Duitsland en het Osmaanse Rijk zouden het Suezkanaal wel eens in de toekomst kunnen gaan beheersen. Maar daarnaast was het vooral de angst voor het "gevaar der groene vlag" dat de Nederlandse buitenlandse politiek ten aanzien van het Osmaanse sultanaat-kalifaat bepaalde. Men ging iedere religieuze kwestie binnen het Osmaanse Rijk uit de weg, vanwege de mogelijke onrust die dat kon veroorzaken bij zijn miljoenen islamitische onderdanen in Nederlands-IndiŽ. De Armeense genocide was zo'n religieuze kwestie en dat leidde tot een bewust negeren van het lot van de christelijke ArmeniŽrs.

Edwin Ruis MA is historicus


Dit artikel is ook beschikbaar als pdf

Website Edwin Ruis


Terug naar geschiedenis
Naar boven