Rapport van 1 september 1915 van de Nederlandse gezant

Gezantschap der Nederlanden

Pera, 1 September 1915
[gestempeld met: Exh: 6 Oct. 1915, Kabt. No. 7, heeft op o.a. gestaan 6 Oct. 1915, heeft gecirculeerd bij H.M. Ministers]

Nº 914/302

Armenische gruwelen, enz.

Zijner Excellentie den Minister van Buitenlandsche Zaken te 's-Gravenhage.

Onder de personen die mij gisteren bij gelegenheid van Hr. Ms. verjaardag hunne gelukwenschen kwamen aanbieden bevond zich ook, uit naam van den Patriarch, de Vicaris Generaal van het orthodox Armenisch Patriarchaat. Veel was mij reeds ter oore gekomen omtrent de vervolgingen der Armeniërs, doch wat mij door dezen hoogen geestelijken waardigheids bekleeder werd medegedeeld gaat alle beschrijving te boven. Men kan zeggen dat het Armenisch vraagstuk is opgelost in overeenstemming met het beruchte “la tranquilité regne à Varsovie”. Ingevolge de op het Patriarchaat ontvangen berichten bevindt zich in de Armenische vilayets in Azië geen enkel Armeniër meer, en schat men, dat ten gevolge van moorderijen op groote schaal en vlucht waar dit mogelijk was, de Armenische bevolking van Turkije, die twee millioen bedroeg tot één millioen is samengesmolten, hoofdzakelijk vrouwen en jeugdige kinderen. De moorderijen zouden zijn en worden uitgevoerd door gendarmerie of wel door Kurdenbenden onder leiding evenwel van gendarmen. De mannen worden buiten de dorpen verzameld en daar omgebracht, de jonge vrouwen en huwbare meisjes verkracht en geroofd, de overige vrouwen en kinderen naar andere gewesten, dikwerf in de woestijn, getransporteerd, waar velen verhongeren. Twee bisschoppen werden omgebracht; de een opgehangen, op welke wijze de andere om het leven was gekomen was niet bekend. Opvallend was het voor mij, dat zelfs een ontwikkeld man als de Vicaris Generaal niet wil geloven, dat van Duitsche zijde iets werd gedaan om een einde aan de gruweldaden te maken. “Als de Duitsche Ambassadeur krachtdadig was opgetreden, dan waren die gruweldaden onmogelijk geweest, althans spoedig gestaakt”. Zeker heeft Duitschland – gelijk ik reeds vroeger opmerkte en mij ook niet heb onthouden te zijner tijde aan Baron von Wangenheim als mijne meening te kennen te geven – eene groote verantwoordelijkheid op zich geladen, die men geloof ik te Berlijn nog niet ten volle inziet, door de wijze waarop de Mogendheid het Turksche chauvinisme en de panislamitische beweging heeft aangevuurd en hartstochten heeft opgezweept, die zij thans niet meer in toom kan houden. Onzinnig echter is het Duitschland voor elke uitspatting in het bijzonder verantwoordelijk te stellen. Met name heeft de Duitsche Ambassade met betrekking tot de vervolging der Armeniërs zoowel mondeling als schriftelijk de scherpste vertoogen tot de Porte gericht, Waarmede deze, gemet menig andere, evenwel geen rekening heeft gehouden en die zij met toezeggingen beantwoordde, die nooit gehouden zijn.

Op eene betrekkelijke vraag antwoordde mij de Vicaris Generaal dat in den aanvang door de locale overheden geen onderscheid werd gemaakt tusschen de orthodoxe en katholieke, alsook protestante Armeniërs, doch dat in de laatste dagen tengevolge van demarches de Duitsche en Oostenrijksche Ambassadeurs de beide laatste catagorieën in rust worden gelaten. Dit werd mij eenige oogenblikken later bevestigd door den Vertegenwoordiger van den Heiligen Stoel, die mij eveneens kwam gelukwenschen. Zoals ik echter later vernam, bevond zich, toen mij deze verzekering werd gegeven, de katholiek-Armenische locumtenens bij den Duitschen Ambassadeur om hem mede te deelen, dat de vervolging zijner gemeenten op nieuw had begonnen, waarop de Ambassadeur zich onmiddelijk naar Talaat Bey heeft begeven, die hem wederom de plechtige verzekering gaf een einde aan de uitspattingen te zullen maken.

Bij gelegenheid van diens felicitatiebezoek in den namiddag deelde ik Prins Hohenlohe mede, wat ik van de Vikaris Generaal had vernomen, daarbij voegende dat, naar mij voorkwam, deze toch moest hebben overdreven. De Ambassadeur antwoordde mij, dat het uiterst moeielijk was zekerheid omtrent de bijzonderheden van alles wat in de Armenische vilyets plaats vindt te verkrijgen, doch dat hij mij niet de verzekering durfde te geven, dat de Vikaris Generaal zich aan overdrijving had schuldig gemaakt. Ik merkte op dat het hem wel niets nieuws was, dat de openbare meening hier voor alle uitspattingen aan Duitschland toeschrijft, meer bepaaldelijk ook die Mogendheid beschuldigt, zich het lot der Armeniërs niet te hebben aangetrokken, terwijl slechts in een zeer kleinen kring de protesten der Ambassade bekend zijn, daarbij voegende dat het mij verwonderde, dat van Duitsche zijde niets gedaan werd om daaraan meerdere bekendheid te geven, daar toch de aan Duitschland toegedichte houding in deze niet alleen een ernstig moreel wapen in handen zijner tegenstanders zal kunnen zijn maar mijns inziens ook de Porte op het oogenblik dat het haar past, zich geenszins zoude geneeren vol te houden, dat de verdrijving der Armeniërs uit hunne woonplaatsen en de daarmede gepaarde gruwelen onder den druk van Duitschland hebben plaats gevonden. Ik merk hierbij op dat bij de uitspattingen in de Armenische vilayets Turksche officieren alreeds hebben beweerd de bevelen der Duitsche militaire missie uit te voeren. Prins Hohenlohe antwoordde mij, dat ik in mijne opmerkingen volkomen gelijk had en dat hij juist bezig was het noodige voor te bereiden opdat Duitschlands houding in deze boven allen twijfel zoude zijn verheven. Op welke wijze dit zal geschieden hieromtrent liet de Ambassadeur zich niet uit.

Gisteren morgen is de Duitsche raad van Ambassade Baron von Neurath van hier naar Sofia vertrokken in verband met de onderhandelingen ten doel hebbende dat het zware geschut en de krijgsvoorraad, die tot dusver in Rumenië werden teruggehouden en voor eene verdrijving der geallieerden uit het schiereiland Gallipoli, gelijk ik reeds vroeger vermeldde, onmisbaar schijnen te zijn, eventueel Bulgaarsch gebied zullen kunnen passeeren. Te Bucarest schijnt met dat doel een zware druk op de regeering te worden uitgeoefend.

De Gezant,

Van der Does de Willebois

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken: Kabinet en Protocol, 1871 - 1940, nummer toegang 2.05.18, inventarisnummer 47/110.




Rapport van 4 september 1915 van de Nederlandse gezant

Gezantschap der Nederlanden

Pera, 4 September 1915
[gestempeld met: Exh: 9 Oct. 1915, Kabt. No. 9, heeft op o.a. gestaan 11 October 1915, heeft gecirculeerd bij H.M. Ministers]

Nº 919/304

Armenische gruwelen.

Vertrouwelijk

Zijner Excellentie den Minister van Buitenlandsche Zaken te 's-Gravenhage.

In verband met hetgeen in mijn bericht van 1 dezer No. 914/302 omtrent de Armenische gruwelen vermeld staat heb ik de eer Uwer Excellentie hiernevens vertrouwelijk aan te bieden het laatste Memorandum der Duitsche Ambassade in deze, dat op 9 Augustus j.l. door Prins Hohenlohe aan den Groot-Vizier werd overhandigd. M.i. kon deze nota op zich zelf genomen niet veel er toe bijdragen om de Turksche Regeering van verdere gruweldaden te doen afzien en moest zij haar den indruk geven, dat het er der Ambassade slechts om te doen was zich tegen alle verantwoordelijkheid te vrijwaren. Anderzijds moet ik bekennen, dat ik niet inzie hoe eene nota zoude zijn moeten gesteld geweest, die het gewenschte doel zoude hebben ten gevolge gehad zonder ernstig gevaar voor een breuk met Turkije. Ik geloof veel eerder, dat onder de bestaande omstandigheden geene demarche, van welken aard dan ook, tot dat doel zoude hebben gevoerd.

Wat het door Baron von Wangenheim op 4 juli j.l. overhandigd memorandum betreft, zoo werd de hoofdinhoud daarvan in het kort wedergegeven in mijn bericht van 15 d.o.v. No. 769/257. In dat Memorandum werd ook nog gewezen op den slechten indruk dien de vervolgingen der Armeniers in de neutrale landen, vooral ook in Amerika zouden teweeg brengen.

Ik voeg nog hierbij eenige nadere inlichtingen op gisteren door den eersten Drogman bij den Orthodox-Armenischen Patriarch ingewonnen.

De Gezant,

Van der Does de Willebois

[Duits] Memorandum.

Par son memorandum du 4 Juillet l'Ambassade d'Allemagne a eu l'honneur de faire connaître à la Sublime Porte la manière de voir du Gouvernement Impérial Allemani au sujet de l'expatriation des habitants Arméniens de provinces Anatoliennes, et d'attirer son attention sur le fait que cette mesure avait été accompagnée en plusieurs endroite par des actes de violence, tels que massacres et pillages qui ne pouvaient pas être justifiés par le but que le Gouvernement Impérial Ottoman poursuivait.

L'Ambassade d'Allemagne regrette de devoir constater que, d'après les renseignements qu'elle a reçus depuis lors de sources impartiales et dignes de foi les incident de ce genre, au lieu d'être empêchés par les autorités locales, ont regulièrement suivi l'expulsion les Arméniens de sorte que la plupart d'eux ont péri avant même d'arriver au lieu de leur destination. Ce sont surtout les provinces de Trébizonde, de Diarbékir et d'Erzéroum d'où ces faits sont signalés, en certains endroits, comme à Mardine, tous les Chrétiens sans distinction de race ou de confession ont subi le même sort.

En même temps le Gouvernement Impérial Ottoman a cru devoir étendre la mesure d'expatriation aux autres provinces le l'Asie Mineure et tout dernièrement les villages Arméniens du district de Izmit à proximité de la capitale ont été évacués de leurs habitants dans des conditions pareilles.

En présence de ces évènements l'Ambassade d'Allemagne par ordre de son Gouvernement est obligé de remontrer encore une fois contre ces actes d'horreur, et de décliner toute responsabilité des conséquences qui en pourraient résulter. Elle se voit forcée à attirer l'attention du Gouvernement Ottoman sur ce point d'autant plus que l'opinion publique est déjà portée à croire que l'Allemagne en sa qualité de pussance amie et alliée de la Turquis aurait approuvé ou même inspiré ces actions de violence.

Péra, le 9.8.15.

[bijlage Orthodox-Armeense Patriarch]

Les horreurs qui ont été commises dans les provinces habitées par les Arméniens dépassent toute imagination. Presque toute la population arménienne de ces provinces a été expulsée dans les villes éloignées comme Mossoul, Zor, Hama, Homs & Damas. En route les hommes avant d'arriver à leur destination, ont été tués et pillés par la police ou par les bandes. Les filles ont été violées, les femmes et les enfants privés de tout soutien, ont du embrasser l'islamisme ou sont morts de faim et de misère.

Cesarée.
Cette ville a été complètement évacuée. Les habitants arméniens ont du abandonner leurs foyers et leurs biens ne pouvant emporter que seulement 300 piastres. Deux évêques, plusieurs prêtres et 80 personnes ont été pendus et leurs parents étaient obligés d'enlever les corps des pendus.

Harpout.
Les notables et les soldats arméniens ont été expulsés à Diarbékir et avant leur arrivée ils ont été tués. Les femmes et les filles ont subi les derniers outrages. La femme du professeur Tufenkdjian, du collège arménien, a été ravie par le Kaimakam de Harpout. Les femmes converties à l'islamisme ont été immédiatement mariées à des musulmans.

Ourfa.
L'évêque et 86 notables arméniens ont été massacrés.

Angora.
Cette ville a beaucoup souffert. Dix prêtres arméniens-catholiques et 17 employés arméniens du Chémin de fer ont été tués. Le Vali a été rappelé à Constantinople.

Diarbékir.
L'évêque et 44 hommes sont morts à force d'être battus.

Bitlis.
Tous les villages ont été brulés et ruinés et la population massacrée dans les environs de la plaine de Mouch .

Merdine.
L'évêque arménien-catholique Maloyan, les prêtres et la population en majeure partie catholique, ont été tués.

Malatia.
Tous les hommes ont été envoyés à Sivas. Sur les chemins de Malatia on rencontrait les cadavres des enfants et des femmes massacrés, ces dernières ayant le corps nu.

Marash.
Le seminaire et les couvents ont été occupés par les Turcs. L'évêque, 4 prêtres et diacres ont été tués et le produit de la vente des biens sequestré.

Baibourt.
Les hommes ont été tués et les femmes converties à l'islamisme et leurs biens pillés. Sur la route d'Erzinghian les enfants étaient jetés dans l'Euphrate. Mademoiselle Wendel Yarlsberg, sujette norvégienne, et une dame allemande qui étaient des gardes-malades à Erzinghian ont été tellement écoeurées de ces horreurs, qu'elles ont donné leur démission et sont rentrées dans leur pays.

A l'occasion de l'anniversaire de la naissance du Sultan, le Patriarche arménien a soumis à Sa Majesté une supplique pour qu'un terme soit mis à la persécution des Arméniens.

Depuis deux jours on remarque une certaine détente contre ces persécutions, détente que l'on attribue probablement aux démarches faites par les Ambassadeurs d'Allemagne et d'Amérique ainsi qu'à celles faites personellement par Monseigneur Zaven auprès du Cheikh-ul-Islam, d'Enver Pacha, de Talaat Bey et d'Ibrahim Bey, Ministre de la Justice.

Demain la Patriarche arménien fors une nouvelle démarche suprès du Grand-Vizir.

Le 3 septembre 1915.

Bron: Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Buitenlandse Zaken: Kabinet en Protocol, 1871 - 1940, nummer toegang 2.05.18, inventarisnummer 47/110.

Colofon