Marteling der Armeniërs in Turkije – tweede deel

TWEEDE DEEL

HET LOT DER WEGGEVOERDEN


Wij hebben tot hiertoe de tooneelen beschreven die zich in de verschillende provincies, steden en dorpen hebben afgespeeld. De maatregel van wegvoering beteekende meestal het vermoorden en uitroeien der bevolking.

Vooral hadden de Turken het voorzien op de mannelijke Armeniërs, en ten hunnen opzichte waren steeds maatregelen getroffen al vorens men overging tot de massa-deportatie. De politieke voormannen en de intellectueele leiders werden naar het binnenland vervoerd of gedood. De militie-plichtigen, mannen in den leeftijd van 16-60 jaren, soms ook tot 70 jaren, waren bij het leger ingelijfd. Zij werden gebruikt voor lastdragers, en moesten wegarbeid verrichten aan straatwegen in onbegaanbare gebergten. Bij de uitvoering van het deportatie-bevel werden in den regel de nog in de plaatsen overgebleven mannen van de vrouwen en kinderen gescheiden en in de nabijheid der stad of onderweg gedood. Over het lot van hen die als lastdragers werden gebruikt of heerendiensten moesten verrichten op de openbare wegen kunnen zij slechts spreken die toevallig het binnenland hadden doorkruist en oogge-

pagina 158

tuigen waren van de methodische verwoesting van geheele kolonnes.

Het begin van de voorloopige maatregelen bestond in het volkomen weerloos maken der Armenische bevolking opdat zij bij een wegvoering geen gevaar zou opleveren, en de deportatie zou kunnen geschieden met een klein eskorte van Turksche manschappen.

Hoewel uitvoerig is stilgestaan bij hetgeen de gedeporteerden uit de verschillende wilajets hebben moeten doorstaan, is het niettemin noodzakelijk de weggevoerden zoo ver mogelijk te volgen op hun reis naar het verbanningsoord.

De route die bij het wegvoeren der bevolking werd gevolgd is thans nog duidelijk na te gaan, daar slechts enkele wegen van uit het binnenland leiden naar de plaatsen van bestemming der gedeporteerden.

Een planmatige wegvoering van een bevolking kan zelfs de beste regeering voor de moeilijkste problemen zetten. Vooraf moet men maatregelen treffen voor het verkeer, voor transportmiddelen en voor verpleging onderweg; men moet in het nieuwe gebied alles voorbereiden om zulk een massa, zij het ook voorloopig, onder te brengen en te verplegen. De vestiging van een bevolking, die bij tienduizenden het bestemde distrikt zullen gaan bewonen brengt moeilijkheden met zich ten opzichte van de rechten en het bezit van de huidige bewoners, en alleen een voortreffelijk regeeringssysteem kan zulke problemen tot een oplossing brengen en een botsing tusschen de oude en nieuwe elementen in een distrikt voorkomen.

Bij de deportatie der Armeniërs in de grensdistrikten der Arabische woestijn, had men zich over

pagina 159

deze vragen niet bezorgd gemaakt. De wijze waarop de deportatie geschiedde en de behandeling die de weggevoerden hebben ondergaan, toonen duidelijk dat het de bevoegde macht niet deerde, al kwam een groot deel der Armeniërs om het leven, ja, 't was zelfs duidelijk dat het diezelfde macht niet onwelkom zou zijn als zij van verdere moeite zouden ontslagen zijn en dat onderweg de helft der weggevoerden zou omkomen.

Het doel der deportatie was niet, zooals het heette, het deel van het door de Bagdadspoorweg ontsloten Mesopotamische gebied, maar de meer zuidelijk gelegen arabische woestijn, die zich tot in het onmetelijke uitstrekt. De Mesopotamische steden zijn zelfs ontruimd geworden. Doel der deportatie was het gebied tusschen Deir-es-Sor aan de Euphraat (300 K.M. ten Z.O. van Aleppo) en Mosoel aan de Tigris. Op dit gebied bevinden zich slechts hier en daar enkele dorpen; voor het overige dient het als verblijfplaats voor de doortrekkende Nomadenhorden der Arabieren. De wegen naar dit gebied leiden over Aleppo in de richting van Deir-es-Sor aan de Euphraat, over Urfa, Weranscheher en Nisibin aan den noordrand der Arabische woestijn en over Djesireh in de richting van Mosoel. Latere transporten werden ook over Damascus naar den Hauran gedirigeerd. De Taurusketen, die het noordelijk deel van Anatolie van de Mesopotamische laagvlakte scheidt, wordt slechts op enkele plaatsen door eenigszins begaanbare wegen doorbroken.

Vanuit Klein-Azië bereikt men door de z.g.n Cilicische poort Cilicië. Door den Amanuspas bereikt

pagina 160

men Aleppo. Een hoofdweg leidt van het Armenische hooggebergte over Kharput, Diarbekir en Mardin naar de Mesopotamische vlakte. Van dezen hoofdweg leidt nog een weg oostwaarts over moeilijk begaanbare bergpaden over Malatia en Adiaman, die bij Samsat de Euphraat snijdt en in Urfa de straat bereikt, die van Aleppo naar Diarbekir voert.

Alles wat uit de Wilajets Erzeroem en Trapezunt naar het zuiden werd getransporteerd, moest langs de westelijke Euphraat den weg over Egin en Arabkir naar Kharput of Malatia inslaan. De transporten uit Siwas gingen meestal dienzelfden weg. De ontruiming der Taurus-dorpen, en van het Cilicische gebied, ondervond nog de minste moeilijkheid omdat hier de straatweg over Marasch en Aintab naar Urfa en Aleppo, en de Bagdadspoorweg ten noorden van het Amanusgebergte ter beschikking stonden. Om de bevolking uit de middenprovinciën en de West-Anatolische wilajets weg te voeren stonden zoowel de Bagdadbaan, als de oude wegen die er langs leiden, ter beschikking. De spoorweg werd echter alleen gebruikt door hen, die geld genoeg bezaten om een plaats te koopen in een veewagen, maar ook de treinen waren zeer spaarzaam op dit gebied daar zij in hoofdzaak noodig waren voor het vervoer van troepen. Een deel der Cilicische bevolking had men in de moerassen van het Wilajet Konia gehuisvest. De gezinnen uit het Ismid- en Brussagebied werden systematisch verstrooid. Gezinnen en personen, meest mannen, vrouwen en kinderen, van elkander gescheiden, werden in groepen van 10 à 12 personen in Mohammedaansche dorpen ondergebracht ten

pagina 161

einde daar den Islamitschen godsdienst aan te nemen.

Uit de oostelijke Wilajets leidt slechts één weg over Bitlis en Sört aan de Tigris naar Djesireh en Mosoel. De gedeporteerden die langs deze wegen zijn vervoerd, werden onderweg vermoord of in het water geworpen.

Slechts de bewoners van de grensdistricten in Erzeroem en de omwoners van het Wan-meer konden een toevluchtsoord vinden aan gene zijde der Turksche grenzen. Uit de dorpen bij Sueidye aan de uitmonding der Orontes, konden 4058 Armeniërs op den Djebel-Moesah vluchten, waarbij 3004 vrouwen en kinderen. Zij werden aan boord van een Franschen kruiser opgenomen en naar Alexandrië vervoerd.

Wij laten nu verschillende berichten over het lot der gedeporteerden volgen.

MEDEDEELINGEN VAN HET AMERIKAANSCH CONSULAAT

Uit Kharput schreef de Amerikaansche Consul Leslie A. Davis het volgende:

KHARPUT, 11 Juli 1915

“Wanneer men met de deportatie eenvoudig bedoelde een verandering van woonplaats der bevolking, dan was dit nog wel te verdragen, maar iedereen weet dat de Turken niets anders willen dan den dood der Armeniërs. Indien er nog twijfel zou hebben bestaan dienaangaande, zou deze wel zijn verdwenen wanneer men ge-

pagina 162

tuige was geweest van den aankomst der gedeporteerden uit Erzeroem en Erzingjan, in totaal eenige duizenden personen. Meermalen heb ik hen in hun verblijfplaatsen opgezocht en met sommigen hunner een gesprek aangeknoopt. Een meer troosteloozer aanblik kon men zich moeilijk voorstellen. Zonder uitzondering waren zij in lompen gehuld, hongerig, ziek en vervuild. Dat was ook geen wonder wanneer men bedenkt dat zij in geen twee maanden hun kleederen hadden kunnen verwisselen, gelegenheid om zich behoorlijk te wasschen bestond er niet en zij waren bijna dien geheelen tijd zonder eten gebleven. De Regeering stelde enkele rations brood te hunner beschikking, en ik was op zekeren dag er getuige van hoe zij waren, als het brood hun werd gebracht. Gelijk wilde beesten sprongen zij op het voedsel af. Zij drongen de wachten die het brood uitreikten opzij, maar deze sloegen hen met stokken terug. Menigeen werd daarbij zoo geranseld dat de dood onmiddellijk intrad. Wanneer men die verslagenen zag liggen kon men niet gelooven dat dat menschelijke wezens waren.

Wanneer men door hun kamp gaat komen van alle kanten moeders met kinderen aanloopen met de bede de kleinen mede te willen nemen. Alles wat iets bekoorlijks had onder de meisjes en kinderen werd door de Turken uitgekozen. Zij werden als slaven verkocht, tenminste wanneer zij niet voor ergere handelingen werden gebruikt. Tot dit doel werden zelfs artsen gerequireerd om de meisjes die den Turken

pagina 163

voldeden, te onderzoeken en de besten onder hen uit te kiezen.

Mannen waren zeer sporadisch in de kampen te vinden, de meesten waren onderweg gedood. Allen vertelden eenzelfde geschiedenis: zij waren door de Kurden aangevallen en van alles beroofd. Velen hunner waren telkens opnieuw aangevallen en de mannen werden daarbij gedood, ook vrouwen en kinderen waren moedwillig omgebracht. Vele gedeporteerden stierven onderweg van ontbering en ziekte en iederen dag vielen er dooden. Telkens kwamen er weer nieuwe transporten van weggevoerden aan, die dan later zonder eenige bestemming weer werden voortgedreven. De hier aangekomenen vormen met elkaar slechts een klein deel van hen die uit hun woonplaatsen werden verdreven, en wanneer het zoo voort blijft gaan, zal weldra het geheele kamp uitgestorven zijn.

Onder hen met wie ik nog heb kunnen spreken, waren drie gezusters. Zij waren in een Amerikaansch zendingshuis opgevoed en spraken vloeiend Engelsch. Zij vertelden dat hun familiekring eene der rijkste uit Erzeroem was, en dat zij bij hun vertrek 25 familieleden telden. Thans waren er nog 14 overgebleven; de overige elf waaronder zich de echtgenoot van een der zusters bevond, waren zoo vertelden zij, voor hun oogen door de Turken geslacht. De oudste mannelijke overlevende was 8 jaar. Toen zij Erzeroem verlieten bezaten zij geld, paarden en verschillende eigendommen. Maar alles was hun ontno-

pagina 164

men, zelfs hun kleeding. Eenigen hunner werden volgens de mededeelingen der zusters volkomen naakt uitgekleed, anderen werd slechts één kleedingstuk overgelaten. Toen zij een dorp bereikten, waren er enkele gendarmen die kleederen voor de vrouwen kochten.

Een ander meisje waarmee ik sprak, was de dochter van den protestantsch predikant in Erzeroem. De gezinsleden waarmede zij uit Erzeroem was verdreven waren allen gedood, zij alleen was overgebleven. Dit meisje met nog enkele anderen waren de eenig overgeblevenen van een transport. Zij werden in een oud schoolgebouw even buiten de stad ondergebracht; niemand mocht den bannelingen een bezoek te brengen. Zij waren niets anders dan gevangenen; slechts van een waterput in de nabijheid van het gebouw konden zij gebruik maken. Daar ontmoette ik haar toevallig. Alle andere gedeporteerden moesten in de open lucht wonen, zonder eenige beschutting tegen de heete zonnestralen op den dag, of tegen de koele nachten.

De toestand dezer menschen is een duidelijke afschaduwing van het lot dergenen die verder trokken en nog zullen passeeren. Tot nu toe heeft men van eerstgenoemden niets meer gehoord en ik durf de meening uit te spreken dat men van hen ook niets meer zal hooren.

Het systeem dat men getrouwelijk volgt, schijnt het volgende te zijn: Men laat Kurdenbenden onderweg de weggevoerden overvallen om vooral mannen, maar ook vrouwen en kin-

pagina 165

deren te dooden. De geheele maatregel is het beste georganiseerd bloedblad van alle, die het land immer heeft aanschouwd.”

MEDEDEELING VAN EEN DUITSCHEN SPOORWEGBEAMBTE VAN DEN BAGDADBAAN

“Toen de bewoners der Cilicische dorpen werden verdreven, waren de meesten hunner nog in het bezit van ezels die zij bezigden als rijdier of lastdier. Door de begeleiders van het transport werd echter bevolen dat alleen Turksche ezeldrijvers van de dieren gebruik mochten maken; den gedeporteerden, zoowel mannen als vrouwen, was het rijden verboden. Die ezeldrijvers maakten van die bevoorrechting schromelijk misbruik; wanneer zij ook maar vermoedden dat de ezels een of andere kostbare lading met zich voerden, hielden zij dezen achter. Ander vee, dat door sommigen was medegenomen, werd den bezitters onderweg ontnomen of tegen een zoo lagen prijs opgekocht dat zij het evengoed hadden kunnen schenken.

Een vrouw, wier familie mij bekend is, verkocht 90 schapen voor 100 Piaster; in gewonen tijd had zij er 60-70 Turksche ponden (± ƒ 780) van gemaakt, m.a.w. zij kreeg voor 90 schapen de waarde van één schaap vergoed.

Aan de dorpsbewoners van Scheh was verlof gegeven hun ossen, wagens en lastdieren

pagina 166

mede te nemen. Bij Gokpunar werden zij echter gedwongen den rijweg te verlaten en verder het korteren voetpad te volgen door het gebergte. Met achterlating van al hun dieren en al hun bezit moesten zij te voet verder gaan. De soldaten verklaarden eenvoudig, dat zij bevel hadden ontvangen dezen weg te volgen.

Vanaf den dag der ontvoering ontvingen de gedeporteerden per hoofd en per maand (niet per dag) een kilogram brood. Zij leefden van hetgeen zij nog hadden meegenomen. Zoo nu en dan kregen zij een klein bedrag aan geld. Ik hoorde van 30 personen, die vroeger de meest voorname inwoners waren, van het Tsjerkessen-dorp Bumbudch, 1½ dag reizen van Aleppo, dat zij in 30 dagen 20 piasters hadden ontvangen, niet per hoofd maar de 30 personen tezamen, alzoo per persoon 10 penning per maand. Door Marasch kwamen in de eerste dagen 400 vrouwen, barrevoets en met een kind op den arm en een op den rug (dikwijls zelfs een dood kind) en meestal nog een kleine aan de hand. Door de Armeniërs van Marasch, die later zelf werden weggevoerd, waren voor bijna 600 gulden aan schoenen gekocht, teneinde de doortrekkende Armeniërs daarvan te voorzien. Tusschen Marasch en Aintab wilde de Mohammedaansche bevolking aan de doortrekkende gedeporteerden, een transport van ongeveer 100 gezinnen, eenig brood uitreiken. De soldaten lieten het echter niet toe. De Amerikaansche zendelingen en de Armeniërs van Aintab, die later eveneens werden wegge-

pagina 167

voerd, zagen de kans schoon om des nachts aan de transporten die door Aintab kwamen – welke transporten in totaal 20 à 30.000 personen telden, meest vrouwen en kinderen – brood en geld uit te reiken. Het waren de dorpen uit het district Marasch. Deze weldadigheid werd echter opgemerkt en de transporten werden voortaan niet meer door Aintab gevoerd. Maar desniettegenstaande konden de Amerikaansche zendelingen hun nachtelijke proviandeeringen blijven voortzetten, tot zelfs bij Nisib (9 uur zuid-oostelijk van Ainteb, op den weg naar de Euphraat).

Gedurende het transport werden de gedeporteerden allereerst van hun geld beroofd. Een gedeporteerd protestantsch predikant bemerkte hoe van een gezin 43 ponden, van een ander gezin 28 ponden afgenomen werden. De pas gehuwde prediker moest zijn vrouw, die haar eerste kind verwachtte, in Hadjin achterlaten. Overigens bestaat vier-vijfde deel der gedeporteerden uit vrouwen en kinderen. Drie-vijfde deel ging blootsvoets. Een man uit Hadjin, dien ik persoonlijk goed ken, en een vermogen bezat van minstens 15.000 pond (± ƒ162.000) was evenals zijn lotgenooten tot zelfs van zijn kleederen beroofd, zoodat hij, om weer in 't bezit te komen van de voornaamste kleedingstukken, moest bedelen.

Ook was het voor de gedeporteerden een bron van veel verdriet, dat zij hun dooden niet konden begraven. Die moesten op den weg blijven liggen. Vrouwen droegen hun reeds gestorven

pagina 168

kindertjes nog dagen lang op den weg met zich. In Bab (10 uren oostelijk van Aleppo) werd de doortrekkende menigte voor een bepaalden tijd ondergebracht, maar men gaf geen verlof terug te keeren om de achtergelaten doode familieleden te begraven.

Het zwaarste lot trof wel de vrouwen die onderweg een kind ter wereld moesten brengen. Men liet hen eenvoudig daartoe geen tijd. Een vrouw schonk in den nacht aan een tweeling het leven. Des morgens moest zij met de twee kleinen op haar rug te voet verder gaan. Na twee uren loopen kon zij niet meer. Zij moest haar twee kindertjes onder een boom achterlaten en werd door de Turksche soldaten gedwongen met het transport verder te gaan. Een andere vrouw viel onder weg neder; door slagen werd zij gedwongen verder te gaan, maar viel weldra dood neer. Weer een andere vrouw werd door Amerikaansche verpleegsters omringd toen het tijdstip van hare bevalling gekomen was. Men wist te bewerkstelligen dat de vrouw op een ezel werd geladen en zij met haar in lompen gehuld kindje verder kon gaan.

Deze voorbeelden gelden alleen hetgeen er is voorgevallen tusschen Marasch en Aintab. Men vond in de een uur te voren verlaten verblijfplaats een pasgeboren kind. In Marasch vond men in een dergelijke verblijfplaats 3 pasgeboren kindertjes op een mesthoop.

Ontelbaar was het aantal kinderlijkjes dat men onderweg aantrof. Een Turksch majoor, die

pagina 169

drie jaar geleden met mij terug is gekomen, vertelde dat vele kinderen door de moeders werden achtergelaten, daar zij de kleinen niet meer konden voeden. Grootere kinderen werden door de Turken aan de moeders ontnomen. De majoor nam, evenals zijn broeder, een kind onder zijn bescherming. De Turken wilden het in Mohammedaansche gezinnen laten opvoeden. Een dezer kinderen sprak Duitsch; het moet dus een weeskind uit een Duitsch weeshuis geweest zijn. Het aantal vrouwen dat onderweg is bevallen, en die behoorden bij de hier gepasseerde transporten, kan worden geschat op 300.

Een gezin, in de bitterste armoede en ellende gedompeld, verkocht in wanhoop het 18-jarige dochtertje aan een Turk voor 6 Lira (± 66 gulden).

De mannen der meeste vrouwen waren voor den dienst opgeroepen. Wie aan het oproepingsbevel geen gehoor gegeven had, werd opgehangen of gefusileerd, kort geleden in Marasch nog zeven tegelijk. De militieplichtigen waren meestal bestemd voor den arbeid aan de wegen en mochten geen wapens dragen. De terugkeerenden vonden hunne huizen leeggeplunderd. Twee dagen geleden trof ik in Djerabulus een Armenisch soldaat, die van Jeruzalem was gekomen om met verlof naar zijn huis, naar Geben te gaan (tusschen Zeitoen en Sis). Ik ken den man sinds jaren. Hier aankomende moest hij ervaren dat zijn moeder, zijn vrouw en drie kinderen waren weggevoerd. Alle nasporingen naar zijn gezin bleven vruchteloos.

pagina 170

Sinds 28 dagen kan men dagelijks lijken in de Euphraat zien, die stroomafwaarts drijven, sommigen ruggelings aan elkaar gebonden, zelfs groepen van 3 tot 8 menschen aan de armen samengeknoopt. Aan een Turksch overste werd gevraagd waarom hij die lijken niet liet begraven; het antwoord luidde dat hij daartoe geen opdracht ontvangen had, en bovendien kon men niet vaststellen of de lijken van Mohammedanen of wel van Christenen waren, daar de geslachtsdeelen waren afgesneden. Alleen Mohammedanen mochten worden begraven. Lijken, die aan den oever waren aangespoeld, werden door de honden opgevreten. Andere lijken, die op de zandbanken waren blijven liggen, werden door de gieren en andere roofvogels verscheurd. Een Duitscher zag op een enkelen tocht dien hij maakte zes paar lijken stroomafwaarts drijven. Een Duitsch ritmeester verhaalde dat hij op zijn reis van Diarbekir naar Urfa aan beide zijden van den weg een groot aantal onbegraven lijken zag van jonge mannen met afgesneden hals. (Het waren de voor den militairen dienst opgeroepen Armenische wegwerkers, zie pag. 109). Een Turksche Pacha uitte zich op deze wijze jegens een voornaam Armeniër: “Wees maar blij wanneer je tenminste in de woestijn een graf zult vinden; dat zelfs missen de meeste Armeniërs nog!” Niet de helft van de weggevoerden blijft in leven.

Eergisteren stierf hier aan 't station een vrouw; gisteren was het getal dooden 14 en heden weer 10. Een protestantsch predikant zeide tot een Os-

pagina 171

manische Turk: “Van deze gedeporteerden blijft niet de helft in 't leven!” Het antwoord van den Turk luidde: “Dat is ook de bedoeling!”

Men moet bij dit alles echter niet vergeten dat er ook Mohammedanen zijn die de gruwelen, door de Turken bedreven, ten strengste veroordeelen. Een Mohammedaansch scheich, een algemeen geachte persoonlijkheid in Aleppo, zeide in mijn tegenwoordigheid: “Wanneer men gaat spreken over de behandeling die de Armeniërs hebben ondervonden, dan schaam ik mij zelven, dat ik een Turk ben.”

Zij die prijs stellen op het behoud van hun leven, worden gedwongen den Islam te belijden. Om dit werk te bevorderen, werden enkele gezinnen gehuisvest in geheel Mohammedaansche dorpen. Het aantal gedeporteerden dat door Aintab is getrokken, bedraagt ongeveer 50.000. Een groot deel van hen had des avonds bevel gekregen den daaropvolgenden morgen te vertrekken. De groote transporten gaan over Urfa, de kleinere over Aleppo; deze in de richting van Mosoel; gene in de richting van Deir-es-Sor. De Turken beloofden dat zij op de plaats van bestemming behoorlijk zouden worden gehuisvest, maar zij die het zwaard of de kogel ontgingen, stierven den hongerdood. In Deir-es-Sor zijn van de transporten ongeveer 10.000 personen aangekomen; van de rest is niets meer vernomen. Van hen die in de richting van MosoeI werden weggevoerd zeide men: zij zouden 25 Kilometer van het spoorwegstation worden gehuisvest; het-

pagina 172

geen wel zal beteekenen dat de uitroeiing aldaar kon geschieden, zonder dat er één overbleef.

Wat ik hierboven heb geschreven is slechts een klein deel van de gruwelen, die sinds een paar maanden hier geschieden en die iederen dag nog toenemen. Het is slechts een klein deel van hetgeen ik zelf gezien of van kennissen, die ooggetuigen waren, heb gehoord.

Voor hetgeen wat ik heb medegedeeld kan ik ten allen tijde de uren, waar op dit alles geschied is, zoowel als de personen die getuigen waren van de gruwelen, aangeven en aanwijzen.”

UITTREKSEL VAN EEN BRIEF VAN DE ARMENISCHE MARIZA KEJEJJAN, UIT HUSSEINIK,

(een half uur van Kharput gelegen) die, als zijnde in Amerika genaturaliseerd, een pas kon bekomen naar Alexandrië.

2 November 1915

Tegen de paaschfeesten vonden in Kharput, Mesereh en de omliggende dorpen veel inhechtenisnemingen plaats. De gevangenen werden in den kerker gefolterd. Men sloeg hen, trok hen de haren uit het hoofd, scheurde de nagels van de vingers en bewerkte hen verder met gloeiende ijzers, nadat de ongelukkigen met touwen waren vastgebonden. Een soldaat mishandelde een zwangere vrouw om haar te dwingen de plaats aan te duiden waar haar man verborgen zou zijn.

pagina 173

Wij werden den 4den weggevoerd en naar Diarbekir gebracht. Wij telden ongeveer 100 gezinnen en hadden lastdieren bij ons. Den tweeden dag zagen wij vele lijken van mannen langs den weg liggen; vermoedelijk waren het de 200 man, die 10 dagen voor ons vertrek waren weggevoerd. Wij dronken niet anders dan water uit de rivier dat met bloed was vermengd. Ook op den derden dag van onze reis passeerden wij op weg naar Arghana een groot aantal lijken. Hier waren de mannen en vrouwen afzonderlijk gedood.

Zes dagen na ons vertrek kwamen wij in een Kurdisch dorp. Hier verplichtte ons de gendarmen al ons geld en goed af te staan onder bedreiging van het verlies van onze eer. Op den negenden dag werden wij ook van al onze kleeren beroofd. Toen wij in Diarbekir kwamen, werden onze lastdieren ons ontnomen en een vrouw en twee jonge meisjes door de gendarmen weggesleept. 24 uur lang moesten wij onder hevigen zonnebrand blijven wachten voor de poorten van Diarbekir. Uit de stad kwamen Turken en roofden onze kinderen. Tegen den avond hadden wij ons voor het vertrek gereed gemaakt, toen wij door deze Turken werden overvallen. Wij lieten alles wat nog in ons bezit was in den steek en stoven uiteen om ons leven en onze eer te redden. Des nachts herhaalde zich dit tot driemaal, en de Turken zagen ten laatste kans de meisjes en jonge vrouwen weg te sleepen.

Den volgenden dag werden wij vele uren

pagina 174

zuidelijker gedreven zonder water te vinden. Een groot aantal onzer stierf van honger en dorst. lederen dag werden wij mishandeld en eenigen onzer werden van ons gescheiden. Een vrouw, die haar dochter wilde ontzetten, werd van een brug afgeschopt, waardoor zij een arm brak. Daarna werd zij met een harer dochters van de rotsen geworpen. Toen haar andere dochter dit zag, sprong zij hen na, om met haar moeder en zuster te kunnen sterven.

Eindelijk kwamen wij in de nabijheid van Mardin waar wij 8 dagen lang onder de heete zonnestralen in het open veld verblijf moesten houden. In de nabijheid bevond zich een groot waterbassin. Des nachts lieten de Turken dit leegloopen en het water overstroomde weldra ons verblijf. Dan schoten zij op ons en roofden vrouwen en kinderen.

Op een zekeren avond kwam het bevel om op te breken. Allerlei schandelijkheden en mishandelingen hadden wij dagelijks te verduren. Slechts één gendarme was er (vermoedelijk een Arabier) die ons menschelijk behandelde.

Wij vertrokken dan en kwamen te Weranschehir en Ras-ul-Ajin. Alvorens wij deze laatste plaats bereikten, zagen wij onderweg drie kuilen die geheel met lijken waren gevuld.

In Ras-ul-Ajin troffen wij een menigte vrouwen aan uit Erzeroem, Egin, Keghi en andere plaatsen; zij waren, evenals wij, op weg naar Deir-es-Sor. Meermalen had men ons voorgehouden en soms ook gedwongen den Islam te volgen. Wij hebben geantwoord, dat wij liever in het water sprongen

pagina 175

en stierven dan ooit tot het Islamisme over te gaan. De geestelijke leiders onzer tegenstanders waren over dit antwoord ten zeerste verbaasd en zeiden: “Wij hebben nog nooit menschen ontmoet die met zulk een ijver hun godsdienst en hun eer verdedigden als deze Armeniërs.”

In Ras-ul-Ajin ontmoetten wij Arakei Agha, die van Aleppo was gekomen om te zien of hij nog iemand kon redden. Het gelukte hem eenigen naar Aleppo mede te nemen. De Armeniërs van Aleppo zorgden voor onze voeding, wij hadden de laatste 24 uur niets gebruikt. In Aleppo ontmoetten wij gedeporteerden uit verschillende deelen van Armenië; sommigen hunner waren 4 maanden onderweg geweest. Hun gezondheid was zoo geknakt, dat er dagelijks ongeveer 40 stierven. Het waren meest vrouwen en kinderen; de mannen waren onderweg reeds gedood door bijlslagen en sabelhouwen. Vooraf liet men hen hun eigen graf graven, dan werden zij omgebracht. Een Armenisch soldaat vertelde mij hoe de Turken de Armeniërs in het water geworpen hadden. Hij zelf was met nog vijf anderen, door naar de overzijde der rivier te zwemmen, ontkomen. Zij waren drie dagen lang onderweg geweest en zagen overal lijken van hun rasgenooten liggen.

Gedurende den geheelen tocht hebben wij van de Turksche overheid niets te eten gehad. Alleen in Diarbekir werd ieder onzer een brood verstrekt en in Mardin kregen wij dagelijks een stuk brood dat meestal niet te gebruiken was.

pagina 176

Onze kleeren waren vervuild en door het ontzettende lijden dreigden wij krankzinnig te worden. Velen wisten niet, toen men hun nieuwe kleeren uitreikte, hoe zij deze zouden aantrekken. Toen zij voor de eerste maal weer een bad namen, om zich van stof en slijk te reinigen, bemerkten velen, dat zij hun haren verloren hadden.

MEDEDEELING VAN EEN MISSIONNARIS UIT MERSIWAN

Booze dingen werden in het duister gedaan. Kort na middernacht werden door de gendarmen, ongeveer 300 gevangenen uit hun kerker gehaald; zij werden aan de handen gebonden en weggevoerd zonder dat zij eenige kleederen of beddegoed mochten medenemen. Aanvankelijk heette het, dat de trek zou gaan naar Amasia, maar drie kwartier verder, op weg naar Zileh, het beroemde oord, waar eens Julius Cesar zijn “Veni, Vidi, Vici” naar Rome zond, werden zij allen met bijlslagen gedood. Dag aan dag werd op deze wijze met de gevangenen omgesprongen. Volgens berichten van ambtenaren werden op deze wijze 1215 mannen omgebracht en naar getuigenis van Turksche toeschouwers was in het verbanningsoord een groote tent opgericht, waar de slachtoffers op het allernauwkeurigst werden onderzocht en waar zij ten strengste werden uitgehoord. De vragen, die men hen stelde, golden in hoofdzaak het bezit van wape-

pagina 177

nen of mogelijke revolutionaire plannen. Tegelijk met dit onderzoek werden alle waardevolle artikelen, welke zij bezaten, hun ontnomen. Op eenigen afstand van de tent was een groote kuil gegraven; de gevangenen werden in groepen van vijf, de handen op de rug gebonden, daarheen gedreven. Dan moesten zij neerknielen en werd hun met bijlslagen het hoofd van den romp gescheiden. Dit is door ooggetuigen geconstateerd en door gendarmen, die aan dezen bloedigen arbeid hadden deelgenomen, bevestigd.

Nadat men op deze wijze zich had ontdaan van de mannen, schonk men aan grijsaards en aan knapen, beneden achttien jaar, de vrijheid, met de woorden: “Zijne Majesteit de Sultan heeft u vergiffenis geschonken; gaat heen en bidt voor hem.” Het is niet mogelijk de tooneelen te beschrijven, die zich afspeelden, toen deze vrijgelatenen weer in hun woonplaatsen terugkeerden. Zij hoopten vol vreugde dat alles voorbij was en dat er voor de overgeblevenen betere dagen zouden volgen. Maar ach, deze vreugde duurde slechts één dag. Op den volgenden dag reeds werd door den stadsomroeper in de straten bekend gemaakt, dat alle Armeniërs, vrouwen, kinderen en grijsaards, naar Mosoel zouden worden vervoerd. Toen eerst kregen de ongelukkigen inzicht in de waarheid. Tot nu toe hadden zij zich illusies gemaakt, dat de weg der bevrijding eens zou worden ontsloten. De hoop, dat het ergste niet zou volgen, had hen niet verlaten. Naar ik uit een gesprek, dat ik met

pagina 178

verschillende Turken, ambtenaren en anderen, gevoerd heb, ben ik tot de overtuiging gekomen, dat ook deze gedeporteerden allen zijn gedood.

BERICHT VAN EEN DUITSCHE ZENDELINGE UIT DEIR-ES-SOR

In Deir-es-Sor, aldus deelde de Duitsche zendelinge, Fräulin L. Möhring, onder dagteekening van 12 Juli 1915, mede, een groote stad 1) ongeveer zes dagreizen van Aleppo verwijderd, vonden wij den grooten Khan geheel gevuld. Alle ter beschikking staande ruimte, daken en verandas, waren door de Armeniërs bezet, in hoofdzaak vrouwen en kinderen, doch ook een aantal mannen had, waar dit mogelijk was, dekking gezocht. Zoodra ik hoorde, dat het Armeniërs waren, ging ik heen, om met hen te spreken. Het waren weggevoerden uit Furnus, uit de omgeving van Zeitoen en Marasch, die daar, opeengepakt in nauwe ruimten, een treurigen aanblik boden. Op mijn vraag naar de kinderen uit onze weeshuizen bracht men mij een leerlinge van zuster Beatrice Rohner. Zij vertelde mij het volgende: Op zekeren dag waren Turksche troepen naar Furnus gekomen en hadden een groot aantal mannen weggevoerd, die, naar zij zeiden, soldaat moesten worden. Waarheen zij werden gebracht, was noch hun noch hun familie bekend. De achtergeblevenen werd aangezegd, dat zij

1) Deir-es-Sor aan den Euphraat wordt alleen bewoond door Mohammedaansche Arabieren.

pagina 179

binnen vier uur hun huizen hadden te verlaten. Het werd hun toegestaan mede te nemen, hetgeen zij konden dragen, terwijl zij ook rijdieren mochten meevoeren. Na verloop van den gezetten tijd moesten de arme menschen onder aanvoering van Saptieh's uit hun dorp vertrekken, niet wetend waarheen, noch of zij het ooit zouden wederzien. Aanvankelijk, zoolang zij nog in de bergen waren en voldoende levensmiddelen bezaten, ging het goed. Men had hun geld beloofd en brood en inderdaad kregen zij ook in den eersten tijd per hoofd dertig para (ongeveer zeven cent). Al heel spoedig hielden deze rantsoenen op en kreeg men slechts gedorscht graan (150 gram per hoofd en per dag). Op deze wijze waren de inwoners van Furnus na een vier weken lange zware reis in Deir-es-Sor aangekomen. Drie weken lang waren zij er nu reeds, en zij wisten niet wat verder met hen zou geschieden. Geld hadden zij niet meer en ook de door de Turken in het vooruitzicht gestelde levensmiddelen bleven achterwege. Reeds dagen achtereen hadden zij geen brood gehad. Men had hen opgesloten, en elk onderhoud met de inwoners der stad verboden. Zoo had ook Martha in Marasch niet in het weeshuis durven gaan. Op treurigen toon vertelde zij mij: Wij hadden twee huizen en alles moesten wij achterlaten. Thans zijn de huizen bezet door Muhadjirs (uit Europa uitgeweken Mohammedanen) Een eigenlijk bloedbad was in Furnus niet aangericht en ook de Saptiehs hadden de bevolking goed behandeld. De gedeporteerden hadden hoofdzakelijk geleden door gebrek aan voedsel en drank, vooral op de wegen door de gloeiend heete woestijn. Als bergbewoners,

pagina 180

zooals zij zich noemden, viel hen die warmte dubbel zwaar. De Armeniërs verklaarden de oorzaak van hun wegvoering niet te weten. Den volgenden dag zagen wij een groot Armenisch kamp. De bewoners hadden van geitevellen een primitieve verblijfplaats gemaakt, waarin zij konden rusten. Voor het grootste deel echter lagen zij zonder eenige beschutting op het gloeiende zand in de verzengende zonnestralen. Om de vele zieken hadden de Turken hen één dag rust veroorloofd. Een troostelooze aanblik als deze volksmassa opleverde, kan men zich niet licht voorstellen. Aan sommige kleedingstukken kon men nog zien, dat zij vroeger in goede doen waren geweest. Nu echter stond de armoede hen op het gelaat geschreven. Brood!... brood!... was de algemeene bede.

Er waren verder inwoners van Geben die men met hun priester had verdreven. Zij vertelden mij: Dagelijks stierven 5 à 6 kinderen of zieken. Op dezen dag had men de moeder van een negenjarig meisje begraven, dat nu gansch alleen op de wereld stond. Men verzocht mij vriendelijk dat kind mede te nemen naar het weeshuis. De priester vertelde mij voorts dezelfde geschiedenis als ik gehoord had van het meisje in Deir-es-Sor. Wie niet bekend is met het woestijnleven kan zich geen denkbeeld vormen van den nood en de ellende, die de gedeporteerde Armeniërs hebben moeten doorstaan. Hier en daar is de woestijn wel heuvelachtig, maar zonder eenige schaduw. Dagen lang gaat de weg over rotsen en dan is hij zeer moeilijk begaanbaar. Ter linkerzijde van Aleppo komende zag men steeds de Euphraat,

pagina 181

die zich als een gele streep door de vlakten kronkelt. Echter was het water niet te drinken. Onverdraaglijk moet dan ook de dorst geweest zijn, die de Armeniërs hebben geleden en het is geen wonder, dat er zoovelen aan ziekten zijn gestorven.

Een zak gevuld met steenhard brood afkomstig uit Bagdad werd dankbaar aanvaard. “Wij weekten het brood in water en dan werd het door de kinderen graag gegeten” zoo vertelde ons een moeder. Toen wij des avonds in het dorp aankwamen vonden wij ook daar zulk een kamp van Armeniërs. Hier waren het de bewoners van Zeitun en ook nu hoorden wij weer dezelfde klachten over gebrek aan brood en mishandeling door de Arabieren. Een meisje uit het Weeshuis te Beirut, opgevoed door diaconessen, verhaalde ons in vloeiend Duitsch van hetgeen zij had ondervonden. “Waarom laat God zulks toe, waarom moeten wij zoo lijden; waarom doodt men ons niet onmiddellijk. Er gaan dagen voorbij dat wij voor onze kinderen geen drinken hebben en de kleinen schreeuwen van dorst. Des nachts komen de Arabieren en zij stelen onze kleeren en ons beddegoed. Zij hebben onze meisjes weggevoerd en zich aan vrouwen vergrepen, wanneer wij op weg niet verder konden werden wij door de Saptiehs mishandeld”, zoo luidde het verhaal van het meisje, en zij vertelde nog veel meer; ook, dat de vrouwen om de schande te ontloopen, zich verdronken en dat moeders met hun pasgeboren kindjes hetzelfde deden, omdat zij in de ellende geen uitweg zagen.

Op den geheelen tocht door de woestijn heerschte er gebrek aan levensmiddelen. Een snellen dood van

pagina 182

het geheele gezin verkozen de moeders boven den langzamen hongerdood.

Op den tweeden dag van onze reis naar Aleppo ontmoeten wij nog eens een aantal Armeniërs, ditmaal uit Hadjin en omgeving. Zij waren pas negen dagen onderweg, en in vergelijking met hun lotgenooten in de woestijn was hun toestand schitterend; zij voerden wagens met huisraad, paarden en ander vee met zich. Eindeloos was de stoet die door het gebergte trok en ik vroeg mijzelven af hoe lang het nog zou duren dat zij in het bezit van dat alles zouden blijven.

Nog waren ze op vaderlandschen grond, in de bergen, en van den wellicht komenden woestijnreis hadden zij geen flauw denkbeeld.

Het waren de laatste Armeniërs die ik gezien heb, maar hetgeen ik heb gehoord en gezien zal ik nooit vergeten!"

BERICHT VAN HET AMERIKAANSCHE HULPCOMITÉ OVER DE CONCENTRATIEKAMPEN AAN DE EUPHRAAT

Iemand, behoorende tot een neutrale natie en voor wiens volstrekte betrouwbaarheid Dr. James L. Barton, voorzitter van het Amerikaansche Hulpcomité, ten volle instaat, heeft de volgende mededeelingen verstrekt omtrent een reis door hem gemaakt langs de verschillende plaatsen, langs den Euphraat, waar een aantal der gedeporteerde Armeniërs, voorzoover zij de reis overleefd hebben, geconcentreerd zijn.

pagina 183

Deze mededeelingen luiden in hoofdzaak als volgt: Ik had verlof gekregen om de legerplaatsen der Armeniërs langs den Euphraat van Meskene tot Deir-es-Sor te bezoeken en mij rekenschap te geven van den toestand, waarin de gedeporteerden zich bevinden en de omstandigheden waaronder zij leven.

Het doel van deze mededeelingen is de resultaten van deze zending weer te geven.

Het is niet mogelijk een goede voorstelling te geven van den ontzettenden indruk, welke ik op mijn reis door de verstrooid liggende kampen opdeed. Van “kampen” kan eigenlijk niet gesproken worden. Het allergrootste deel der ongelukkigen, op ruwe wijze van huis en hof weggedreven, gescheiden van het grootste deel van hun familie; welke vermoord of elders heen gevoerd is, op het oogenblik van het vertrek van nagenoeg alles beroofd wat zij bezaten en onderweegs nog bestolen van het weinige dat zij mede konden nemen, vertoeft thans onder den blooten hemel, als vee op elkander gedreven zonder de geringste beschutting tegen de hitte of de koude, bijna zonder kleeding en zeer onregelmatig en meestal hoogst onvoldoende gevoed. Aan alle weerveranderingen, de zonnnehitte der woestijn in den zomer, de wind- en regenvlagen van de herfst en de strenge koude van den winter blootgesteld, door ontzettende ontberingen verzwakt, door eindelooze marschen uitgeput, vaak mishandeld en steeds in doodsangst hebben zich de weinig en, die nog eenige kracht overhielden, aan den oever der rivier ten slotte holen gegraven, waarin zij schuilen kunnen. De zeer zeldzamen, die er in geslaagd zijn eenige kleeren en eenig geld te

pagina 184

behouden en in staat zijn eenig meel te koopen, worden als rijke lieden beschouwd. Gelukkig worden ook geacht degenen, die zich bij de landlieden wat watermeloenen of een zieke geit tegen reusachtige prijzen kunnen verschaffen. Overal ziet men slechts bleeke gezichten en uitgemergelde gestalten, dwalende skeletten, door en door ziek en die zeker den hongerdood ten offer zullen vallen. Bij de maatregelen, die genomen zijn om deze gansche bevolking in de woestijn over te brengen, is op geen enkele wijze voor de voeding zorg gedragen. Integendeel is het duidelijk, dat de regeering het voornemen had haar van honger te laten sterven. Zelfs een georganiseerde moordpartij, als in de dagen, toen te Constantinopel nog niet van vrijheid, gelijkheid en broederschap gesproken werd, ware een veel menschelijker maatregel geweest, want dan zoude aan dit beklagenswaardige volk, de ramp van den honger, de langzame dood en het ontzettende lijden onder de verfijnde mishandelingen, als zelfs de ruwste Mongolen niet zouden hebben uitgedacht, bespaard zijn gebleven. Maar een massale moord is minder constitutioneel dan de hongerdood. De beschaving is thans gered.

Wat nog over is van het Armenische volk zijn uitsluitend grijsaards, vrouwen en kinderen. Mannen van middelbaren leeftijd en jonge mannen, voorzoover zij niet vermoord zijn, worden op de groote rijkswegen verstrooid om steenen te kloppen of zijn opgevorderd om ergens voor rijks rekening te arbeiden om in legerbehoeften te voorzien. De jonge vrouwen en meisjes zijn in den regel door de muzelmannen als buit beschouwd. Op de lange marschen naar

pagina 185

het einddoel der deportatie, heeft men ze weggesleept, haar somtijds geweld aangedaan of ze verkocht, voorzoover ze niet door de ruwe gendarmen, die de kudden vergezelden, zijn omgebracht. Zeer velen zijn door haar roovers naar harems overgebracht.

Gelijk aan den ingang van Dantes hel kan bovendien van de concentratiekampen geschreven worden: “Wie hier binnentreedt, late alle hoop varen”. Bereden gendarmen doen de rondte om al wie tracht te vluchten, op te vangen en met den knoet te straffen. De wegen worden goed bewaakt. En welk een wegen. Zij leiden naar de woestijn: waar den vluchtelingen een bijna even zekere dood wacht als onder de knoet van hun bewakers.

Ik vond in de woestijn op verschillende plaatsen zes zulke vluchtelingen, die hun bewakers ontsnapt waren, doch nu lagen te sterven. Zij waren door uitgehongerde honden omgeven, die op het einde van hun doodstrijd wachten om zich op hen te werpen. Langs de wegen vindt men overal overblijfselen van zulke ongelukkige Armeniërs. Bij honderden kan men de aardhoopen tellen, onder welke deze offers van een niet te qualificeeren barbaarschheid rusten.

Eenerzijds verhindert men hen de kampen te verlaten en anderzijds maakt men het hun onmogelijk de bekwaamheden, aan hun ras eigen, te gebruiken om op vindingrijke wijze hun lot te verbeteren.

Men zoude eenige beschutting, hutten van aarde of van steen kunnen bouwen. Indien er maar eenig onderkomen ware, dan was het den ongelukkigen

pagina 186

mogelijk zich met landarbeid bezig te houden. Maar ook deze hoop heeft men hun ontnomen, want zij werden voortdurend onder bedreiging van den dood van de eene naar de andere plaats gesleept om afwisseling in hun rampen te brengen. Men jaagt ze telkens op voor nieuwe marschen, zonder brood en zonder water, onder de zweep van hun drijvers aan nieuwe mishandelingen blootgesteld, zooals zelfs de slavenhandelaren van den Sudan hun offers niet doen ondergaan.

Degenen, die nog eenig geld bij zich hebben, worden onophoudelijk door hun bewakers uitgeplunderd, die hun met nog verdere deportatie bedreigen en zulks ook uitvoeren, wanneer hun kleinere afdreigmiddelen niet werken. Ik meende inderdaad een reis dwars door de hel te maken. De weinige bijzonderheden, welke ik hier laat volgen, geven slechts een zwakke voorstelling van het gruwelijke beeld, dat ik voor oogen heb gehad. Overal dezelfde tooneelen, overal hetzelfde schrikbewind der barbaarschheid, dat de systematische uitroeiing van het Armenische volk ten doel heeft.

Van Meskene tot Deir-es-Sor zijn overal de oevers van den Euphraat getuigen van dezelfde afschuwelijkheden.

Meskene is door zijn geografische ligging aan de grens van Syrië en Mesopotamië het aangewezen concentratiepunt voor de gedeporteerden uit de Anatolische districten, van waar uit zij langs den Euphraat verdeeld worden. Zij kwamen daar bij tienduizenden aan, maar het grootste deel liet er ook het leven. De inlichtingen, welke ik ter plaatse kreeg,

pagina 187

geven mij het recht te zeggen, dat er bij de 60.000 Armeniërs begraven liggen, die aan honger, ontberingen, typhus en dysenterie stierven. Zoover het oog reikt zijn er grafheuvels, die elk twee à driehonderd lijken bevatten, vrouwen, grijsaards en kinderen van alle standen en familiën door elkander. Thans zijn er nog 4.400 Armeniërs tusschen de stad en den Euphraat gelegerd. Zij zijn slechts levende geraamten; hun bewakers geven hun slechts een spaarzaam stukje brood, en het komt voor, dat zij in drie dagen niets ontvangen. Een ontzettende dysenterie heerscht er, die speciaal onder de kinderen groote offers vergt. De ongelukkige kleinen vallen tengevolge van hun honger op alles aan wat zij zien; ze eten gras, aarde en zelfs uitwerpselen. In een tent zag ik er vierhonderd weeskinderen bijeen; zij moeten elken dag 150 gram brood krijgen, doch het komt voor, dat zij twee of drie dagen zonder eenig voedsel blijven. De sterfte is natuurlijk buitengemeen. Ik kon vaststellen, dat de dysenterie er in acht dagen zeventig wegrukte.

Te Abu Herera, het ongezondste oord der woestijn, vertoeven op een heuvel 240 Armeniërs, welke onder bewaking van twee gendarmen honger lijden. Dicht bij de plaats, waar mijn wagen ophield, zag ik vrouwen, die uit het paardenvuil de weinige onverteerde gerstekorrels bijeenzochten. Op het brood, dat ik ze gaf, wierpen zij zich als uitgehongerde dieren, zij verscheurden het met hunne tanden en toen mijn aanwezigheid aan de anderen bekend was geworden, stortte de geheele troep zich van den heuvel mij tegemoet, smeekende om brood; het waren alle

pagina 188

vrouwen en kinderen; ik was getuige van een feitelijken veldslag om het brood, dat ik geven kon.

In denzelfden geest schrijft de reiziger omtrent Hamman, waar hij 1600 Armeniërs aantrof, waaronder nog enkelen, die eenig geld hadden en daardoor in ietwat beteren toestand. In Semga almede dezelfde treurige toestand.

Omtrent zijn bezoek aan Rakka rapporteert hij in hoofdzaak het volgende:

Rakka is een belangrijke plaats aan den Euphraat. Daar zijn 5 à 6.000 Armeniërs, hoofdzakelijk vrouwen en kinderen, die over de verschillende stadswijken verdeeld zijn in groepen van 50 tot 60, ondergebracht in vervallen huizen, welke hun door de goedheid van den gouverneur zijn aangewezen. Ofschoon het niet anders is dan een allereerste plicht van een Turkschen ambtenaar tegenover Turksche onderdanen, moet men toch in de gegeven omstandigheden deze daad als eene, welke heldhaftige edelmoedigheid bewijst, beschouwen. Ofschoon men de Armeniërs te Rakka beter behandeld dan ergens anders, is toch hun ellende ook daar nog erg genoeg. Brood wordt er slechts onregelmatig en in onvoldoende mate verdeeld. En onder die hongerige bedelaars zijn er velen, die vroeger een hooge plaats in de maatschappij innamen. Gisteren nog rijk en benijd, bedelen zij thans als de armsten langs de straten en de bakkerijen.

Aan den anderen oever van den Euphraat tegenover Rakka vond ik eveneens duizenden Armeniërs onder tenten opeengekoopt en door soldaten bewaakt. Zij waren ook uitgehongerd en wachtten er op om verder te worden getransporteerd naar oorden, waar

pagina 189

zij de opengevallen plaatsen van overleden voorgangers konden aanvullen. Hoevelen van die lieden zullen niet eens hun plaats van bestemming bereiken!

Sierrat ligt noordelijk van Rakka. Daar kampeeren 180 Armeniërs en lijden daar nog meer dan elders van den honger. Want er is niets dan rivier en woestijn. Vele vrouwen en kinderen dwalen er langs de rivier om halmen en kruiden te vinden voor den honger. Andere storten ineen onder de oogen van hun onmeedoogende bewakers. Een barbaarsch bevel verbiedt elk gaan buiten de grenzen van het kamp dan met bijzonder verlof en zulks op straffe van de knoet.

Omtrent den toestand te Deir-es-Sor bevat het rapport o.a. het volgende:

Deir-es-Sor is de hoofdplaats van de provincie van dien naam. Een paar maanden geleden waren daar 30.000 Armeniërs in verschillende kampen buiten de stad ondergebracht onder de bescherming van den gouverneur Aly Sound Bey. Deze man bezit een hart en de Armeniërs zijn hem zeer dankbaar voor hetgeen hij beproefd heeft, om hun lot te verzachten. Hem was het onder meer te danken, dat een aantal Armeniërs met venten iets verdiende en dragelijk kon bestaan. Zulks bewijst tevens, dat al mocht eenig staatsbelang de deportatie noodig hebben gemaakt, de Turksche autoriteiten toch de menschelijkheid in acht hadden kunnen nemen door de Armeniërs ergens heen te brengen, waar zij, zich aan handel of handwerk hadden kunnen wijden. Het ware ook in het belang van het Rijk geweest hen ergens te brengen, waar zij in den landbouw, welke

pagina 190

overigens nagenoeg stil ligt, rijkelijke bezigheid gevonden hadden. Maar neen, het doel ging verder, men wilde met één slag de Armenische kwestie op lossen. De dragelijke toestand te Deir-es-Sor gaf aanleiding tot een aanklacht te Constantinopel. De schuldige Gouverneur werd naar Bagdad gezonden en vervangen door Zekki Bey, die om zijn barbaarchheid genoeg bekend is. Onder dezen gouverneur kwamen mishandelingen, geeselingen en ophangen aan de orde van den dag. De jonge vrouwen werd geweld aangedaan en zij werden aan de nomaden uit de omgeving afgestaan. Kinderen werden in de rivier geworpen. Het weeshuis, waarin Aly Sound Bey omstreeks duizend kinderen op kosten der gemeente deed onderhouden, werd opgeheven, de kinderen op straat gezet en aan den hongerdood prijs gegeven. Ten slotte werden de 30.000 Armeniërs, die rondom Deir-es-Sor waren, naar het gebied langs de Chabur, een bijrivier van de Euphraat gezonden, wel de ellendigste streek der geheele woestijn en naar de berichten, die ik ontving, is bereids een groot deel van hen omgekomen, terwijl de rest groot gevaar loopt hetzelfde lot te ondergaan.

Het rapport eindigt met de mededeeling, dat er nog ongeveer 15.000 Armeniërs tusschen Meskene en Deir-es-Sor in leven zijn. Ofschoon in vreeselijken toestand, kan een groot aantal van hen behouden blijven als zij over eenig geld beschikken. Het is wel moeilijk om geld of hulp te doen toekomen, maar het is toch mogelijk hun langs een omweg hulpmiddelen te doen toekomen, om hen van een toereikende hoeveelheid meel te voorzien. Komt er

pagina 191

geen genoegzame hulp, dan zijn die lieden ter dood veroordeeld. Krijgen zij ondersteuning, dan mag men hopen, dat men hen in leven houdt tot den vrede, welke alleen een afdoende wending in hun lot kan brengen.

pagina 192

Colofon