Marteling der Armeniërs in Turkije – introductiebrief

L.S.

Het Oostersche christendom heeft zich nimmer in groote belangstelling van christelijk Europa mogen verheugen, hoewel sinds eeuwen het Turkse kromzwaard aan alle politieke, en ten deele ook aan de godsdienstig-nationale onafhankelijkheid der christenen in Klein-Azië, wreedaardig een einde maakte.

Met name is zulks het geval geweest met de Armenische natie.

Want ofschoon dit Indo-Europeesche volk de oudste christennatie van gansch Azië is, zoo heeft christelijk Europa dit aloude martelaarsvolk meestal hulpeloos aan zijn jammerlijk lot overgelaten. En hoewel de zes christelijke Mogendheden in de loop de 19e eeuw allerlei “hervormingsplannen” aangaande Armenië aan de Turkse regeering hebben afgedwongen, zoo deed hun onderling naijver al deze “hervormingen” ellendig strandbreuk lijden. Leven en eigendom der Armeniërs bleven in Turkije ten prooi aan allerlei willekeur en geweld, die vaak hun hoogtepunten bereikten in ontzettende moordpartijen, als die van Abdul-Hamid, in 1895/96 door geheel Klein-Azië; en in 1909 te Adana, door de Jong-Turken.

Maar na het uitbreken van den nog voortwoedenden “grooten” Europeeschen oorlog, heeft het Pan-Turkisme in het tegenwoordige Turkije de kans schoon gezien, om het gehate ras der christen-Armeniërs aan een weloverlegd, en helaas! ten grootsten deele ook geslaagd uitroeiingsproces, door massacres en deportaties, te onderwerpen.

Mag christelijk Europa en christelijk Nederland, dezen nieuwen gruwel, sprakeloos en werkeloos laten geschieden? Is hier niet een oude eereschuld af te lossen?

Om tot de recht beantwoording dezer gewichtige vragen de noodige gegevens te verschaffen, heeft het “Nederlandsch Comité tot hulpbetoon aan de noodlijdende Armeniërs” de eer, U het hierbijgaand gedrukt rapport aan te bieden; met dit vriendelijk verzoek: neem s.v.p. eens, door middel van deze betrouwbare berichten, kennis van het duldeloos martelaarschap dezer kleine christennatie, door bestiaal Turksch fanatisme haar aangedaan. En dan twijfelt genoemd “Comité” niet, of de daarbij ingesloten formulieren, tot geldelijke hulpverleening, blijven niet oningevuld.

Maar bovenal beoogt het Comité door dit rapport kennis van, en sympathie voor het gemarteld Armenië, ook in Nederland te verspreiden, opdat mede daardoor nog eens een betere toekomst voor Armenië aanbreke.

Gaarne is het Comité bereid ook door het levende woord, deze zaak te komen bepleiten, bij monde van zijn agent: Ds. H. KOFFIJBERG, te Muiderberg, overal waar zulks gewenscht wordt; opdat, zoo mogelijk, ook door de oprichting van plaatselijke hulpcomité's, voor de duizenden van onverzorgde weezen en noodlijdenden in Armenië, de allernoodigste hulpmiddelen mogen gevonden worden; en Armenië's kerk- en schoolwezen voor algeheelen ondergang worden behoed.

Want, wat Gladstone eens schreef: “Armenië helpen, is de menschheid en het christendom helpen”, is helaas! nog van kracht.

Namens het Comité:
Ds. H. KOFFIJBERG,
Generaal-Agent.

Colofon