Marteling der Armeniërs in Turkije – eerste deel

EERSTE DEEL

DE DEPORTATIE


De deportatie der Armenische bevolking heeft zich afgespeeld in drie verschillende gebieden, en gedurende drie opeenvolgende tijdperken.

Deze drie gebieden, waar de Armeniërs van 10 tot 40 ten honderd der bevolking uitmaken, zijn de navolgende: Cilicië en Noord-Syrië, Oost-Anatolië en West-Anatolië.

Het gebied van Cilicië omvat het wilajet (provincie) van Adana en de hoogere, in den Taurus en Amanus gelegen onderdeelen van het wilajet van Aleppo (Sandschak Marasch). In Noord-Syrië en Mesopotamië zijn de vestigingsgebieden der Armeniërs te vinden in Aleppo, Antiochi, Sueidije, Kessab, Alexandrette, Killis, Aintab en Urfa.

De Oost-Anatolische wilajets, waar Armeniërs zich gevestigd hebben, zijn de navolgende wilajets: Trapezunt, Erzeroem, Siwas, Kharput, Diarbekir, Wan en Bitlis. En van het West-Anatolische gebied komen hiervoor in aanmerking het onder-wilajet Ismid en de wilajets Broessa (Khodawendikjar), Kastamoeni, Angora en Konia.

pagina 9

De deportatie van het Armenische volk in Cilicië begon einde Maart en werd gedurende de maanden April en Mei systematisch voortgezet. In de oostelijke landstreken, met uitzondering van Wan, geschiedde de wegvoering stelselmatig vanaf 1 Juli; in West-Anatolië vanaf Augustus en September.

In Noord-Syrië en Mesopotamië bepaalde de deportatie zich aanvankelijk tot eenige notabelen, maar van einde Mei tot half October werd zij ook daar algemeen.

I. Cilicië

Alvorens de bijzonderheden te vermelden van de wegvoering der Armeniërs uit Cilicië (Adana en Sandschak Marasch) is het noodig de aandacht te schenken aan tooneelen, die zich eenigen tijd te voren hadden afgespeeld in de stad Zeitoen, in den Taurus.

1. ZEITOEN

Deze stad, gelegen in een der hoogdalen van den Taurus, vijftig kilometer ten noorden van Marasch, met een sterke Armenische bevolking, genoot tot in de zeventiger jaren een zekere onafhankelijkheid en was tot dien tijd, in het bezit van een zelfbestuur, zooals nog heden ten dage de Kurdische stammen in Kurdistan hebben.

Ten tijde van het bloedbad, dat plaats greep onder Abdoel Hamid, gingen de bewoners van Zeitoen zich wapenen tegen de omwonende Turken en tegen inmiddels daar gelegerde Turksche troepen.

Zij gingen hiermede voort tot de Regeerings-

pagina 10

konsuls hunne bemiddeling verleenden en den bewoners van Zeitoen amnestie verschaften.

De opstand der Zeitoener bewoners had eenerzijds tot gevolg, dat zij van het bloedbad in 1895-1896 verschoond bleven; anderzijds echter haalden zij daarmede ook het wantrouwen van de bevoegde macht zich op den hals. Echter leefde bij die bevoegde macht reeds van het begin van den oorlog de wensch, om het bergnest Zeitoen uit te roeien.

Bij de algemeene mobilisatie in Augustus 1914 werden ook de dienstplichtige Armeniërs van deze stad opgeroepen, zonder dat de overheid ook maar eenigen tegenstand ondervond.

Toen niettemin in October van hetzelfde jaar de burgemeester van Zeitoen, Nazaret Tschausch, met een geleidebrief van den Turkschen landraad in Marasch kwam, om ambtelijke aangelegenheden te bespreken, werd hij, ondanks zijn vrijgeleide, in de gevangenis geworpen, waar hij gefolterd werd en weldra stierf. Toch hielden de Zeitoeners zich rustig. Maar duidelijk bleek het, dat de bevoegde macht aanleiding zocht om te kunnen optreden. De Turksche gendarmen (saptiehs), die den veiligheidsdienst in de stad moesten verrichten, maakten het den inwoners op alle manieren lastig, drongen ongevraagd, ongeweigerd de huizen binnen, plunderden winkels en magazijnen, mishandelden weerlooze menschen en onteerden de vrouwen.

Steeds meer kwamen de bewoners van Zeitoen tot de overtuiging, dat men iets met hen vóór had; zij bleven echter rustig. In December 1914 werd de uitlevering

pagina 11

van alle wapens bevolen, hetgeen zonder eenig incident geschiedde. Mochten dus ook de Armeniërs uit Zeitoen aan eenige wederspannigheid hebben gedacht, na de inlevering der wapens was hiervan natuurlijk geen sprake meer. Het bleef dan ook den geheelen winter kalm in Zeitoen.

In het voorjaar echter zou de toestand veranderen. Turksche soldaten ontzagen zich niet Armenische meisjes te onteeren, waardoor het volk in zijn edelste rechten en werd gekrenkt. Reeds spoedig kwam het tot een gevecht, waarin een twintigtal Armenische heethoofden zich mengden. Deze twist liep zoo hoog, dat aan beide zijden eenige vechtlustigen werden gedood. Onder de Armeniërs, die aan den twist hadden deelgenomen, waren eenige deserteurs die, om de bestraffing te ontgaan, in een klooster vluchtten, dat drie-kwart uur noordelijk van de stad gelegen was, waar zij zich barricadeerden.

Tot groote ontsteltenis en schrik der bewoners van Zeitoen kwam kort daarop, begin Maart 1915, een groote militaire macht, men spreekt van 4.000 tot 6.000 soldaten vanuit Aleppo naar Zeitoen. Dit militaire machtsvertoon tegen Zeitoen bracht in geheel Cilicië groote ontroering.

De Armenische katholikos van Sis schrijft hierover dd. 16 Maart aan het patriarchaat o.a. het volgende:

“De regeering heeft maatregelen genomen tegen de vluchtelingen uit Zeitoen. Waar die maatregelen vergezeld gaan van een buiten gewoon omvangrijke militaire actie, die in geen

pagina 12

verhouding staat tot de onbeteekenende aanleiding, daar vreezen wij, dat het hier gaat in de allereerste plaats tegen de eerlijke, loyale bevolking van Zeitoen. Wij zijn ervan overtuigd, dat ons een groot ongeluk wacht. Het uit officieren samengestelde krijgsgerechthof is enkele dagen geleden over Marasch naar Zeitoen afgereisd. Wij weten geen nadere bijzonderheden, maar wij zien maar al te duidelijk dat de Kaimakam 1) met de militaire kommandanten uit Zeitoen op grond van desertie van eenige personen, ongehoorde represaille maatregelen tegen de inwoners van Zeitoen voorbereiden. De bewoners van Zeitoen hebben zich tot mij gewend; zij zeggen, dat de naburige Turksche dorpen van de gelegenheid misbruik maken, en met leugen en bedrog den Kamaikan en de militaire autoriteiten tegen onze bevolking trachtten op te zetten. Wij kennen deze lieden, en wij weten wie de bevelhebber van Marasch is, en wij hebben aan Zijne Excellentie Djelal Bey, den Wali van Aleppo, verzocht, al het mogelijke te doen om een ramp te voorkomen. Hij weet de verhoudingen die er bestaan, en wij vertrouwen hem volkomen. Wanneer hij met een onderzoek zal worden belast, zoo zijn wij zeker, dat er naar recht zal worden gehandeld.

Djelal Bey werd echter niet met het onderzoek

1) Een Kaimakam staat aan het hoofd van een Sandjak (district), een Wali is de bestuurder van een Wilajet (provincie).

pagina 13

belast, maar van zijn post afgezet, omdat hij niet handelde in overeenstemming met de verordeningen van de Centrale Regeering ten opzichte van de behandeling der Armeniërs.

Zeitoen werd omsingeld. Met het oog op de vele troepen werden allerwege in de stad witte vlaggen ontplooid, ten teeken dat men aan geen opstand dacht. De vluchtelingen in het klooster bleven echter gebarikadeerd; zij verdedigden zich den geheelen dag en wisten, daar zij zich uitnemend hadden verschanst en goede schutters waren een groot aantal Turksche soldaten te dooden, terwijl zij slechts enkele gewonden telden. De bewoners van Zeioen verzochten den leger-kommandant met nadruk, de vluchtelingen niet te laten ontsnappen, opdat daardoor niet de bewoners voor de gepleegde feiten verantwoordelijk zouden worden gesteld.

Evenwel gelukte het den vluchtelingen te ontkomen, gebruik makende van het feit, dat de bewaking van het klooster des nachts onvoldoende was gebleven.

Den volgenden morgen om 9 uur, nog vóór dat de ontvluchting in Zeitoen bekend was, ontbood de commandant 300 notabelen der stad bij zich in het legerkamp “ter bespreking van een en ander”. Tot nu toe had men met de overheid in een goede verstandhouding geleefd; men vreesde geen kwaad, en dus verschenen de opgeroepen en op het bepaalde uur. De meesten kwamen in hun gewone, dagelijksche kleeding; slechts enkelen hadden wat geld bij zich gestoken en zich beter gekleed. Bij groepjes kwamen de argeloozen van hun woningen uit de bergen naar

pagina 14

de verzamelplaats. Zij waren, eenmaal in het Turksche kamp aangekomen, dan ook niet weinig verwonderd te hooren, dat van een terugkeeren naar hun stad en woningen geen sprake meer zou zijn, en zij zonder meer zouden moeten vertrekken; onmiddellijk. Aan sommigen hunner werd vergund gebruik te mogen maken van een wagen, de meesten werden echter te voet het kamp uitgeleid.

Waarheen? Ze wisten het niet!

De deportatie der Armenische bevolking was aangevangen en zou stelselmatig worden voortgezet, totdat ongeveer 20.000 menschen waren weggevoerd.

De stad bestond uit vier wijken. De eene wijk na de andere werd ontruimd; de vrouwen en kinderen meestal gescheiden van den man en vader. Slechts zes Armeniërs moesten acherblijven: voor ieder ambacht één.

Deze wegvoering duurde weken achtereen. In de tweede helft van Mei was Zeitoen volkomen leeg gehaald. Zes tot achtduizend inwoners van de stad werden opgeborgen in de moerassige streken van Karabunar en Suleimanië, gelegen tusschen Konia en Eregli, in de provinci Konia; vijftien à zestien duizend Zeitoeners, werden naar Deir-es-Sor, aan de Euphraat, in de steppen van Mesopotamië, gevoerd. Eindelooze karavanen trokken door Marasch, Adana en Aleppo. De voeding was onvoldoende; bij het eindpunt van de moeilijke tocht was voor niets gezorgd; huisvesting werd niet gevonden.

Een ooggetuige, die aan de deportatie in Marasch wist te ontkomen, beschrijft zulk een uittocht:

pagina 15

“Ik zag ze gaan. Eén eindelooze optocht, begeleid door gendarmen, die met stokken gewapend de menigte voortdreef. Half gekleed, doodmoe sleepte zij zich voort. Bejaarde vrouwen waren doodmoe neergezegen, maar moesten weer voort, wilden zij geen kennis maken met den dreigenden stok van den saptieh. Anderen werden voortgedreven als een ezel. Ik zag hoe een jonge moeder ineen zakte, de begeleiders gaven haar twee, drie slagen en afgebeuld stond zij weer op. Vóór haar liep haren man met een driejarig kindje op den arm. Iets verder strompelde een oude vrouw, die, afgetobt, in den modder neerviel. Een soldaat wist niet beter te doen dan haar twee of driemaal met zijn stok te slaan, maar zij roerde zich niet. Dan maar een schoppen met zijn zwaargelaarsden voet, maar ook dat baatte niet; onbewegelijk bleef de oude vrouw liggen. Nog eenmaal gaf de saptieh een harden schop, waardoor het slachtoffer in de greppel rolde… de oude vrouw was dood. De menschen, die op hun vermoeienden doortocht hier in de stad aankomen, hebben sinds twee dagen niets gegeten. De Turken veroorloven hun niet eenige kleedingstukken mede te nemen of een muildier of een geit. Alles wat zij bezaten, werd voor zoo goed als niets verkocht: een geit voor vierenvijftig cents; een volwassen muildier voor zes gulden; daarvoor konden zij nog wat brood koopen. Zij, die nog geld hadden en eten konden koopen, deelden met hun lotgenooten tot alle

pagina 16

voorraad was opgebruikt. Het meeste wat zij bezaten, was echter onder onderweg reeds gestolen. Aan een jonge vrouw, sinds acht dagen moeder, had men reeds in den eersten nacht van het vertrek haren ezel ontstolen. Men dwong de gedeporteerden hun bezit in Zeitoen te laten, opdat de Bosniaksche Mohammedanen, de Muhadjirs, die door de Turken als nieuwe inwoners der stad waren aangewezen, zonder moeite hun nieuwe verblijfplaats zouden kunnen betrekken.”

Nu zijn er ongeveer 20.000 à 25.000 Turken in Zeitoen. De naam der stad is veranderd in Sultanieh. De stad en dorpen om Zeitoen zijn geheel van christenen ontruimd. Van de ongeveer 25.000 gedeporteerden werden er 15.000 à 16.000 naar Aleppo gezonden, maar zij zullen weldra verder worden opgejaagd in den Arabischen Woestijn. Zal men hen daar misschien laten sterven van honger? Degenen die hier zijn doorgetrokken, gingen naar de provincie Konia, eveneens een onherbergzaam oord. Twee of drie weken moesten zij aan het eindstation van den Anatolischen spoorweg bij Bosanti blijven wachten, daar het spoorwegmateriaal voor het vervoer van troepen gebezigd werd. Toen zij in Konia arriveerden, hadden zij in drie dagen geen eten gehad. De Grieken en Armeniërs in de stad, met het lot der arme voortgedrevenen bewogen, wilden geld en levensmiddelen afstaan om hen te ondersteunen, maar de Wali van Konia verbood de bevolking, aan de gedeporteerden iets te geven: “zij hebben

pagina 17

alles wat zij behoeven!” Zoo bleven zij ook de volgende drie dagen zonder voeding. Toen eerst hief de Wali het verbod op en moesten, onder toezicht der soldaten, voedingsmiddelen uitgereikt worden. Mijn zegsman vertelde mij nog, dat een jonge Armenische, op den weg van Konia naar Karabunar haar pasgeboren kind in waterput wierp... Zij kon het niet meer voeden. Een andere moeder had haar kind, dat zij niet kon zien doodhongeren, onderweg uit het venster van den wagon geworpen.”

Tot zoover het eerste schrijven van dezen ooggetuige. Op den 21en Mei schrijf hij nog:

“De derde en laatste trek van bewoners van Zeitoen is op de 13 den Mei, s morgens om 7 uur, door onze stad gekomen, en ik heb eenige van hen in hun tijdelijke verblijfplaats kunnen spreken. Zij waren allen te voet en hadden de twee laatste dagen, waarop het steeds had geregend, geen voedsel ontvangen. Ik zag een kind, dat langer dan een week barrevoets had moeten loopen en slechts met een gescheurd schortje gekleed was. Het rilde van koude en gebrek en de knokken staken den armen kleine letterlijk door het vel. Ongeveer duizend kinderen moesten op den weg achter blijven daar zij niet verder konden loopen. Zijn zij van honger omgekomen? Waarschijnlijk! Veel zal men van hen niet meer hooren!

Ik zag ook twee oude grijze vrouwtjes uit

pagina 18

Zeitoen. Zij behoorden tot een rijke familie, maar hadden het niet gewaagd uit hun woning iets meer mede te nemen dan de kleeren die zij hadden aangetrokken. Wel gelukte het hun een vijf à zestal goudstukken onder hun pruik te verbrbergen, maar toen onderweg de zon ging schijnen en haar stralen in het metaal werden weerkaatst, merkte een der Saptieh's dit op. Zonder tijd te verliezen trachtte hij de goudstukken van onder de grijze haren te voorschijn te brengen.

En toen dat niet spoedig genoeg gelukte, rukte hij eenvoudig op hardhandige wijze de pruik af. Nog een ander niet minder wreed tooneel zag ik met eigen oogen afspelen. Een eertijds rijk ingezetene van Zeitoen, voerde als eenig overblijfsel twee geiten met zich. Plotseling grijpt een gendarme de beesten bij den bek en eischt ze op hoogen toon van hem op. De Armeniër bidt den aanvaller hem die twee beesten te laten behouden, eraan toevoegende dat het zijn gansche bezit is en hij niets meer heeft om van te leven.

Als eenig antwoord onthaalt de Turk den Armeniër op zulk een groot aantal stokslagen dat deze zich in den modder kromt en het bloed uit zijn wonden zich mengt met het slijk. Daarna gaf de Turk den Armeniër nog een schop en verdween toen met de beide dieren. Twee andere Turken zagen in de onmiddellijke nabijheid dit schouwspel aan, maar geen spier op hun gelaat vertrok. Geen van beiden dacht er aan zich met het voorval te bemoeien.”

pagina 19

Over het lot van de naar Karabunar verbannenen wordt onder dagteekening van 14 Mei het volgende geschreven:

“Een brief, dien ik uit Karabunar ontving en aan welks inhoud ik niet kan twijfelen, omdat de schrijver mij bekend is, verzekert ons, dat van de Armeniërs, die ten getale van zes à acht duizend van Zeitoen naar Karabunar zijn overgebracht naar het meest ongezonde deel der provincie, er dagelijks 150 à 200 van honger sterven. De malaria richt onder hen de vreeselijkste verwoestingen aan, daarin geholpen door het gebrek aan deksel en voedsel. Welk een gruwzame ironie van de regeering, die voorgeeft de deportatie te bewerkstelligen teneinde in Karabunar een kolonie te stichten! Zij bezitten ploeg noch zaad, brood noch onderdak; met geheel ledige handen, zonder eenig bezit, zijn de “kolonisten” aangekomen.”

2. DÖRT-JOL

Toen de deportatie van uit Zeitoen reeds aan den gang was, begonnen de Turken in Dört-Jol (Tschok Merzimen) een plaats gelegen in de Issus-vlakte, aan de Golf van Alexandrette.

Nadat een vijftal Armeniërs van Dört-Jol in het openbaar was opgehangen, werden de mannelijke bewoners van het volkrijke stadje opgevorderd om verschillende diensten te verrichten ten behoeve der Turken.

Reeds spoedig hoorde men, dat de weerlooze

pagina 20

arbeiders vermoord werden door de gewapende Mohammedanen, die hun als kameraden waren toegevoegd, met het gevolg dat de mannen van Dört-Jol verder weigerden met Mohamedanen te werken.

De Regeering zond daarop militairen, die belast werden met de deportatie der mannelijke bevolking naar de omgeving van Hadjin, om daar openbare werken te verrichten. Slechts één Armeniër bood tegenstand; zoo verwoed was hij op de Turksche gendarmen dat hij een van hen doodde. Als straf voor deze gewelddaad, werden zes Armeniërs gegrepen en omgebracht.

Van de naar Hadjin weggevoerde mannelijke bevolking werd sinds dien niets meer vernomen. Men vreest dat zij gezamenlijk zijn gedood.

Zoodra de mannen waren weggevoerd, was de beurt aan de vrouwen en kinderen. Zij werden gevoerd naar Deir-es-Sor, waardoor het eertijds zoo welvarende plaatsje Dört-Jol als uitstierf.

Moesten de bewoners misschien zooveel lijden omdat eens, in den tijd van de uitmoording onder Abdul Hamid, het stadje zich met goed gevolg tegen de Turksche horden had verdedigd?

3. DE DORPEN IN DEN TAURUS EN DEN AMANUS

Na Dört-Jol werden geleidelijk in de maanden April, Mei, Juni en Juli, de Armenische districten in de provincie Adana en het Sandschak Marasch aan de deportatie onderworpen. Van de provincie Adana zijn in ’t bijzonder te vermelden: in Sandschak Kozan,

pagina 21

de steden Sis, Hadjin , Karsbaiar, de dorpen Schehr en Rumlu; in het Sandschak Djebel-Bereket de dorpen Osmanië, Hassanbeyli, Dengala, Harni, Drtadli, Tarpus, Ojakli, Enserli, Lapadschli; in het Sandschak Marasch, behalve Zeitoen, de steden Albistan, Geben, Göksun, Furnus en de dorpen Taschuluk, Djiwikli, Tundatschak en de gezamenlijke Alabasch-dorpen.

Tot het einde van Juni bedroeg het getal gedeporteerden uit deze gebieden in totaal reeds 50.000.

Om de bevolking de noodige schrik aan te jagen werden in Adana, Aleppo en Marasch dertig Armeniërs in het openbaar opgehangen. Onder hen waren ook twee priesters.

De bewoners der onderscheidene dorpen kregen in den regel des avonds het bevel dat zij den volgenden morgen gereed moesten zijn voor vertrek. In Geben moesten de vrouwelijke bewoners op waschdag vertrekken; veel kleeren bezaten zij niet en waren dus gedwongen barrevoets en half-gekleed op te trekken, de gelegenheid ontbrak om de kleeren, die reeds in ’t water stonden, te drogen of mede te nemen. De mannen waren meest allen op 't oorlogsveld. Hij of zij die overging, naar den Islamitischen godsdienst, mocht blijven.

Bewoners van Alabasch verklaarden, dat hun gebied door soldaten was omringd, die met losse patronen op de bevolking schoten, en zoodra de inwoners van Schehr voor een groot deel waren weggevoerd, riep de Mohammedaansche priester van het dak der Christelijke kerk de “geloovigen” op tot gebed! De kerk werd dan tegelijk als moskee ingericht.

pagina 22

De Regeering zeide tot de gedeporteerden, dat, wanneer zij hun geld en goed moesten achterlaten, dit naar waarde zou geschat, en later vergoed worden. Maar de praktijk leerde dat inventarisatie nooit plaats greep, noch door de Regeering werd bedoeld. De roerende goederen gingen over in handen der Mohammedanen, die in de nabijheid van het dorp woonden. De huizen en akkers kwamen in handen der Muhadjirs, de nieuwe bewoners.

“De Turken”, aldus de berichtgever, “schijnen als in dilirium. Het is onmogelijk de doodsangsten te beschrijven die de gedeporteerden hebben te doorstaan. Verkrachting en roof van vrouwen en meisjes, met geweld gedwongen “bekeeringen” zijn aan de orde van den dag. Een groot aantal gezinnen zijn tot den Islam overgegaan, teneinde aan een wissen dood te ontkomen.”

Van de steden Tarsus en Merzina, werden aanvankelijk slechts enkele bewoners weggevoerd, die later weer konden terugkeeren, maar een later bericht meldt, dat ook daar ten slotte de bevolking werd verdreven, terwijl ook Adana met haar bevolking van 18.000 zielen niet langer werd gespaard.

Zij werden gevoerd naar Deir-es-Sor en Konia en naar Rakka aan de Euphraat.

Een andere correspondent geeft uit den tekst van een Turksch Regeeringsbevel den volgenden passus weer:

pagina 23

“Art. 2: De leger-commandanten, korps-commandanten en divisie-commandanten mogen, in geval van militaire noodzakelijkheid en in het geval dat zij spionnage of verraad vermoeden (!), de bewoners van dorpen afzonderlijk of in massa verdrijven en in andere plaatsen onderbrengen.”

En verder schrijft hij:

“Die bevelen van het Legerbestuur mogen schijnbaar humaan zijn, de uitvoering ervan geschiedde somtijds met zinnelooze wreedheid en getuigde maar al te veel van een grove brutaliteit tegenover vrouwen, meisjes en kinderen, zieken en ouden van dagen. In vele dorpen werd de voorgenomen deportatie slechts één uur van te voren aangekondigd. Er was geen gelegenheid zich op de reis voor te bereiden. In sommige gevallen werd niet eens de tijd gelaten de verstrooide gezinsleden bijeen te roepen, zoodat dikwijls kinderen moesten achterblijven. Slechts enkele personen mochten het noodige huisraad of eenige landbouwwerktuigen meenemen, maar meestal mocht niets worden medegevoerd of worden verkocht, zelfs al was er voor dit laatste nog wel de tijd.

In Hadjin moesten welgestelde bewoners, die voeding en dekens voor de reis hadden gereed gemaakt, dit alles op straat achterlaten; zij hadden bitter te lijden van koude en honger.

In de meeste gevallen werden de mannen – de militair-plichtigen waren ingelijfd bij het leger – met touwen en kettingen aan

pagina 24

elkaar gebonden. Vrouwen, met kinderen op den arm, of soms in de laatste dagen harer zwangerschap, werden als vee met de zweep voortgedreven. Enkele gevallen zijn mij bekend, waar in een vrouw op den landweg neerzeeg en aan verbloeding stierf, door het opjagen van een soldaat. Ik weet ook een geval waarin de gendarme humaner optrad, door zulk een vrouw eenige uren rust te gunnen, terwijl hij dan zorgde voor een voertuig, waarmee zij het verdere van den weg kon afleggen.

Eenige vrouwen werden zoo vermoeid en zoo hopeloos, dat zij haar kleine kinderen aan den weg lieten liggen. Vele vrouwen en meisjes werden met geweld mishandeld. In een dorp had een officier, wijzende op een aantal vrouwen, tot zijn manschappen, gezegd: “ik geef u verlof met de vrouwen en meisjes te doen wat ge wilt.”

Wat het levensonderhoud betreft, het onderscheid is in de verschillende streken groot. In eenige plaatsen heeft de regeering voor dit onderhoud gezorgd, in andere aan de bewoners verlof gegeven er voor te zorgen. In menige plaats heeft echter diezelfde regeering noch iets te eten gegeven, noch den bewoners toegestaan, voor hun onderhoud te zorgen, hetgeen veel honger, dorst en ziekte en zelfs den hongerdood ten gevolge had.

De menschen worden hier in kleine groepen verdeeld: drie à vier gezinnen in een dorp onder een bevolking van geheel verschillend ras, met een

pagina 25

andere godsdienst en soms ook met vreemde taal. Ik spreek daar van “gezinnen”, maar vier-vijfde deel zijn alleen vrouwen en kinderen en van de mannen die er bij zijn, is het grootste deel oud en ziek.

Wanneer geen middel wordt gevonden om aan deze slachtoffers hulp te verleenen, voornamelijk in de komende maanden, tot zij zich een weinig hebben aangepast aan de omstandigheden, dan voorzie ik dat twee-derde of drie-vierde deel van honger of aan een ziekte zal sterven.”

Tot zoover deze correspondent.

Het aantal uit Cilicië gedeporteerden bedraagt meer dan 100.000.

4. ALEPPO

In het Wilajet Aleppo werden tot Mei uitmoording en verdere deportaties door den Wali Djelal Bey, die bij Christen en Mohammedaan een algemeen vertrouwen genoot, voorkomen.

Hem is het te danken, dat zoolang hij zijn ambt heeft vervuld, uit de steden van zijn provincie geen bepaalde wegvoeringen plaats grepen.

In samenwerking met den Wali heeft de Duitsche consul in Aleppo, Dr. Rössler, om het optreden tegen de Armeniërs te stuiten, maatregelen getroffen tot leniging van den nood.

Van Armenische zijde werd hem verzekerd, dat door zijn bezoek aan Marasch een reeds voorbereid bloedbad verhinderd werd en dat Dr. Rössler in ieder opzicht den dank verdiend heeft van de aan zoovele gevaren blootgestelde en noodlijdende bevolking.

pagina 26

De Wali van Aleppo, Djelal Bey, die zich niet gestoord had aan het bevel van de regeering tot deportatie van alle Armeniërs, werd overgeplaatst naar Konia. In zijn plaats kwam de vroegere Wali van Wan, Bekir Sami Bey. Deze voerde de deportatie dóór van alle tot nu toe vrijgebleven steden en dorpen der provincie.

De Armenische bevolking van Marasch werd einde Mei, die van Aintab einde Juli, weggevoerd. In Urfa schijnt een deel der bevolking zich tegen de wegvoering te hebben verzet. Tusschen 29 September en 16 October kwam het tot militaire inmenging. Latere mededeelingen dienaangaande zijn nog niet bekend.

Over Marasch wordt o.a. geschreven:

“Op Donderdag 24 Mei werd aan de Armenische bevolking medegedeeld, dat zij zich gereed moest houden om Zaterdag 26 Mei op te breken. De Armeniërs mochten het niet wagen hunne huizen te verlaten. Meer dan 2.000 bewoners werden weggevoerd; onder hen bevond zich de leider van het Amerikaansche college.

In Aintab werden einde Mei dertig huizen doorzocht, echter zonder eenig resultaat. Acht en twintig notabelen werden gevangen genomen en weer vrijgelaten, behalve een lid der Daschnakzagan.”

Dr. Shepherd, de in het geheele land bekende uitnemende Amerikaansche Chirurg, Directeur van het geneeskundige Zendings-instituut te Aintab, die reeds tientallen van jaren in Turkije woont en in hoog aanzien is bij Christen en Mohammedaan, heeft over de

pagina 27

wegvoering der Aintabsche bevolking de volgende mededeelingen gegeven, die aldus in het kort luiden:

“Op 21 Juli kregen zestig gezinnen in Aintab bevel om zich voor deportatie gereed te houden. Eenige dagen later een dergelijk bevel aan zeventig andere gezinnen; later werden nog 1.500 en weer later nog 1.000 personen weggevoerd, zoodat de Armenische bevolking van Aintab volkomen uit den weg is geruimd. Alle bemoeiingen, uitgaande van het Amerikaansche Zendings-instituut, van zijne leeraren en verder personeel, van zijn leerlingen... zijn zonder eenig resultaat gebleven. Het was den gedeporteerden verboden iets anders mede te nemen dan een lastdier.

In Marasch werden nog enkele zwakke pogingen aangewend om tegenstand te bieden. Zoo werd een gendarme, die door de Regeering uitgezonden was naar Fendenjak, een dorp in het Amanusgebergte teneinde de deportatie aldaar voor te bereiden, door de bevolking gedood. De Regeering zond onmiddellijk drie detachementen van soldaten, die het dorp geheel in de asch legden.

Alleen in Cilicië voltrok de deportatie zich naar verhouding onder de gunstigste omstandigheden. Wel staat vast, dat alle verbannen personen werden geplunderd, maar het rooven en moorden nam daar niet zulk een omvang aan als in de Hoog-Armenische provinciën.

pagina 28

Het grootste deel van de uit Cilicië weggevoerde bevolking bevindt zich in Deir-es-Sor, waar reeds 15.000 Armeniërs waren aangekomen. De uitgestrekte, door zonnehitte en droogte geheel verbrande vlakten van Deir-es-Sor tot Djerabulus en Ras-ul-Ajin zijn met gedeporteerde Armeniërs gevuld. Een overblijfsel werd verstrooid in verschillende Turksche dorpen.”

De weggevoerden van Aintab en Killis werden over Damascus naar den Hauran gezonden.

Wij besluiten het hoofdstuk over de deportatie uit Cilocië en Noord-Syrië met een mededeeling van Mr. Jackson, den Amerikaanchen consul van Alleppo. Hetgeen in deze mededeeling voorkomt, wordt ook door Duitsche berichtgevers bevestigd.

VAN HET AMERIKAANSCHE CONSULAAT

Aleppo, 3 Augustus.

De methode van een onmiddellijke wegvoering, die vroeger vrijwel gewoonte was, is thans in zoo verre veranderd, dat men de mannen en knapen, die uit hun woonsteden werden weggevoerd, onderweg laat verdwijnen, om later de vrouwen en kinderen het zelfde lot te doen ondergaan.

Door verschillende uit het binnenland komende reizigers, werden berichten, dienaangaande gegeven, bevestigd. Dat de mannen werden gedood getuigde het groot aantal lijken dat langs den weg werd gevonden en in den Euphraat dreef. De vrouwen en meisjes werden uitgeleverd aan de Kurden, die zich

pagina 29

met de soldaten tegenover deze weerlooze schepselen schuldig maakte aan allerlei wreedheden en misdaden.

Schonk men aanvankelijk aan dergelijke berichten weinig geloof, men kon niet meer aan de juistheid er van twijfelen toen alle vluchtelingen die in Aleppo aankwamen, gelijkluidende mededeelingen verstrekten. Op 2 Augustus kwamen ongeveer 800 vrouwen van middelbaren leeftijd, benevens oudere vrouwen en kinderen beneden de 10 jaren aan. Zij verkeerden in een allerjammerlijksten toestand; te voet van Diarbekir gedeporteerd, waren zij 45 dagen onderweg geweest. Zij vertelden dat alle jonge vrouwen en meisjes door de Kurden werden geroofd, van de gedeporteerden was de laatste cent afgenomen; elk op zijn wijze verhaalden zij van den honger dien zij hadden geleden, van kommer, ontbering en ellende; trouwens reeds bij den eersten aanblik was dit alles op het gelaat te lezen.

Ik heb gehoord, dat 4.500 personen uit Soghet 1) naar Ras-ul-Ajin werden vervoerd, dat meer dan 2.000 man werden gezonden van Mezreh naar Diarbekir, en dat wijd en zijd uit alle steden, zooals Bitlis, Mardin, Mosul, Sewerek, Malatia, Besne, enz., de Armeniers werden verdreven; dat vele mannen en knapen en ook vele vrouwen werden gedood en de rest over het land werd verstrooid.

Wanneer dit laatste juist is, iets waaraan men niet behoeft te twijfelen, moeten ook zij door honger, ziekte en oververmoeidheid te gronde gaan.

1) Tschok-Get in de provincie Bitlis, ten noordwesten van Sört

pagina 30

De gouverneur van Deir-es-Sor, aan den Euphraat, die thans in Aleppo vertoeft, deelt mede, dat er tegenwoordig 15.000 Armenische vluchtelingen in Deir-es-Sor zijn.

Kinderen werden bij menigten verkocht om hen van den hongerdood te vrijwaren, daar de Regeering geen onderhoud verstrekte.

De hier volgende Statisiek toont het aantal gezinnen en personen aan, dat in Aleppo is aangekomen, benevens de plaatsen vanwaar zij kwamen en het aantal dat naar verder gelegen plaatsen tot heden werd vervoerd 1).

Plaats van waaruit de wegvoering geschiedde Gezinnen Personen Naar verder gelegen plaatsen vervoerd
Tschok-Merzimen (Dört-Jol)
Ojakli
Enserli
Hassanbeyli
Harni
Karsbazar
Hadjin
Rumlu
Schehr
Sis
Baghtsche
Dengala
Drtadli
Zeitun
Tarpus
Albistan
200
115
116
187
84
351
592
51
150
231
13
126
12
5
22
10
2109
537
593
1118
528
340
3988
388
1112
1317
68
804
104
8
97
44
734
137
173
514
34

1025
296
357






Totaal 2265 13155 3270


1) Het grootste deel der uit Cilicië gedeporteerden werd via Marasch en Urfa in de richting van Weranscheher en Ras-ul-Ajin gevoerd; 5-6.000 gingen over Adana naar Konia.

pagina 31

Reeds waren 2.100 personen aangekomen vóór de bovengenoemde getallen werden samengesteld. In totaal waren dus tot 30 Juli niet minder dan 15.255 vluchtelingen Aleppo doorgetrokken.

ALLEPPO, 15 Augustus.

Thans zullen alle Armeniërs van Aintab, Antiochia, Alexandrette, Kessab en voorts uit alle kleinere steden, naar schatting 60.000 personen, worden gedeporteerd. Het is als vaststaand te beschouwen, dat hen hetzelfde harde en droeve lot zal treffen als degenen, die hen zijn voorgegaan.

Het belangrijke Amerikaansche Zendingsinstituut verliest onder deze omstandigheden zijn professoren, leeraren, assistenten en studenten, en zelfs uit de weeshuizen verdwijnen honderden kinderen en daarmede worden, de vruchten van een onvermoeiden arbeid van 50 jaren op dit terrein vernietigd.

Op schertsend en toon vragen de regeeringsambtenaren wat de Amerikanen eigenlijk met dit instituut zullen aanvangen, nu men aan het Armenische volk een einde maakt.

De toestand wordt met den dag kritieker, het einde van dit alles is niet te zien!

II. De Oost-Anatolische Provinciën

De deportatie van de Armenische bevolking der Oost-Anatolische provinciën, omvatte de Wilajets Trapezunt, Erzeroern, Siwas, Karput, Bitlis en Diarbekir. Het Wilajet Wan is het eenige Armenische gebied welks bevolking niet werd weggevoerd. Doch

pagina 32

ook die bewoners werden, zij het ook op andere wijze, gedwongen den huiselijken haard te verlaten: de terugtocht der Russische troepen deed de bevolking vluchten naar den Kaukasus.

Van de gebeurtenissen in het Wilajet Wan moet in het bijzonder melding gemaakt worden; en daar de voorvallen in het Wilajet Bitlis door die van Wan zijn beinvloed geworden, zullen wij de gebeurtenissen in het Wilajet Bitlis in de laatste plaats behandelen.

De deportatie van de bevolking uit de Oost-Anatolische Wilajets geschiedde in twee tempo's.

Drie dagen vóór de gevangenneming van de intellectueele Armeniërs van Konstantinopel, hetgeen geschiedde op 24 en 25 April, werd in een groot aantal steden van het binnenland een aanvang gemaakt met het gevangennemen van de Armenische notabelen.

Die gevangenneming werd in vier weken van 21 April tot 19 Mei systematisch voortgezet. Zoo werden reeds op 21 April in Ismid 100, Bardesak (Baghtschedjik) 80, Brussa 40, Panderma 40, Balikesri (Karasi) 30, Adabasar 80 notabelen in hechtenis genomen en weggevoerd. Begin Mei volgden Marsowan met 20, Diarbekir eveneens met 20 notabelen. In de eerste weken van Mei werden in Erzeroem 600, in Siwas 500, in Keri 50, in Schabin Karahissar 50, in Chinis 25 van de voornaamste bewoners gedeporteerd. In de tweede helft van Mei was weer de beurt aan Diabekir met de wegvoering van eerst 500 en dan 300 notobelen, dan volgde Kaisarije met 200. Hetzelfde geschiedde in Baiburt en Josgad, en ook in Marasch en Urfa werden notabele personen

pagina 33

gevangen genomen. De 28 notabelen, die men in Aintab had gevangen genomen, werden allen op één na weder vrijgelaten.

Waar de bovengenoemde steden in verschillende streken van het geheele Armenische gebied gelegen zijn, is aan te nemen dat het hier de uitvoering betrof van een algemeenen maatregel, met als doel de hoofdpersonen en woordvoerders der Armenische bevolking onschadelijk te maken, waardoor de deportatie zich zou kunnen volstrekken zonder ernstigen tegenstand in woord of daad te ontmoeten. Ook werd op deze mogelijke wijzen het vroegtijdig afzenden van berichten uit het binnenland naar Europa tegengegaan.

Vanaf begin Juni werden stelselmatig de hoogere en lagere Armenische staatsambtenaren ontslagen, en de Armenische doktoren, die sedert het uitbreken van den oorlog, getrouw aan hun plicht, in de Turksche militaire lazaretten hadden gewerkt, zonder vorm van proces in de gevangenis geworpen.

Deze daden van bruut geweld, die werden toegepast op duizenden Armeniërs van hooge beschaving, uit aanzienlijke kringen, parlementsleden, journalisten, dichters, advocaten, notarissen, ambtenaren, doktoren, bankiers en zakenmenschen, en alle welgestelden en invloedrijke elementen der bevolking omvatten, werden ondernomen zonder eenig rechtsgeding, zonder eenig onderzoek vóór of na de gevangenneming. Zelfs ontbrak de traditioneele beschuldiging dat zij “staatsgevaarlijk” waren of zich aan eenigerlei handeling tegenover den staat hadden schuldig gemaakt.

Men wilde de kopstukken van het Armenische

pagina 34

volk vernietigen om zoodoende de mindere bevolking krachteloos te maken.

De oorzaken van al die maatregelen en de gronden waarop zij werden ten uitvoer gebracht, zullen nader blijken. De bevelen gericht tot de overheden, werden gegeven vanuit Konstantinopel en aan de uitvoering daarvan werd streng de hand gehouden trots den tegenstand van enkele regeeringsambtenaren of zelfs van de Turksche bevolking. Onverbiddelijk moesten de bevelen worden uitgevoerd.

De tweede periode van uitvoering, die aan de eigenlijke massa-deportatie voorafging, betrof voornamelijk het mannelijk deel der bevolking die voor een deel reeds bij het leger waren ingelijfd en voor een ander deel nog in afwachting daar van leefde.

De voor den krijgsdienst aangewezen Armeniërs, die, naar het getuigenis van den Minister van Oorlog, zich in den strijd steeds dapper hadden gedragen, voornamelijk aan de Dardanellen en in den strijd tegen de Russen in den Kaukasus, werden voor het grootse deel ontwapend om voortaan dienst te doen als lastdragers of stratenmakers. Uit bijna alle provincies kwamen berichten binnen, die er op wezen dat Armenische arbeiders werden gedood door hun Mohammedaansche “kameraden”, en zelfs dat geheele afdeelingen in groepen van 80, 100 of meer personen op last van officieren werden doodgeschoten.

Hoe groot van omvang de uitmoording van deze Armeniers geweest is zal misschien nooit aan den dag komen, in elk geval niet dan na den oorlog.

Onder het voorwendsel van algemeene mobilsatie werden in talrijke steden en dorpen alle overige

pagina 35

mannelijke bewoners van 16 tot 70 jaar weggevoerd, zonder vooraf na te gaan of zij zich reeds eerder wettelijk hadden vrijgekocht of wellicht voor den krijgsdienst waren afgekeurd.

De weggevoerde kolonnen werden gedirigeerd naar het gebergte en daar zonder eenig rechtsgeding gefusileerd.

Die vreeselijke maatregelen zijn niet overal op gelijksoortige wijze ten uitvoer gebracht; voor een deel werd de uitvoering overgelaten aan de plaatselijke overheden, die er voor te zorgen hadden dat de massa-deportatie zonder hapering zou geschieden, en zonder dat er vrees voor tegenstand behoefde te bestaan. Daartoe dienden ook de reeds vroeger genomen maatregelen, o.a. de ontwapening der Armenische bevolking. In verband met de onzekerheid die er in het binnenland van Turkije steeds heerschte, vooral ook om de onveiligheid der wegen, was iedereen in het bezit van een wapen tot zelfverdediging, hetgeen dan ook in vredestijd werd toegestaan. Ook was, op aandringen van het Jong-Turksche Comité de constitutioneele organisatie der Armenische bevolking, de partij der “Daschnakzagan” 1) ten tijde van een dreigende reaktie, herhaaldelijk van wapenen voorzien, waardoor, in geval van tegenrevoluties, zooals zich reeds tweemaal hadden voorgedaan (in 1909 en 1912) de Armeniërs het Jong-Turksche comité met gewapende hand zouden kunnen steunen tegenover de oud-Turken en de liberale Turksche oppositie. Slechts in enkele gevallen, waarover

1) De partij heet Daschnakzutiun, de leden: Daschnakzagan; “verbondenen” zouden wij zeggen.

pagina 36

Nog nader zal worden gesproken, weigerden de Armeniërs hunne wapens in te leveren, bijv. in Wan en Schabin-Karahissar, daar zij redenen hadden een bloedbad te vreezen. De inlevering van wapenen had, bovengenoemde gevallen uitgezonderd, overal zonder voorvallen plaats.

In het binnenland ging de maatregel van ontwapening, zooals vele berichten bevestigen, gepaard met ongehoord brutaal optreden. Niet alleen werd nergens de inlevering van wapenen op voldoende wijze vooraf bekend gemaakt, maar men wachte de vrijwillige inlevering niet eens af; de Turksche gendarmen kwamen in steden en dorpen aan en eischten naar believen 200 of 500 geweren of zooveel hun goeddacht. Werd dit aantal niet onmiddellijk ter beschikking gesteld, dan werden het gemeentebestuur en de oudste inwoners gevangen genomen, en onder het voorwendsel dat zij wapens hadden verborgen of laten verbergen, mishandeld; en niet zelden werd de pijnbank hun deel. In 't bijzonder bestond bij de gendarmen en gevangenishoofden de voorliefde voor de z.g. “bastonnade”, die, op een onmenschelijke wijze aangewend, dikwijls den dood van het slachtoffer veroorzaakte.

Maar ook werden soms van weerloozen de haren uitgerukt, de nagels afgescheurd, werden zij met gloeiende ijzers gebrandmerkt en de meest schandelijke methoden toegepast op vrouwen en kinderen.

Dikwijls waren de Armeniërs gedwongen tegen hooge geldprijzen of tegen inwisseling van schapen en koeien wapenen te koopen van Turksche bewoners of van de Kurden of Tscherkessen, ten einde met de inlevering daarvan de gendarmen te bevredigen.

pagina 37

Tegelijk met de ontwapening der Armeniërs, begon de bewapening van het Turksche gepeupel. Door de Jong-Turksche clubs, die in alle steden en dorpen van het binnenland de macht in handen hadden, en meer te zeggen hadden dan de allerhoogste regeeringsambtenaren, waren benden, z.g.n. Tschettehs, in het leven geroepen, grootendeels bestaande uit ontvluchte boosdoeners. Beruchte Kurdische roovers werden, door bemiddeling der “benden”, met hun handlangers in den krijgsdienst ingelijfd. Dezen benden werd vrijheid gegeven de Armenische dorpen te overvallen en te plunderen, mannen te dooden en vrouwen en kinderen weg te sleepen. Slechts in schijn werd door de bevoegde macht acht geslagen op de veelvuldige klachten der bevolking over het optreden der Tschetteh's. De verwoestings arbeid nam een aanvang in de oostelijke Wilajets Wan, Erzeroem en Bitlis, onmiddellijk na het uitbreken van den oorlogs, en zij werd voortgezet gedurende den geheelen oorlogstijd. Het onbarmhartige werk vond ook voortgang ten tijde der wegvoering van het volk, terwijl de benden, die in de meest afgelegen streken van het gebergte de gedeporteerden uit Armenië najaagden, geheele karavanen eenvoudig in de pan hakten.

Alleen door middel van wegvoering van vrouwen, meisjes en kinderen naar de Turksche harems en Kurdische dorpen, werden tienduizenden Christinnen aan de schande en gedwongen Islamisme overgegeven.

Toen de algeheele deportatie, d.w.z. de volstandige wegvoering van de Armenische bevolking uit alle

pagina 38

Armenische dorpen en steden, begon, waren de Armenische gezinnen voor een groot deel van een mannelijke beschermer verstoken. Waar dit niet het geval was, werden meestal de mannen van vrouwen en kinderen gescheiden, weggevoerd en gedood; en wanneer de mannen met vrouwen en kinderen tezamen hun moeilijken weg gingen, werden zij of van het transport afgezonderd of bij de georganiseerde overvallen het eerst gefusilleerd. Het gevolg van deze maatregelen was dan ook, dat de weggevoerde menschenmassa bij aankomst aan de plaats van bestemming tot minstens de helft was gereduceerd.

De karavanen, die van uit 't Noorden des lands werden weggevoerd bestonden bij de aankomst in de zuidelijker gelegen streken slechts uit kinderen beneden de 10 jaren of uit bejaarde vrouwen, zieken en grijsaards. De mannen en knapen werden gedood; de meisjes, jonge vrouwen en tallooze kinderen geroofd. Er bleef niets over dan een hulpeloos, aan ellende en armoede prijsgegeven bedelaarsvolk, dat in de Mesopotamische woestijnen en moerassen door honger en ziekte ten gronde ging.

Op 21 April, den datum waarop de deportatie van voorname ingezetenen en notabelen begon, werd tegelijk de massa-wegvoering voorbereid en half Mei werd met de algemeene deportatie van het volk een aanvang gemaakt. Zij vond het allereerst plaats in het Wilajet Erzeroem, in de streken van Baiburt, Terdjan en Chinis. Verschillende oorzaken schijnen in eenige Wilajets vertraging te hebben bewerkstelligd. Eenige

pagina 39

Wali's en Mutessarifs kantten zich n.l. tegen het bevel. Zelfs de Turksche bevolking pleegde hier en daar verzet. De regeering in Konstantinopel had echter gelast, dat de maatregel ondanks alles moest worden doorgevoerd; wederstrevende beambten, zelfs Wali’s en andere hooggeplaatste personen, werden van hun ambt ontheven en vervangen door gewillige werktuigen, meestal leden van het Jong-Turksche Comité.

Einde Juni en begin Juli begon de massa-deportatie tegelijkertijd in de Wilajets Siwas Trapezunt en Kharput.

De Wali van Erzeroem, die, evenals zijn ambtgenoot van Aleppo, den maatregel niet kon billijken weigerde verdere wegvoering, nadat hem gebleken was, dat de reeds vroeger weggevoerden waren gedood. In ieder geval verlangde hij bescherming voor de gedeporteerden.

Maar ten slotte moest ook hij wijken voor den druk in Konstantinopel uitgeoefend.

In het Wilajet Bitlis schijnt alleen in den aanvang de Armenische bevolking voor een deel te zijn weggevoerd. Later werden de bewoners, voorzoover zij niet waren gevlucht in de bergen, ter plaatse vermoord.

Tot zelfs in het gebergte toe werden de bewoners vervolgd en gedood, uitgezonderd de enkelen, die tot op Russisch gebied wisten door te dringen. Ook in Diarbekir hebben zich dergelijke tooneelen afgespeeld.

Mededeelingen uit de gebieden zelve, zullen een duidelijker beeld geven van hetgeen is voorgevallen.

pagina 40

1. WILAJET TRAPEZUNT

Het Wilajet Trapezunt behoort niet tot de oorspronkelijke Armenische provinciën. De bevolking bedroeg volgens Cuinet rond 1.047.700 man. Een vierde deel van dit aantal belijdt den Christelijken godsdienst; er zijn 200.000 Grieken, terwijl het overige deel der bevolking bestaat uit Mohammedanen (Turken, Lasen, Tscherkessen en Turksche Nomadenstammen). In de kuststeden praedomineert het Grieksche element. Bedraagt in de overige Oost-Anatolische Wilajets Erzeroem, Wan, Bitlis, Kharput en Siwas de Armenische bevolking tusschen 165.000 en 215.000 zielen per Wilajet en is dit aantal in Diarbekir nog 105.000, in Trapezunt wonen slechts 53.500 Armeniërs, waaronder 2.500 katholieken en 1.000 protestanten. De Armenische bevolking is op de volgende wijze verspreid: 10.000 woonden er in de stad Trapezunt en omgeving, 12.700 in andere kustplaatsen zooals Ordu, Kerasunt en de dorpen in de nabijheid der steden. In het Sandschack Samsun en zijn kustplaatsen Samsun, Therme en Unia wonen 30.800 Armeniërs.

Toen de ontwapening der Armeniërs had plaatsgevonden, vervoegde zich de Armenische metropoliet Turian bij den Wali, om door dezen officiëel te laten vaststellen, dat de inwoners hun wapens hadden ingeleverd, en dat zij geen bommen in hun bezit hadden.

Deze prelaat, Dr. Turian, was een hoogstaand man, die zijn opvoeding in Duitschland had ontvangen en aan de Berlijnsche Hoogeschool de theologische en de

pagina 41

philosofische colleges had gevolgd. Op den 12en Juni werd hij zonder eenige reden gevangen genomen, naar Erzeroem gevoerd en aldaar gekerkerd.

In Trapezunt zijn verder geen ongeregeldheden van beteekenis voorgevallen en v an eenige aanklacht tegen de bevolking is niets vernomen.

De hier volgende brief is een getrouwe vertaling van eene mededeeling die de Amerikaansche Consul Oscar S. Heizer te Trapezunt op 28 Juli 1915 heeft vermeld. De inhoud er van wordt uit Grieksche en Roomsch-Katholieke bronnen bevestigd.

AMERIKAANSCH CONSULAAT-BERICHT

Trapezunt, 28 Juli 1915.

Op Zaterdag 26 Juni j.l. werd in de straten van Trapezunt het bevel tot deportatie der bevolking aangeplakt; op Donderdag 1 Juli werden alle straten, door gendarmen met de bajonet op het geweer, bewaakt en de wegvoering der Armenische bevolking nam een aanvang. Groepen van mannen, vrouwen en kinderen, belast en beladen, werden in de nabijheid van het consulaat bijeengebracht en zoodra er ongeveer 100 menschen bijeen waren, werden zij begeleid door soldaten, met de bajonet op 't geweer, en in de zomerhitte en stof der heerwegen naar Erzeroem gedreven. Buiten de stad gekomen, hield men halt totdat ongeveer 2.000 personen verzameld waren en dan ging het verder. Drie van dergelijke karavanen, tezamen 6.000 man

pagina 42

werden gedurende de eerste drie dagen van uit Trapezunt weggevoerd; en kleinere groepen, die later uit de omgeving der stad werden gedeporteerd, telden gezamelijk ± 4.000 personen. Hartverscheurend was het geschrei van vrouwen en kinderen; sommigen hunner waren uit voorname kringen; zij waren rijkdom en welstand gewoon. Verder waren onder hen geestelijken, kooplieden, bankiers, juristen, mechaniekers, handwerkslieden, mannen uit iederen levenskring. De Gouverneur-Generaal vertelde mij dat de weg te voeren personen maatregelen mochten nemen vóór het vertrek, maar niettemin scheen niemand voldoende voorbereid. Wel weet ik van een koopman, die 15 Turksche ponden (±162 gulden) voor een rijtuig betaalde, dat hem en zijn vrouw naar Erzeroem brengen zou, doch zoodra was hij tien minuten buiten de stad, of de gendarmen bevolen hem den wagen te verlaten, die later naar de stad werd teruggebracht. De geheele Mohammedaansche bevolking wist van den aanvang af, dat zij deze menschen eens als hun buit zouden kunnen beschouwen, en de Armeniërs werden daarom behandeld als misdadigers. In Trapezunt was het vanaf 25 Juni verboden met een Armeniër eenigen handel te drijven. Hoe konden zij zich dus middelen verschaffen om straks de reis die ook hen wachtte te kunnen bekostigen? Zes of acht maanden lang was reeds in Trapezunt geen handel gedreven, en zij die nog in het bezit waren van eenig kapitaal, hadden dat opgeteerd. Waar-

pagina 43

om verhinderde men den Armeniër tapijten of iets dergelijks te verkoopen, om zich voor de reis het noodige geld te verschaffen? Vele lieden, die eigendommen bezaten, en die geen verlof hadden gekregen die te verkoopen, moesten te voet gaan zonder eenig middel van bestaan, slechts in het bezit van hetgeen zij uit hun huis op den rug konden meetorschen. Zij werden, wanneer zij door vermoeidheid niet verder konden en achterbleven, met bajonetsteken gedood en in de rivier geworpen. Hun lijken dreven langs Trapezunt zeewaarts, of bleven tegen de rotsen liggen, waar zij tot ontbinding overgingen.

Ik heb gesproken met ooggetuigen, die mij hebben medegedeeld dat zij een groot aantal naakte lijken in de rivier zagen drijven, vijftien dagen nadat de eerste uittocht had plaats gehad. De lucht van de lijken had de omgeving verpest!

Op 17 Juli, toen ik met den Duitschen consul was uitgereden, ontmoetten wij drie Turken die een graf groeven voor een lijk dat in hun onmiddellijke nabijheid in de rivier lag; minstens tien dagen moest het reeds in het water hebben gelegen. Een andere Turk vertelde ons, dat ook hij, kort voor onzen aankomst, een lijk in de rivier had zien drijven.

Dinsdag 6 Juli waren alle Armenische huizen in Trapezunt, ongeveer 1.000, ontvolkt. Niemand kon zeggen dat de Armeniërs ook maar iets ten nadeele der regeering hadden uitgericht.

pagina 44

Het feit dat iemand Armeniër was, scheen voldoende om als misdadiger behandeld en gedeporteerd te worden. Bij den aanvang heette het: de zieken zouden niet worden weggevoerd, maar worden opgenomen in het ziekenhuis tot zij hersteld zouden zijn. Later werden echter ook de oude mannen en vrouwen, de zwangere vrouwen, de kinderen en de Roomsche Armeniërs voor het vertrek uit Trapezunt aangewezen, en verbannen. Tijdens de eerste dagen der massa-deportatie werd een groote Kajik-boot met mannen 1) geladen, die men hield voor leden van het Armenische Comité; men zou hen vervoeren naar Samsun. Twee dagen later kwam een Russische onderdaan, Wartan genaamd, die tot de weggevoerden met het schip had behoord, over land naar Trapezunt terug, met een gapende hoofdwonde en niets dan wartaal sprekende. Alles wat hij kon zeggen was: “Boem; boem”. Hij werd door de regeering naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij den volgenden nacht stierf. Een Turk vertelde later dat het schip een ander voertuig was tegengekomen, bemand met gendarmen, die het schip hadden aangehouden; alle aan boord zijnden waren gedood en in het water geworpen. De Rus, waarvan zooeven sprake was, had, hoewel zwaar gewond, zwemmende het land weten te bereiken. Een groot aantal dergelijke schepen met be-

1) Volgens een nader bericht waren er 26.

pagina 45

manning heeft Trapezunt verlaten; de meesten keerden na eenige uren ledig terug!

Toz, een dorp ongeveer twee uren van Trapezunt verwijderd, werd bewoond door Gregoriaansche en Roomsche Armeniërs. Boghos Marimian, een voornaam, invloedrijk Armeniër, werd, zooals een betrouwbaar ooggetuige meedeelt, met zijn beide zonen gedood. Zij werden achter elkander opgesteld en neergeschoten. 55 mannen en vrouwen werden meegevoerd naar een dal op korten afstand van het dorp. De vrouwen werden eerst door de officieren der gendarmerie onteerd en daarna overgelaten aan het goeddunken der soldaten. Volgens denzelfden ooggetuige werden van een klein kind de hersenen verbrijzeld tegen een steenrots.

Ook moest het plan om kinderen te redden worden opgegeven.

Men had de kleinen in Trapezunt gehuisvest in scholen en weeshuizen, onder protectoraat van een comité, dat door een Grieksch Aartsbisschop was opgericht en gesteund werd. Aan het hoofd van dit comité stond de Wali van Trapezunt; het vice-presidentschap werd waargenomen door den Aartsbisschop, terwijl de overige leden van het comité bestonden uit drie mohammedanen en drie Christenen.

Thans worden de meisjes ondergebracht uitsluitend in Mohammedaansche gezinnen, waardoor zij van elkander gescheiden zijn.

De opheffing der Weeshuizen en de verdeeling van het aantal kinderen was voor den Griekschen

pagina 46

Aartsbisschop een bittere teleurstelling; immers steeds had hij met alle krachten geijverd voor de instandhouding der door hem opgerichte instellingen, waarbij hij zelfs de medewerking van den Wali had verkregen; maar op bevel van den leider van het “Comité voor eenheid en vooruitgang”, Nail Bey, wien het werk van den Aartsbisschop steeds onsympathiek was geweest, moesten de verzamelplaatsen der kinderen verdwijnen.

De meeste knapen werden weggevoerd om op de boerderijen arbeid te verrichten. De vroolijkste en aardigste onder de meisjes, die als verpleegster aan de weeshuizen mochten verbonden blijven, moesten al heel spoedig dienen tot bevrediging der lusten van de leden der kliek, die hier alles te zeggen had. Uit de meest betrouwbare bron heb ik vernomen, dat een der leden van het

Comité voor eenheid en vooruitgang tien meisjes in een huis in het centrum der stad had ondergebracht om door hem en door zijn vrienden te worden misbruikt.

Eenige kleinere meisjes werden in Mohammedaansche gezinnen opgenomen, terwijl anderen, meisjesleerlingen van het Amerikaansche Zendingshuis, in de omgeving van deze inrichting in Mohammedaansche gezinnen plaatsing vonden.

De duizend Armenische woningen werden, de een na de andere, door de politie ontruimd. Meubelen, bedden en al wat eenige waarde bezat werd ineen groote gebouwen in de stad bewaard. Er was echter geen sprake van eenig toezicht of beheer, en de mededeeling dat de eigendommen

pagina 47

door de regeering zouden worden beschermd om bij hun terugkeer weder aan de rechthebbenden ter hand te worden gesteld, was een paskwil. De eigendommen werden zonder eenig begrip van registreering opeengestapeld, en van eenig administratief beheer was geen sprake.

Een bende Turksche vrouwen en kinderen volgde de politie-agenten op den voet als een troep gieren, en stalen alles wat zij grijpen konden. Wanneer de meest waardevolle voorwerpen door de politie uit de huizen waren gehaald, drong de menigte binnen, en maakte zich meester van hetgeen nog aanwezig was. Ik zie dit iederen dag met eigen oogen. Ik geloof dat wanneer eenmaal de huizen der Armeniërs zijn ontruimd, de beurt is aan Armenische winkels en magazijnen. De Commissie, die dit in handen heeft, spreekt er nu reeds van om de groote voorraden van huishoudelijke artikelen te verkoopen “om met de opbrengst de schulden der Armeniërs te betalen”.

De Duitsche consul sprak als zijn overtuiging uit, dat de Armenische bevolking niet meer in Trapezunt zal mogen terugkeeren, óók niet na den oorlog.

Ik sprak zooeven met een jongen man die zijn dienstplicht vervulde bij de zgn. werktroepen en op den weg bij Gumuschhane werkte. Hij vertelde mij dat vóór 14 dagen alle Armeniërs, ongeveer 180 in getal, van de overige arbeiders werden gescheiden. Terwijl hij aan 't werk was, hoorde hij schieten; toen hij op de plaats aankwam, werd hij dadelijk aangewezen om met anderen de lijken te begraven. Hij had

pagina 48

kunnen constateeren, dat zij alle naakt waren; men had zelfs de kleederen van de ongelukigen geroofd!

Een aantal lijken van vrouwen en kinderen is door de golven aan het strand aangespoeld aan den voet der muren van het Italiaansche klooster in Trapezunt. Zij werden door hier wonende Grieksche vrouwen begraven op de plek, waar men de lijken vond.

Tot zoover het Amerikaansche consulaatsbericht.

2. WILAJET ERZEROEM

Het Wilajet Erzeroem telt onder zijn 645.700 inwoners 227.000 Christenen, nl. 215.000. Armeniërs en 12.000 Grieken en andere Christenen. Van de Mohammedaansche bevolking zijn er 240.700 Turken en Turkmenen, 120.000 Kurden, 25.000 Kisilbasch (Schi'iten), 7.000 Tscherkessen en 3.000 Jesidis (zgn. duivelaanbidders). In de steden Erzeroem, Erzingjan, Baiburt, Chinis, Terdjan vormen de Armeniërs een derde à de helft der bevolking, in enkele landelijke districten zelfs meer dan de helft.

Tijdens het uitbreken van den oorlog werd van de Armeniërs in veel grooter verhouding dan van de Turken gerequireerd.

Toen reeds werden de magazijnen en winkels leeggehaald en verschillende voorwerpen, voor militaire werken absoluut zonder eenig belang, weggevoerd.

Bij de Turken werd de requisitie van te voren

pagina 49

aangezegd, zoodat zij gelegenheid en tijd hadden hetgeen in hun pakhuizen en magazijnen was opgeslagen, naar veiliger plaatsen te brengen. Alle voorraden koopwaar en manufacturen, die in de herfst in het buitenland waren ingekocht, werden den kooplieden ontnomen.

Zij die met de requisitie waren belast maakten van de gelegenheid schandelijk misbruik door alle mogelijke knevelarijen en afpersingen.

De garnizoens-secretaris van Erzingjan, Hadji Bey, kwam in het magazijn van Sarkis Stephanian, liet eenige Armenische kooplieden binnenkomen en liet zich 300 Turksche ponden uitbetalen. Om den schijn te bewaren nam hij ook van enkele Turksche kooplieden een veel geringer som gelds. Na de plundering van magazijnen en bazars kwamen de gewone huizen aan de beurt. Onder het voorwendsel dat zij kwamen om wapens te zoeken, doorzochten de gendarmen alle kasten en bergplaatsen en namen mede wat van hun gading was. Niemand durfde tegen dergelijke praktijken ook maar één woord te zeggen. Op het geringste vermoeden dat ergens iets was achtergehouden, werden weerlooze menschen in de gevangenis geworpen, gepijnigd en voor den krijgsraad gevoerd.

Evenals in het Wilajet Trapezunt, waren ook in het Wilajet Erzeroem benden, zgn. Tschettehs, ingesteld door de Jong-Turksche clubs, gevormd uit de laagste klassen der bevolking en evenals elders waren zij ook hier zwaar gewapend. Deze benden rekenden het tot hun voornaamste taak Armenische dorpen te overvallen en te plunderen. Vonden zij geen mannen, dan werden de vrouwen overweldigd en gedwongen

pagina 50

onder bedreiging van de zwaarste mishandeling, alles wat zij aan geld of geldswaarde in huis hadden, af te geven. De Daschnakzagan beklaagden zich, bij Tahsin Bey, den Wali van Erzeroem, toen dergelijke daden van geweld zich ook voordeden in de dorpen Dwig, Badischin en Targuni. De Wali verzekerde de misdadigers te zullen straffen, maar tien dagen later geschiedde hetzelfde in de dorpen Hinzk en Zitoth.

Zoo was de toestand in het land bij het begin van het jaar.

De Wali Tahsin Bey, die van goeden wille was om de uitspattingen der Tschettehs en soldaten tegen te gaan, trad inderdaad streng op, en in begin van Februari was de toestand in de provincie wat beter. Wel werd de requisitie in alle gestrengheid doorgevoerd, maar men meende bij de nationale verdediging toch eenig belang te hebben, waarom men de ongelijke maat waarmede ten opzichte der requisitie Muzelmannen en niet-Muzelmannen werden gemeten, zich liet welgevallen. Zelfs werd niet geprotesteerd, toen het bevel kwam dat vijftien dorpen in de omgeving van Erzeroem moesten worden ontruimd ten behoeve van zieke Turksche soldaten. In Maart echter traden de benden, tegen den zin van den Wali, doch door de Jong-Turken ondersteund, opnieuw op. Onder bedreiging van den dood werden de welgestelde Armeniërs afgeperst.

In Terdjan liet de politie-prefect van Erzeroem een aanzienlijk Armenier met zijn 10-jarig dochtertje bij zich komen en beiden op de plaats van samenkomst neerschieten.

pagina 51

In Maart werden de Armeniërs in Erzeroem door bevriende Turken gewaarschuwd dat de leden van het Jong-Turksche comité “Voor Eenheid en Vooruitgang” een massa-moord voorbereidden. De later aan typhus overledene Dr. Taschdjan, een bij Turken en Armeniërs zeer gezien persoon, deelde dit aan twee zusters van het Duitsche Roode Kruis mede, met dringend verzoek het bericht over te brengen aan den toenmaligen Vesting-commandant van Erzeroem, den Duitschen generaal Posselt-Pascha; men meende dat door zijn invloed het onheil zou kunnen worden voorkomen. De generaal werd echter weldra uitgenoodigd afscheid te nemen en werd door een Turksch officier vervangen. Ook de Duitsche consul, von Scheubener-Richter deed al het mogelijke om de arme Armeniërs bij te staan en hun lot te verbeteren.

Gedurende den tijd dat de Wali Tahsin Bey zich verzette tegen de dooor Konstantinopel voorgeschreven maatregelen, deden de Jong-Turken al het mogelijke om de Mohammedanen tegen de Armenische bevolking op te hitsen. Zij verklaarden dat het van Abdul Hamid een fout was geweest, dat hij het bloedbad van vóór 20 jaren niet had uitgestrekt tot alle Armeniërs, zoodat de geheele bevolking toen zou uitgeroeid zijn.

Vroeger was de verstandhouding tusschen de Turksche en Armenische bevolking in Erzeroem uitstekend, maar de Mohammedanen werden door Jong-Turksche agitatoren opgestookt en de regeering verhinderd tegen daden van geweld op te treden. De Jong-Turken stonden er op de geheele mannelijke bevolking naar het front te zenden om zoodoende de vrije

pagina 52

hand te hebben. De Armeniërs echter werden in vele gevallen te voren gewaarschuwd door hun Turksche vrienden.

Ten tijde der constitutie waren door de Jong-Turken in de verschillende Armenische dorpen wapenen uitgereikt; zij rekenden op hun hulp bij een mogelijke reactionaire beweging. Zonder eenige oorzaak werden hen de wapens thans weder ontnomen.

In het huis van een Armeniër te Erzingjan, Humajak genaamd, bevond zich een in den grond gegraven bakkersoven. Hieronder ontdekten de gendarmen een put, die sinds lang buiten gebruik gesteld en geheel afgesloten was. Zij vermoedden dat er wapens in de put zouden geborgen. zijn, maar na nauwkeurig onderzoek werd niets gevonden. Uit woede hierover sloegen en mishandelden zij Humajak dermate dat hij meer dood dan levend bleef liggen. De arme man was pas sinds een maand in het huis woonachtig en wist zelfs niets af van het bestaan van den put.

Toen de man weer op straat kwam werd hij gegrepen en in de gevangenis gepijnigd. Zijn haren werden bij bosjes hem uit het hoofd getrokken, de nagels van zijn handen gescheurd, en toen hij door de pijn bewusteloos was geworden, werd hij door middel van koud water weer tot bezinning gebracht en de pijniging voortgezet. Men moest en zou van hem weten wat er in den put verborgen was. De ongelukkige kon niets zeggen, daar hij, zooals reeds gezegd, tevoren van het bestaan van den put niets wist. Daarna werd hem een document ter teekening voorgelegd, waarin hij te verkla-

pagina 53

ren had dat er bommen en wapens in de put waren verborgen. Door de geweldige folterpijnen gedwongen teekende hij eindelijk, waarop hij onmiddellijk naar Erzeroem werd getransporteerd. De Armeniërs, die van de zaak hoorden, wisten wat hen dreigde. Toen eindelijk de requisitie en huiszoekingen in de stad waren verricht, werden de gendarmen naar de dorpen overgeplaatst.

Op den 14den Maart kwam een luitenant der gendarmerie, Suleiman Efendi, met 30 manschappen in het dorp Minn, in het district Erzingjan. Om te beginnen liet hij zich 100 Turksche ponden uitbetalen zonder verdere mededeeling waar deze som gelds voor bestemd was. Na den nacht in het dorp te hebben doorgebracht, begonnen des morgens huiszoekingen. Er kwamen eenige wapens voor den dag die ten tijde der constitutie door de Jong-Turken onder de dorpelingen waren verdeeld. Een zekere Oteldji Hafis was toenmaals de man, die de wapens aan de inwoners tegen goeden prijs had verkocht. De priester van het dorp werd aangewezen de namen te noemen van hen die wapens in hun bezat te noemen. Deze werden gevangen genomen en hun wapens verbeurd verklaard. Maar de luitenant wilde ook bommen hebben en begon de mannen, vrouwen en kinderen af te ranselen. Toen er echter geen bommen werden gevonden moest de priester het ontgelden. De officier liet hem vijf malen achtereen een bastonnade geven; daarna sloot hij hem in een kamer op en verkrachtte zijn vrouw. De gendarmen vonden er groot behagen in om louter uit pleizier op de bevolking te schieten, en toen zij van dat spel ge-

pagina 54

noeg hadden, wapenden zij den priester en eenige boeren tot aan de tanden, zoodat zij er als bandieten uitzagen; daarna brachten zij de kunstmatig gewapende mannen naar het Mohammedaansche kwartier van de stad Kernach, om de bevolking tegen hen op te zetten. Eindelijk werden zij in de gevangenis geworpen en naar Erzeroem overgebracht.

De bewoners van het dorp Minn, dat thans in de asch ligt, hadden niet minder dan 7.000 Turksche ponden aan belastingen moeten opbrengen. De boeren wendden zich tot den Armenischen metropoliet, verzochten hem een rapport samen te stellen, waarmede zij naar den Kaimakam togen.

De Kaimakam snauwde hen toe: “Wie geeft u het recht zulke rapporten te maken?”

De boeren: “Hebben wij niet door de genade der regeering het recht gekregen inzake de gemeentelijke aangelegenheden opmerkingen te maken?”

Kaimakan: “Dat was de oude regeering. De nieuwe regeering heeft in geen enkel opzicht u dat recht geschonken. Al dergelijke rechten zijn vervallen. U hebt geen opmerkingen te maken of bezwaren in te brengen. De Regeering doet wat noodig is en wat zij wenschelijk acht. Wanneer gij wilt, zal ik u met dit document naar den officier van justitie zenden en hij zal u in de gevangenis werpen.”

De Boeren: “Het is niet ons doel ons te mengen in de regeeringsaangelegenheden, maar wij willen weten met welk recht men een priester tot vijfmaal toe een bastonnade toedient en vrouwen en kinderen pijnigt, onder het voorwendsel van het vinden van bommen. Wij weten niet eens wat bommen zijn en

pagina 55

waarom heeft men die Armenische mannen tot de tanden toe bewapend en hen zoo gezonden naar de Moslims, terwijl men hen toch nergens gewapend aangetroffen heeft?”

De Kaimakam: “wij zijn volkomen vrij ieder middel te gebruiken dat ons past.”

De Boeren: “Waarom laat men dan de gendarmen allerlei knevelarijen en afpersingen plegen?”

De Kaimakam: “Dat gaat je niets aan. Tot nu toe waren jelui de baas, van nu aan zijn de rollen omgekeerd.” En daarna zich wendende tot den metropoliet: “En wat heb jij hier te doen?”

“Ik ben metropoliet en heb het recht voor deze menschen recht te spreken.”

“Ik ken noch metropoliet, noch zijne rechten Slechts in godsdienstige aangelegenheden zal ik uw advies inroepen.”

Zóó werd er met de belangen der inwoners omgesprongen en in de andere dorpen ging het niet beter. De gendarmen eischten overal eerst het noodige geld en dan kwamen de huiszoekingen. In het dorp Merwatsik werkte luitenant Suleiman met den Mudir van het dorp te samen. Toen zij ook daar geen wapenen vonden, werden de boeren onder allerlei pijniging gedwongen deze te koopen van Turken uit naburige plaatsen, daarna werden zij naar de gevangenis van Erzeroem gebracht.

Van Merwatsik vertrokken de gendarmen naar Arkan; eischten 60 Turksche ponden; plunderden de huizen, beroofden vrouwen en meisjes van versierselen en armbanden en mishandelden allen, die eenigen tegenstand boden. Wanneer bijv. een vrouw

pagina 56

weigerde haar sieraden af te staan werd zij op den grond geworpen, aan het hoofd en aan de voeten van het slachtoffer werd een soldaat geplaatst en de arme vrouw werd dan met een geeselroede gestriemd tot zij bewusteloos was. Toen ook hier het zoeken naar wapens vruchteloos bleef schreeuwde de officier den inwoners toe: “Tot nu toe had gij het recht wapenen in uw bezit te hebben. Nu is dat uit. Ik heb een bevelschrift in de hand en ik kan met alle middelen die ik wil, van u wapenen vorderen.” Daarop lieten de gendarmen de boeren uit het naburige dorp Mollah voorbrengen, en wierpen hen in het water. Een vrouw stierf onder de mishandelingen van den Mudir Adil, Dan gingen de gendarmen zelf naar het dorp Mollah, verstoorden daar het jaarlijksche Paaschfeest en pijnigden den priester van het dorp. De vrouwen en meisjes vluchtten in de bergen op het zien der soldaten. In het dorp Mez Akrak eischten de indringers 92 Turksche ponden en folterden de bewoners. In het dorp Machmud Bekri verlangden zij eerst geld en toen zij dat hadden verkregen brachten zij drie boeren in een huis waar zich ook de reeds genoemde Oteldji Hafis bevond. Deze liet de boeren met stokslagen bewusteloos slaan! Door koud water werden zij weder bijgebracht en opnieuw geranseld. Dan werden zij op een ontzettende, niet nader te noemen wijze, gefolterd. Van twee hunner werden twee vingers afgesneden. Zij moesten de plek aanduiden waar de wapens verborgen waren en een lijst inleveren met de namen der Daschnakzagan. Toen zij ook daarmede niets bereikten, begonnen de gendarmen de vrouwen te verkrachten en te mishandelen.

pagina 57

De Kaimakam werd van een en ander in kennis gesteld. Maar toen, na een vreeselijke daad gepleegd jegens een vrouw, die men tot den dood toe had gepijnigd, de metropoliet opnieuw zich tot hem wendde, en van hem verlangde dat hij persoonlijk zich zou gaan overtuigen, schreeuwde deze hem toe dat hij niets meer wilde hooren. De metropoliet verlangde van den Kaimakam dat hij zijn superieuren met een en ander in kennis zou stellen, maar de Landraad antwoorde: “Ik ben de regeering” en toen de metropoliet den landraad het verwijt toevoegde dat hij onderscheid maakte tusschen Mohammedaan en Christen, dreigde deze den metropoliet te zullen geeselen en hem weg te zenden. Ten slotte toen de Kaimakam zag dat de metropoliet niet weg te krijgen was, gaf hij de belofte den soldaten te zullen straffen.

In vertwijfeling wat hem verder te doen stond besloot de metropoliet zich met eenige gemeentenaren te wenden tot de Mohammedaansche geestelijken, om hun hulp af te smeeken. Deze hadden inderdaad medelijden met de Armeniërs, maar zij vreesden den Kaimakam. Een der Mohammedanen gaf hen de raad eenvoudig te wachten tot het anders zou worden! Het optreden van den Kaimakam had intusschen tengevolge dat de Turksche gendarmen die van de 300 ponden die zij hadden geëischt slechts 180 hadden afgedragen, het ontbrekende moesten bijpassen. Maar zij bleven in hun ambt gehandhaafd en konden ongestoord hun schandelijke wandaden blijven voortzetten. Alle verdere beloften van den Kaimakam inzake een bestraffing van de gen-

pagina 58

darmes bleven onvervuld. Zoo was de toestand in de maand Maart.

Het is noodzakelijk dergelijke gebeurtenissen te vermelden, zoo uitvoerig mogelijk, opdat men zich een voorstelling zal kunnen vormen van hetgeen er in de Armenische dorpen is voorgevallen.

Toen in Mei te Erzeroem bekend werd dat vanuit Konstantinopel de algemeene deportatie der Armeensche bevolking was bevolen, zonden de Turksche inwoners van de stad een verzoek naar de regeering om Erzeroem van dezen maatregel uit te sluiten, daar gevreesd werd dat, bij een mogelijke overwinning der Russen, gevolgd door een bezetting van het Wilajet, de daden tegenover de Armeniërs bedreven zouden worden gestrafd.

Niettemin begon midden in de maand Mei de deportatie van de bevolking uit de omgeving van Erzeroem, en van de dorpen Terdjan en Mamachatun. In de ontruimde plaatsen werd aan Mohammedaansche boeren, die uit het door Rusland bezette gebied waren gevlucht, onderdak gegeven.

Teneinde iederen tegenstand bij de deportatie onmogelijk te maken, had de regeering 15.000 soldaten gerequireerd. In de hoofdplaatsen Baiburt, Erzingjan, Chinis, Keri, enz., werden, voordat de deportatie een aanvang nam, de notabelen gevangen genomen en naar Erzeroem vervoerd. De Jong-Turken waren daar saamgekomen om een en ander te organiseeren en voor te bereiden.

Op 15 Mei waren bereids alle dorpen in de omgeving van Erzeroem ontruimd en had de Armenische bevolking plaats moeten maken voor de Moham-

pagina 59

medaansche. In Erzeroem zelf werden 600 voorname ingezetenen gevangen genomen en weggevoerd. De leden van het comité “Voor Eenheid en Vooruitgang” waren in Erzeroem bijeen en gaven van daaruit de bevelen voor de provincie.

De Wali rahsin Bey, die deze maatregelen tegen zijn wil uitvoerde, verontschuldigde zich met het: “Wat zal ik er aan doen? De Porte heeft het bevolen!”

Toen in het laatst van Mei Beha Eddin Schakir, een lid van het bekende comité, naar Erzeroem kwam, trad de vervolging der Armeniërs een acuut stadium in. De Tschettehs en gendarmen sloegen op klaarlichten dag vrouwen en kinderen dood, om de Armeniërs te provoceeren en een aanleiding te vinden tot een algeheele uitmoording.

Van de drie honderd Armeniërs, die van Chinis naar Erzeroem werden getransporteerd, werd de helft onderweg neergeslagen.

De laatste Armenische soldaten en doktoren werden van het front weggezonden, voor een deel gedood en de rest weggevoerd.

Eindelijk werd door de legercommandanten order gegeven om tot de massadeportatie der Armeniërs over te gaan.

Half Juni begon dedeportatie der Erzeroemsche bevolking en duurde tot einde Juli. Op 31 Juli seinde de Aartsbisschop van Erzeroem, Kutscherian, naar het Patriarchaat te Konstantinopel, dat alle Armeniërs uit Erzeroem waren verdreven. Waarheen zij werden gebracht wist hij niet: De broeder van den Aartsbisschop werd op reis, in gezelschap van

pagina 60

een Duitscher, van dezen gescheiden en moedwillig vermoord.

Verteld wordt, dat Tahsin Bey, de Wali van Erzeroem, toen hij vernam, dat het eerste transport weggevoerden voor een groot deel was omgebracht, geweigerd heeft de verdere deportatie uit Erzeroem te gelasten. Hij verlangde, dat de gedeporteerden door de militairen, onder toezicht van hooggeplaatste officieren, naar hun nieuwe verblijfplaats zouden worden vervoerd, waardoor ten minste levensbehoud was verzekerd.

Maar aan zijn verlangen werd niet voldaan.

In ERZINGJAN

werden meer dan 2.000 Armeniërs gearresteerd, zonder dat ook maar ééne beschuldiging tegen hen was uitgebracht. Des nachts werden zij gevangen genomen, uit de gevangenis weer weggevoerd en in de nabijheid der stad omgebracht. Ongeveer 1.500 Armenische gezinnen werden aangezegd, dat zij binnen eenige dagen de stad zouden moeten verlaten. Zij konden hun zaken verkoopen, doch moesten bij het vertrek den sleutel van het huis aan de overheid opleveren.

Op 7 Juni geschiedde het eerste transport. Het bestond voornamelijk uit welgestelden, die zich de weelde van een rijtuig konden veroorloven. Later werd per telegram bekend gemaakt, dat zij het naaste doel van de reis, Kharput, bereikt hadden. Op 8, 9 en 10 Juni verlieten opnieuw scharen van Armeniërs de stad, in totaal 20 tot 25.000

pagina 61

personen. Vele kinderen werden in Mohammedaansche gezinnen opgenomen, later kwam het bevel dat ook zij moesten vertrekken. Ook de gezinnen van hen, die in het hospitaal dienst deden, werden weldra weggevoerd, evenals een aan typhus lijdende vrouw, niettegenstaande een protest van den Duitschen arts Dr. Neukirch. Een Armenisch hospitaal-soldaat zeide tot een Duitsche verpleegster: “Ik ben nu 46 jaar oud en ben, hoewel ieder jaar mijn dienst door een som gelds wordt afgekocht, toch bij het leger ingedeeld. Ik heb nooit iets tegen de regeering misdaan en nu ontneemt men mij mijn geheele gezin; mijn 70-jarige gebrekkige moeder, mijn vrouw en vijf kinderen en ik weet niet, waar zij henen gaan.” Hij treurde vooral over zijn anderhalf jarig dochtertje: “Zoo'n lief kind hadt ge nog nooit gezien, het had vriendelijke, groote kijkers. Zoo ik kon, zou ik haar nakruipen als een slang.”

Bij die woorden schreide de arme vader als een kind. Den volgenden dag kwam de man geheel gerustgesteld terug: “Nu weet ik het,” zeide hij, “zij zijn allen dood.” Het was helaas maar al te waar. De karavanen, die op 8, 9 en 10 Juni Erzingjan blijkbaar ordelijk verlieten (de kinderen meestal op ossenwagens) werden door militairen begeleid. Toch zou slechts een deel hunner het doel van de reis bereiken. De weg, die naar Kharput leidt, verlaat de laagvlakte van Erzingjan ten oosten der stad om in de engte van den Euphraat, die den bergketen van den Taurus daar verbreekt, zijn intrede te doen. In vele kronkelingen volgt deze weg de Euphraat, soms langs steile bergwanden.

pagina 62

De afstand tot Kemaeh, die hemelsbreed 15 kilometer bedraagt, wordt door deze kronkelingen verlengd tot 55 kilometer. In een der nauwe bergpassen werden de weggevoerden, bijna alle vrouwen en kinderen, overvallen. Nadat zij geheel waren leeggeplunderd, werden zij op de afschuwelijkste wijze geslacht en hun lijken in de rivier geworpen. De slachtoffers van dit bloedbad werden geteld bij duizenden en dit geschiedde op 12 uren afstand van de garnizoensplaats Erzingjan, den zetel van een Mutessarif (Regeeringspresident) en van het hoofdkwartier van het Armenische leger. Wat zich daar in die bergengten heeft afgespeeld, geschiedde met medeweten en met mede-willen van de begeleiders. De Duitsche verpleegsters vertellen daarvan het volgende:

“De waarheid van het gebeurde werd allereerst bevestigd door onze Turksche kokin. Onder tranen vertelde zij, dat de Kurden de vrouwen mishandeld en gedood en de kinderen in de Euphraat geworpen hadden. Twee jonge meisjes, leerlingen van het Amerikaansche college van Kharput, trokken met een der karavanen mede door Kemach-Boghasi.

Op den 10 den Juni werden zij door de overvallers onder kruisvuur genomen.

Vóór hen werd de weg versperd door de Kurden en achter hen vuurden de troepen van een zekeren Talaat.

Doodelijk verschrikt wierpen de beide meisjes zich plat op den grond. Toen het vuren gestaakt was, gelukte het hun langs omweg naar Erzingjan terug te keeren met den bruidegom van een hunner, die

pagina 63

zich als vrouw had weten te verkleeden. Een Turksche schoolkameraad was hen bij die vlucht behulpzaam. De Kurden die zij op hun vlucht ontmoeten kochten zij om met geld. Toen zij in Erzingjan aankwamen trachtte een soldaat een der meisjes, de bruid, mede te voeren naar zijn huis en toen haar aanstaande man zich daartegen verzette werd hij door den gendarme neergeschoten. De beide meisjes werden door den Turkschen vriend ondergebracht in een voornaam Mohammedaansch gezin, waar zij wel voorkomenlijk werden behandeld, maar niettemin den Islamitischen godsdienst moesten aannemen. Zij lieten door bemiddeling van den arts Kaffaffian de Duitsche verpleegsters vragen hen mede te nemen naar Kharput. De eene schreef: had ik maar vergif hier, dan zou ik het innemen!”

Op den eerstvolgenden dag, 11 Juni, werden geordende troepen naar de Kemachschlucht (Kernach-Boghasi) gezonden om, zoo het heette, de Kurden te straffen. Die Turksche troepen hebben, zooals de Duitsche verpleegsters het hebben gehoord uit den mond van Turksche soldaten, die er bij tegenwoordig waren, alles wat nog tot de Armenische karavanen behoorde, afgemaakt. De Turksche ooggetuigen vertelden hoe de moeders op hun knieën gesmeekt hadden om erbarmen en zelfs toen zij zagen dat de moordenaars niet te vermurwen waren, hun eigen kinderen in het water hadden geworpen om hen te onttrekken aan de wreedheden van het Turksche gebroed. Een der jongere Turksche soldaten vertelde: het was een hartverscheurend gezicht; ik moest schieten maar ik kon niet, ik deed alsof ik schoot. An-

pagina 64

deren weer beroemden zich tegenover den Duitschen apotheker Gehlsen op hunne schanddaden. Vier uren lang heeft die slachting daar in de bergengte aan de Euphraat geduurd. Met wagenladingen werden de lijken naar den stroom gebracht om alle sporen van het geweld uit te wisschen.

Aan den avond van den 11den Juni kwamen de soldaten met hun roofbuit terug. Na de slachting werden uit de korenvelden, gelegen om Erzingjan, nog dagenlang naar vluchtelingen gezocht om ook dezen om het leven te brengen.

De volgende dagen kwamen de eerste troepen van gedeporteerden uit Baiburt door Erzingjan.

BAIBURT

In de stad Baiburt en de omliggende dorpen leefden 17.000 Armeniërs. In verschillende opeenvolgende tijdstippen werd deze bevolking uit stad en dorpen verdreven. Allereerst kwamen de dorpen aan de beurt; vele inwoners waren toen reeds het offer geworden van de gendarmen en de plunderende boeren. Drie dagen vóór den gedwongen aftocht der Armeniërs werd hun bisschop, Wartabed Hazarabedjan, na een gevangenisstraf van acht dagen, met nog een zevental andere Armenische aanzienlijken, opgehangen. Zeven of acht andere notabelen die geweigerd hadden te vertrekken, werden in hun huizen doodgeschoten, weer 70 of 80 anderen in de gevangenis geworpen, of in de bosschen gesleept en daar gedood. De bevolking der stad werd in drie groote groepen verdeeld; de tweede groep vond men in

pagina 65

lijken langs de straten liggen. Zij waren door Turksche soldatenhorden overvallen, die de vrouwen en meisjes meevoerden, de oudere vrouwen doodden en de kleine kinderen verdeelden onder de Mohammedaansche bevolking. De weduwe van een aanzienlijk Armeniër, die tot de laatste groep behoorde, vertelde van haar wedervaren het volgende:

“Toen mijn man, nu acht jaren geleden, stierf, bleef ik met mijn oude moeder en mijn acht-jarig dochtertje alleen; gelukkig niet onverzorgd, wij hadden eenig kapitaal waarmede wij ruim konden rondkomen. Vanaf het begin der mobilisatie had de dienstdoende commandant, zonder eenige vergoeding, bij mij ingewoond. Hij zeide mij dat ik niet behoefde te vertrekken, maar ik meende het lot van mijn volk te moeten deelen. Ik nam drie paarden mede, die ik met voorraad belaadde, mijn dochter pakte eenige gouden halssieraden in en ik stak ongeveer twintig ponden benevens een viertal diamanten bij mij. Al het overige moesten wij achterlaten. Onze troep vertrok op 14 Juni, zij bestond uit vier à vijfhonderd personen, begeleid door 15 gendarmen. De Mutesarif wenschte ons een "voorspoedige reis". Nauwelijks twee uren van de stad verwijderd, drongen troepen gewapende boeren en bandieten op ons in. Zij beroofden ons van alles wat wij bezaten. Zij ontnamen mij mijn drie paarden en verkochten die aan Turksche Muhadjirs; het geld dat zij er voor kregen streken zij op. Bovendien namen zij al het geld wat wij bij ons hadden, ontroofden mijn dochtertje de gouden sieraden en eigenden zich heel onze voorraad voedingsmiddelen toe. Daarop werden de

pagina 66

mannen van ons afgescheiden. In den tijd van 7 à 8 dagen doodden zij den een na den ander. Niet een mannelijk persoon boven den leeftijd van 15 jaar werd gespaard. Twee kolfslagen waren voldoende om weer een lijk te maken. In mijn onmiddellijke nabijheid werden twee priesters gedood. De uit Tjerdan afstammende Ter-Wahan en de meer dan 90-jarige Ter-Michael ondergingen hetzelfde lot. De bandieten grepen alle bekoorlijk uitziende vrouwen en meisjes en ontvoerden hen op hun paarden. Zeer veel vrouwen en meisjes onder welke mijn zuster met haar eenjarig kindje, werden naar de bergen gesleept.

Een Turk nam het kleintje van mijn zuster mede, waarheen weet ik niet. Mijn moeder liep met ons mede tot zij niet meer kon. Op den wegrand van een hoogte zakte zij ineen. Onderweg ontmoetten wij er veel die tot de reeds eerder weggevoerde groep hadden behoord. Bij de lijken die wij passeerden, vonden wij eenige vrouwen, naast hun mannen en kinderen. Ook oudere personen en kleine kinderen die nog in leven waren, kwamen wij tegen, maar zij verkeerden in een jammerlijken toestand; door het vele schreien hadden zij hun stem verloren.

Wij mochten des nachts niet in de dorpen slapen, doch moesten bivakkeeren onder den blooten hemel. Wij zagen menschen die om hun honger te stillen gras aten. Vooral in den nacht werd er door gendarmen, bandieten en dorpsbewoners ontzettend geroofd en gemoord. Velen onzer stierven van honger en door slagen. Anderen bleven aan den weg liggen, te zwak om voort te kunnen.

Op een morgen zagen wij 50 of 60 Turksche

pagina 67

vrouwen wier mannen in den oorlog waren gesneuveld; zij kwamen van Erzeroem en reden naar Konstantinopel. Een der vrouwen gaf aan een soldaat een wenk en wees op een Armeniër, dien hij moest doodschieten. De soldaat vroeg of zij het liever zelf niet deed en haar brutaal antwoord luidde: O ja, waarom niet. Zij trok een revolver uit den zak en schoot den Armeniër neer. Elke Turksche vrouw had 5 of 6 Armenische meisjes van 10 jaren en jonger bij zich. De Turken wilden de knapen nooit medenemen, zij werden, onverschillig van welken leeftijd, allen gedood. Die vrouwen trachtten ook mij mijn dochter te ontnemen, maar het kind was niet van mij los te krijgen. Toen wij beloofden Mohammedaansch te zullen worden, konden wij beiden de wagen beklimmen en meerijden. Zoodra wij gezeten waren begonnen de vrouwen ons te onderrichten wat wij als Moslims te doen hadden en zij veranderden onze christelijk-klinkende namen in Mohammedaansehe. Toen wij de vlakten van Erzingjan doorreden, bemerkten wij dat wij voor de meest ontzettende en niet uit te spreken gruwelen waren bespaard gebleven. De misvormde lijken van vrouwen, meisjes en kinderen deden ons ijzen. Het schreide ten hemel. Aan de Euphraat gekomen werden de kinderen beneden 15 jaar onmeedoogenloos in den vloed geworpen en wanneer een hunner, worstelende met de golven, zich trachtte te redden, werd hij weggeschoten. Aan het einde van den weg naar Siwas gekomen, zagen wij velden en wegen bezaaid met opgezwollen, zwarte lijken, die door hun stank de atmosfeer verpestten.

pagina 68

Na zeven dagen bereikten wij Siwas. De Turksche vrouwen namen mij en mijn dochter mede en brachten ons in gezelschap van een groot aantal andere vrouwen en meisjes, die eveneens gedwongen waren den Islam te aanvaarden.

Op weg naar Iosgad ontmoetten wij een zestal vrouwen, die den Feredjé (sluier) droegen, met kinderen op den arm. Toen de gendarmen de sluiers oplichtten, bemerkten zij dat het vermomde mannen waren, die de kinderen op deze wijze hadden getracht te redden. Zij werden op dezelfde plek doodgeschoten.

Na 32 dagen bereikten wij Konstantinopel.”

Omtrent den toestand en het lot van de gedeporteerden die uit de omgeving van Baiburt en Erzeroem door Erzingjan waren gekomen, wordt door twee Duitsche verpleegsters uit deze laatste plaats nog het volgende vermeld:

“Aan den avond van den 18den Juni gingen wij met onzen vriend apotheker Gehlsen van huis. Een gendarme ontmoette ons, die vertelde dat in de omgeving van het hospitaal een groot aantal vrouwen en kinderen zou overnachten. Hij had zelf geholpen hen naar die plaats te brengen en deelde ons het ontzettende mede hoe het den weggevoerden was gegaan op hun tocht. “Kessé, kessé, surujorlar” (“Slachtende, doodende, dreef men hen voort!”) Iederen dag, zoo vertelde hij, had hij soms twaalf mannen gedood en in de afgronden geworpen. Wanneer de kinderen schreidden en niet meer konden gaan, verbrijzelde men de schedels. Aan de vrouwen werd alles ontnomen en in ieder dorp werden zij

pagina 69

verkracht. “Ik zelf heb drie naakte vrouwenlijken laten begraven”, aldus besloot hij, “God moge dat mij toerekenen!” Den volgenden morgen, heel in de vroegte, hoorden wij dat de tot den dood gedoemde schare weer werd voortgedreven. Wij en de apotheker sloten ons aan en begeleidden de weggevoerden tot ongeveer een uur buiten de stad. Het leed was onbeschrijfelijk. Het was een groote schare, waarbij slechts twee of drie mannen; de rest bestond uit vrouwen en kinderen. Onder de vrouwen waren er eenige krankzinnig geworden. Anderen schreidden en riepen: “Redt ons, wij willen Moslims worden, of Duitsch of wat gij wilt, maar redt ons! Nu brengt men ons naar Kemach en zal ons daar de hals afsnijden!” Anderen weer liepen stom en gedachteloos mede, met hun gansche bezit op den rug en de kinderen aan de hand; weer anderen baden ons hun kinderen te redden. Toen wij de stad naderden kwamen verscheidene Turken aangereden en eigenden zich jonge meisjes en kinderen toe. Aan den ingang der stad, waar ook de Duitsche arts zijn huis heeft, hield de menigte een oogenblik halt eer zij den weg naar Kemach insloeg. Het was hier zuiver een slavenmarkt, alleen: er werd niet betaald. De moeders schenen hun kinderen gewillig over te geven.

Tegenstand was trouwens nutteloos geweest.”

Toen de beide Roode-Kruiszusters op den 21en Juni de stad Erzingjan verlieten, zagen zij onderweg nog meer van het lot dat de weggevoerden moesten ondergaan.

pagina 70

“Onderweg ontmoetten wij een groot getal uitgewezenen, die sinds kort hun woonplaats verlaten hebbende, nog in goeden welstand waren. Wij stonden stil om hen te laten passeeren en den aanblik van hetgeen ons daar voorbijging zullen wij niet licht vergeten. Slechts weinige mannen, meerendeels waren het vrouwen en kinderen. Velen hunner, met lichte haren en groote helderblauwe oogen keken ons diep-ernstig aan, sommigen met onbewuste verhevenheid, als waren zij engelen des gerichts. In geluidlooze stilte gingen zij voorbij, de kleinen en de grooten, tot zelfs een hoogbejaarde vrouw, die men met moeite op een ezel had weten te plaatsen. Daar gingen zij henen, om straks aaneengebonden van de hooge rotsen in den Euphraat te worden geworpen, in het jammerdal van Kemach-Boghasi... Een Grieksch koetsier dien wij spraken vertelde ons hoe het soms toeging en ons hart kromp ineen toen wij het hoorden.

Onze soldaten hebben ons verteld dat zij een menigte van 3.000 vrouwen en kinderen van Marmachatun (uit het Terdjangebied, gelegen tusschen Erzeroem en Erzingjan) naar Kemach hadden gebracht. “Hep gitdi bitdi!” riep men, “Allen weg en heen!” Maar, wanneer gij dan zoo gaarne wilt dooden, vroegen wij, waarom doet gij het niet in de dorpen? Waarom moeten de slachtoffers eerst zulk een nameloos leed verduren?” En het antwoord was: “Waar moeten wij dan met de lijken heen? Die zouden teveel gaan stinken.”

De nacht brachten wij door in Enderes in een Armenisch huis. De mannen waren reeds weggevoerd,

pagina 71

den volgenden dag zouden de vrouwen volgen, zoo werd ons meegedeeld. Zij zelf echter wisten dit nog niet en zij konden zich dus nog verheugen, toen wij hun kinderen eenige versnaperingen aanboden. Op den wand van onze kamer stond in het Turksch geschreven:

Op de bergen is onze woning,
Een kamer hebben wij niet meer,
Wij vragen niet meer naar den rechter,
Een doodendrank die is ons deel.

Het was een avond vol helderen maneschijn. Ik lag nog maar eenige oogenblikken te bed toen ik geweerschoten hoorde knallen, voorafgegaan door commando's. Ik wist wat dit beteekende... eindelijk sliep ik in, blijde dat deze slachtoffers tenminste een snellen dood hadden gehad en dat zij nu waren verlost van hun lijden en voor God stonden.

Des morgens werd de burgerlijke bevolking opgeroepen om jacht te maken op de vluchtelingen en in alle richtingen zagen wij gewapende burgers vertrekken. Onder een schaduwrijken boom zaten twee mannen en deelden de buit van dien nacht; één van hen hield triomfantelijk een blauwe broek in de hoogte; de lijken werden geheel uitgekleed; een cadaver zelfs zagen wij zonder hoofd.

In een nabijgelegen Grieksch dorp zagen wij een woest-uitziend gewapend man, die ons vertelde daar te zijn neergezet om de reizigers op te wachten (m.a.w. de Armeniërs te dooden). Hij had er al velen gedood en met welgevallen voegde hij ons toe: "een hunner heb ik tot hun koning gemaakt”.

pagina 72

Onze koetsier vertelde ons dat er 200 wegarbeiders gedood waren op een plek die wij waren gepasseerd; wel lag er nog veel geronnen bloed, maar de lijken waren verwijderd.

In den namiddag kwamen wij in een dal, waar drie groepen wegarbeiders waren gezeten, Moslims, Grieken en Armeniërs. Vóór deze laatsten stonden eenige officieren. wij reden verder en kwamen op een heuvel. In dit dal, hieronder, aldus onze koetsier, werden eens ongeveer 100 Armeniërs in een rij opgesteld; achter hen was een breed uitgegraven opening. Wij wisten wat er gebeuren ging. In een andere plaats herhaalde zich dit schouwspel. In het zendingshospitaal in Siwas ontmoetten wij een man, die aan een dergelijk bloed blad was ontkomen. Hij was met 95 andere Armenische arbeiders in dezelfde rij gesteld. Een zevental gendarmen had van die 96 menschen zoovelen mogelijk neergeschoten. De nog overgeblevenen werden door andere Moslims met messen en steenen gedood. Tien hunner hadden weten te ontvluchten. De man zelf had een groote wond in den nek. Hij was buiten kennis geraakt en toen hij weer tot bewustzijn was gekomen, gelukte het hem den twee dagreizen langen weg naar Siwas ten einde te brengen.

Moge hij een beeld zijns volks zijn, opdat dat ook eens van de geslagenen wonden moge genezen.

Een nacht hebben wij doorgebracht in het gouvernementsgebouw te Zara. Voor de deur zat een gendarme die schijnbaar met welbehagen neuriede: “Ermenileri hep kesdiler” (De Armeniërs zijn allen geslacht.) In een benedenvertrek onderhandelde men

pagina 73

telefonisch over het lot van de Armeniërs die nog gevangen zaten.

Weer een anderen nacht sliepen wij in een huis, waar weeklagende en schreiende vrouwen vertoefden; zij hadden juist bericht ontvangen van den dood hunner echtgenooten. Wij konden geen oog toe doen en kleedden ons dus maar weer aan. Een gendarmen die ons bemerkte zeide: “ik begrijp het: u kunt niet slapen van dat geschreeuw; ik zal naar beneden gaan en zeggen dat zij hun gehuil moeten staken.”

Gelukkig konden wij hem van dat voornemen terugbrengen. Wij gingen zelf naar beneden en trachtten met de arme vrouwen een gesprek aan te knoopen. Gemakkelijk was dit niet, de meesten waren versuft en wisten niet wat ze zeiden. Anderen klaagden: “Wat is dat voor een koning die zooiets toelaat? Kan uw keizer dan niet helpen? Waarom doet hij het dan niet!”, enz. Weer anderen werden door doodsangsten gekweld: “Alles, alles kunt gij ons afnemen, zelfs al onze kleeren, maar spaar ons het leven”...

En dat alles moesten wij aanhooren zonder ook maar iets voor de arme lijders te kunnen doen. Slechts konden wij wijzen op Hem die den dood had overwonnen.

pagina 74

Brief van een Armenisch soldaat Megerditch Tatéossian genaamd, uit het Turksche leger, geboren te Passin, wien het gelukt is naar Rusland te ontkomen. Deze brief is gepubliceerd door “Arew”, een dagblad te Bakou verschijnend.

Wij hebben gemeend, den brief van den Armeniër onverkort te moeten weergeven. De eenvoudige stijl wordt welsprekend door de dramatische voorstelling der feiten.

“Wij waren met 300 Armeniërs gemobiliseerd en vormden een compagnie genietroepen; de officieren hadden ons de wapens ontnomen. Gedurende zeven of acht maanden werkten wij onafgebroken aan een weg tusschen Passin en Hakter. Het zou van weinig nut zijn wanneer ik ons leven gedurende dien tijd ging beschrijven, slechte voeding, slapen in open lucht, gekleed in lompen die ons “uniform” moesten uitmaken en iederen avond te vermoeid om ons schamel stuk zwart brood te kunnen eten. Wij waren blij wanneer wij de vermoeienissen van den dag in een vasten slaap konden vergeten, hetgeen alleen mogelijk was wanneer de gendarmen, die ons bewaakten als waren wij de grootste boeven, ons die rust gunden.

Op zekeren dag in de maand Juni 1915 zagen wij in de nabijheid van het dorp waar wij arbeidden, een lange stoet van onze rasgenooten,

pagina 75

allen Armeniërs, begeleid door gendarmen. Zij telden ongeveer 5.000 personen, waarvan de meesten vrouwen, grijsaards en kinderen. Zij waren ontvoerd uit de omstreken van Hassan-Kalé, Thérman, Tehimichlézéh, enz., en zij werden verdreven naar Kharput, tenminste zoo was hun gezegd.

Den volgenden morgen kreeg onze compagnie order om te gaan werken op den berg in de nabijheid van Touz-Griediek. Vooral onze schoppen en houweelen mochten wij niet vergeten. Deze order zoowel als de waarschuwing deden ons vreezen dat een dreigend gevaar ons boven het hoofd hing. En inderdaad, nauwelijks waren wij de bergengten gepasseerd, of in de vlakte die voor ons lag zagen wij een compacte massa menschen. Het waren de Armeniërs die wij dien vorigen dag hadden gezien, thans echter waren de gendarmen vervangen door “Tschette's” 1), bestaande uit Turken en Kurden, die ons nauwkeurig opnamen. Onze reis voortzettende, bereikten wij weldra de voet van den hoogen heuvel en hielden halt in het dorp Agum.

Een van onze bewakers zonderde zich van de troep af om zich te begeven naar de weggevoerden, die wij konden hooren schreeuwen en kermen. Hij wenschte niets te verliezen van het drama dat zich daar in de vlakte afspeelde, waar de moordenaars zich vermaakten met de pijniging van hunne slachtoffers. Zij ranselden de

1) Ongeregelde troepen.

pagina 76

grijsaards mishandelden de vrouwen en verkrachtten meisjes en kinderen. En wat zou ons wachten? Lang bleven wij niet in de onzekerheid. Onze gendarme keerde weldra terug en met een grijnzenden glimlach vol wellustige voldoening schreeuwde hij ons toe: “Kinderen! wij moeten vandaag werken dubbel zoo hard als anders, wij hebben eensklaps veel werk te verrichten gekregen!” Helaas, ons voorgevoel had ons niet bedrogen. Een uur later wierpen de “tschettes” zich op onze arme landgenooten en..., het bloedbad begon.

Ik heb geen geduld en geen moed deze “bloedfeesten” nader te beschrijven, want wat zich daar voor onze oogen afspeelde was zóó ontzettend, zóó vreeselijk, zóó afschuwelijk, zóó onbeschrijfelijk wreed, dat ik slechts met moeite bovenstaande feiten heb kunnen meedeelen.

Hoe gaarne of wij ook onze rasgenooten hadden te hulp gekomen, het bleek ons niet mogelijk. De Turken, die een mogelijk ingrijpen van onze zijde hadden voorzien, bewaakten ons strenger dan ooit. Wij moesten alles lijdelijk zijn gang laten gaan; we konden slechts de oogen sluiten om bespaard te blijven voor den aanblik van dit ontzettende tooneel. Door de harde bijlslagen der Turken vlogen de hoofden der slachtoffers her- en derwaarts en de doffe sabelhouwen op de schedels der ongelukkigen, vervulden ons met afgrijzen. Iedere slag kostte een van onze broeders of zusters het leven; overal werd gemoord, hier nog vreeselijker dan elders, het

pagina 77

bloed stroomde en bleef stroomen; het bloed had de verhitte gezichten der moordenaars bespat, ja, zelfs dronken zij het; zelfs dronken zij het! Eenige passen verder vielen de kinderen onder beulshanden, dat geschiedde snel; een slag, een schreeuw... dan maar weer een volgende.

Dit sinister schouwspel moest wel het meest versteende hart hebben doen weenen, maar onze smart was zoo groot, dat wij niet schreien konden. Tegen een berghelling aan de overzijde van onze standplaats waren verschillende jonge, schoone Armenische meisjes saamgebonden om straks te worden vervoerd naar de harems der Turken. Zij moesten, evenals wij, het schouwspel aanzien, verstomd, wezenloos.

De lijken hoopten zich bij duizenden op en na vier uur van vreeselijk moorden, ik herhaal: na vier uur van vreeselijk moorden waren 5.000 Armeniërs uitgeroeid.

Toen vertrokken de Tschettes met moeite zich voortsleepend onder den geroofden buit, waarvan zij een deel hadden afgestaan aan de ons begeleidende gendarmen. De jonge meisjes voerden zij mede en hun chef, Mustapha Zadé Suleyman van Sivas, beval ons onmiddellijk de lijken te begraven en alle bloedsporen te verwijderen.

Dat was het “vele werk” dat ons wachtte!

Daarom moesten wij schoppen en houweelen meenemen!

Wij zouden de lijken gaan begraven en op verschillende plekken groeven wij diepe kuilen.

pagina 78

Nauwelijks echter waren wij een meter diep of wij stieten op... lijken van Armenische soldaten, gekleed als wij! Deze ongelukkigen hadden, evenals wij, voor andere slachtoffers een graf moeten maken, en zij waren toen op hun beurt vermoord. Nog duidelijk waren de vreeselijke wonden te zien.

Dit ontzettende gezicht deed ons voor enkele oogenblikken terugdeinzen, maar wij moesten voort, opgejaagd door Turksche sabels. Weldra begonnen wij de lijken, die het bloedige veld bedekten, in de kuilen te leggen. Velen ademden nog, en dan gaven hun soms breekende oogen een onuitsprekelijke smart te kennen. Met krampachtig verwrongen handen wezen zij ons op de gapende, schrijnende, bloedende wonden, dan verbleekten hun verdroogde lippen... even een tragische stilte... en wij legden hen in den kuil van dooden... en levenden!

Een van mijn kameraden bezat den moed om verlof te vragen om gewonde grijsaards en kinderen voor den kuil te sparen; het antwoord was een revolverschot, dat hem onmiddellijk doodde. Op een schorren, heeschen toon schreeuwde men ons toe: “Werp alles in den kuil, gewonden en dooden, indien gij niet hetzelfde lot wilt ondergaan.”

Langzamerhand vulden de graven zich; een ijzige bloedlucht waarde overal rond. Hier en daar stak een zieltogende zijn arm uit om redding.

“Maakt voort, haast u, hondsvotten, gui-

pagina 79

aours 1), dit is uw voorland,” schreeuwden van tijd tot tijd onze bewakers.

Eindelijk waren we aan het laatste slachtoffer gekomen; 't was een flink gebouwd grijsaard van omstreeks 65 jaar; hij had een diepe snede over het gelaat, maar ademde nog. Plotseling opent hij de oogen, ziet ons aan met schuwen blik, laat dan het hoofd zinken met een diepen zucht; maar nauwelijks hebben wij hem gelegd bij de cadavers van zijn lotgenooten of met woest geweld slaat hij zijn armen omhoog en schreeuwde het uit: “Wreedaards, waarom mij begraven? Ik leef nog!”

De graven werden dichtgemaakt... de nacht zou weldra vallen. Na het appèl werden wij door de gendarmen twee-aan-twee geschaard en wij begaven ons op weg. Voor het laatst sloegen wij een blik op de graven van onze arme landgenooten, van onze broeders... afgrijselijk! Hier en daar bewoog zich de aarde alsof daaronder iets woelde... het waren de levend-begravenen, die ademen wilden... die daar een ongekenden strijd voerden, een vreeselijken strijd met den dood en een strijd waarin zij zouden moeten omkomen...

Weer op ons cantonnement teruggekeerd werden wij verdeeld in verschillende groepen en opgesloten. Wij konden eten noch drinken, slapen noch spreken. Gedurende den geheelen

1) Een woord van minachting dat de Turken gebruiken om de Christenen te smaden.

pagina 80

nacht zagen wij vreugdevuren branden en hoorden wij het gezang der Turken die hun daden bejubelden. En wij zaten bijeen, opgesloten, sommigen lagen ter aarde; niet in staat om te denken, als vernietigd, verstomd door emotie en smart. Waarlijk, het verschil tusschen degenen die wij hadden moeten begraven en ons was niet groot.

Den volgenden morgen, heel in de vroegte werden wij onder sterk geleide naar een riviertje gevoerd om daar een bad te nemen. Onderweg ontmoetten wij een grijsaard, in lompen gehuld; hij was met aarde bedekt en ging strompelend voort. Weldra kon ik hem duidelijker onderscheiden. Groote God! hij had een wonde in het gelaat, hij was het, de laatst begravene, en weer uit zijn graf herrezen!

Heftig gesticuleerend hief de grijsaard zijn armen tegen de gendarmen op en sprak met een hollen diepen stem: “Wreedaards, waarom hebt gij mij begraven? Ik lééf nóg!”... Een revolver schot... en de grijsaard viel dood neer.

Dit voorval verwekte een ontroerende ontsteltenis in onze gelederen en sommigen onzer gaven uiting aan hun gevoelens door woorden van afschuw te spreken. Maar de officier der gendarmen, die reeds hierop voorbereid was, wierp ons op wreeden sinisteren toon toe: “Zwijg, ik ben over je werk van gisteren tevreden, en nu, om u te beloonen, zal ik jelui in gezelschap brengen van je lieve zusters en broeders”.

Ieder onzer begreep dat niet deze woorden ook ons lot was beslist. Het machiavellistisch

pagina 81

plan om ons een bad te laten nemen was niets anders dan een middel om ons op de beste wijze te kunnen vermoorden.

Gedreven door den wanhoop wierpen eenigen onzer zich op de gendarmen en grepen hen naar de keel; het was een worsteling op leven en dood. Het gelukte mij met vijf kameraden onze bewakers te ontwapenen; met hun geweren wisten wij nog een 14-tal onzer makkers te redden en van de wanorde gebruik makende, vluchtten wij de bergen in, de overigen waren gevlucht langs andere wegen. Maar onze beulen hadden zich weer spoedig hersteld en wij werden weldra achtervolgd door tien ruiters, aan 't hoofd waarvan de officier der gendarmerie zich bevond. Wij verschansten ons in de struiken en achter boomen, maar onze weinige munitie was weldra verschoten en wij moesten nogmaals trachten te ontkomen door de vlucht. Negen onzer werden gedood; een kameraad en ik vonden een schuilplaats in een spelonk en door een mirakuleus toeval ontkwamen wij; de gendarmen konden ons niet vinden. Wij wachtten den nacht af en toen alles donker was verlieten wij onze schuilplaats en marcheerden wij verscheidene uren aaneen, zonder te weten waar wij zouden aanlanden. Tegen den morgenstond bereikten wij een bijna geheel verlaten dorp en ontmoetten daar een ouden, ziekelijken Turk. Hij hield ons voor geestelijken en deelde ons mede, dat alle inwoners waren gevlucht voor de Russen, die weldra het dorp zouden bezetten. Hij wist ons

pagina 82

verder zeer nauwkeurig in te lichten waar de voorposten der Russische troepen zich thans bevonden. Hij zegende ons en smeekte aan Allah ons te geven de noodige kracht en moed, om alle Christenen te vermoorden!

Wij besloten de Russische legers op te zoeken en in hun gelederen plaats te nemen. Na nog een nacht te hebben gemarcheerd bereikten wij de uiterste posten van het Turksche leger. Op onze mededeeling dat wij de Russische linies zouden gaan bespionneeren, werden wij aanvankelijk doorgelaten; wij liepen flink door, tot opeens de Turken het vuur op ons openden; mijn arme kameraad viel door een kogel getroffen met een schreeuw van smart achterover.

Wat mij betreft, het is mij niet mogelijk te verhalen hoe ik de Russische voorposten heb bereikt. Ik weet het niet!

Wel weet ik, dat ik door de Russen hartelijk werd ontvangen. Zij leidden mij naar hun chef, die mij eveneens vriendelijk bejegende en die, na mij enkele vragen te hebben gedaan, order gaf mij wat op te knappen. Den volgenden dag was ik bij de troepen ingedeeld.

En nu vrij! Maar al zou ik ook 100 jaren oud zijn, toch zal ik nog eens met mijn Armenische broeders emigreeren naar Alexandropol.”

3. WILAJET SIWAS

Het Wilajet Siwas telde onder zijne bevolking van 1.086.500 zielen 271.500 Christenen, nl. 170.500 Armeniërs, 76.000 Grieken en 25.000 Syriërs. De

pagina 83

Mohammedaansche bevolking bestaat voor ⅔ uit Turken, Turkmenen en Tscherkessen en voor één derde uit Kisilbasch.

Vóór de algemeene deportatie was de toestand hier gelijk aan die in de wilajets Trapezunt en Erzeroem. Georganiseerde benden plunderden de dorpen. Onder het voorwendsel wapens te moeten zoeken, drongen de gendarmen de huizen binnen, roofden, onteerden de vrouwen en pijnigden de Armenische boeren zoolang tot zij al hun geld hadden afgestaan. Hij die zich kwam beklagen, werd gevangen gezet. Alle voor den militairen dienst geschikte mannen, ook zij die zich door betaling van den vastgestelden afkoopsom (44 Turksche ponden, ± 480 gulden voor ieder persoon) hadden vrijgekocht. werden opgevorderd en als sjouwer of wegwerker in dienst gesteld. Toen men vernam dat velen hunner door gebrek aan voedsel en door mishandeling stierven en dat een groot aantal wegwerkers door de Mohammedanen waren neergeschoten, vluchtten de inwoners, die nog niet waren opgevorderd, de bergen in, waarop de regeering hun huizen verbrandde. Evenals elders werd ook in dit Wilajet met de ontwapening der bevolking begonnen, alvorens de uitroeiing of wegvoering een aanvang nam. De ontwapening der dorpsbewoners geschiedde gewoonlijk op deze wijze: Het dorp werd door de gendarmen omringd en zonder eenige voorafgaande kennisgeving moest de bevolking zorgen voor twee of driehonderd vuurwapenen. Konden de bewoners er niet meer dan vijftig inleveren, om de eenvoudige reden dat er in ’t geheele dorp niet meer te vinden waren, dan

pagina 84

werden de notabelen gegrepen, gekerkerd en ontvingen zij de bastonnade. In de stad Siwas werd voor de uitlevering van wapens vijf uren tijd gegeven. Vond men na verloop van dien tijd in een of ander huis nog iets dat op een wapen geleek, dan werd het huis in de asch gelegd en de bewoners gedood.

Dan begon men met de gevangenneming van notabelen en van de Daschnakzagan. In Siwas werden 1.200, in Schabin-Karahissar 50 menschen gevangen genomen en zonder verder verhoor weggevoerd. Bij de huiszoekingen werd vooral gelet op brieven of bescheiden die op eenigerlei wijze het vermoeden zouden kunnen wekken dat men der regeering niet gezind zou zijn of waarin een of ander revolutionnair plan werd voorbereid. Hoewel nergens iets werd gevonden, wat dit vermoeden zou hebben kunnen bevestigen, verspreidden de gendarmen het leugenachtige bericht dat honderden bommen en duizenden geweren bij de Armeniërs gevonden werden en dat de Daschnakzagan pogingen in het werk wilden stellen het munitiedepot in de lucht te doen vliegen. Bewijzen waren voor de lichtgeloovige Mohammedaansche bevolking overbodig, de regeering bereikte met dergelijke mededeelingen volkomen haar doel; steeds meer en meer werd de Mohammedaansche bevolking tegen de Christelijke Armeniërs opgezet.

Nadat de aanzienlijken van het wilajet waren weggevoerd, begon de massa-deportatie van het volk.

MERSIWAN

In Mersiwan was, evenals in de overige dorpen en steden, de dienstplichtige mannelijke bevolking

pagina 85

onder de wapenen geroepen. Uitgenomen een klein aantal Armenische voorname personen, die door betaling van den afkoopsom tot nu toe vrij waren gebleven, werd al wat voor den dienst geschikt was, opgeëischt. Voor de vrouwen en kinderen, die achterbleven, meestal zonder eenig middel van bestaan, was het een kommervolle tijd. In vele gevallen werd het laatste geld wat zij nog bezaten aangewend om de vertrekkende soldaten iets op hun reis mede te geven. Waar de bevolking der stad voor de helft bestond uit Armeniërs, bleef een betrekkelijk groot aantal niet voor den dienst geschikten over. De bevolking telde vóór de wegvoering 22.000 zielen, waar bij 12.000 Armeniërs.

De mededeelingen van een Amerikaansch Missionnaris van het college te Mersiwan geven de volgende bijzonderheden:

“De maatregelen van de regeering tegen de Armenische bevolking begon hiermede, dat midden in den nacht ongeveer 20 leden van de Armenische constitutioneele partij werden gegrepen en weggevoerd. In Juni begon de regeering met het zoeken naar wapenen. Eenige Armeniërs werden gegrepen en op de pijnbank geprest tot de bewering dat een groot aantal wapenen zich in de handen der Armeniërs bevond. Een tweede inquisitie begon. Van de bastonnade werd een veelvuldig gebruik gemaakt evenals met het folteren door middel van vuur. In sommige gevallen moeten de oogen der slachtoffers zijn uitgestoken. Een groot aantal geweren werd afgegeven, echter niet alle. De menschen vreesden eene herhaling van het bloedbad van 1895.

pagina 86

Na de instelling der constitutioneele regeering waren aan de inwoners van het land wapenen uitgereikt voor zelfverdediging, en dit was geschiedt met goedvinden der regeering.

De foltertuigen werden meer en meer in gebruik gesteld en onder den invloed van dit stelsel ontstond hier en daar tegenstand die dan aanleiding was voor verdere gewelddaden. Men dwong de verschillende gevangenen uitspraken af, die eIken grond van waarheid misten; zij die de foltertuigen bedienden, dicteerden eenvoudig wat de slachtoffers hadden uit te spreken of te bevestigen. De mechaniker van het Amerikaansche college had een ijzeren kogel voor sportdoeleinden vervaardigd; hij werd op de vreeselijkste manier mishandeld totdat hij de verklaring had onderteekend dat in het Amerikaansche college bommen gemaakt werden.

In het Armenische kerkhof werden inderdaad eenige bommen gevonden en dit deed de woede der Turken tot haar hoogtepunt stijgen. Later bleek echter dat die bommen daar waren begraven in den tijd van Abdul Hamid.

Op Zaterdag 26 Juni, 's middags 1 uur trokken de gendarmes door de stad en dreven alle Armeniërs die zij konden vinden bijeen, oud en jong, arm en rijk, ziek en gezond. Hier en daar drong men de huizen binnen en dwong men den zieken bewoners van hun bed op te staan en te volgen. In de kazerne werden de bewoners ondergebracht en de volgende dagen in groepen van 30 tot 150 man weggevoerd. Zij moesten te voet gaan; van sommigen werden schoenen en kleedingstukken geroofd, anderen werden ge-

pagina 87

geeseld. De eerste groep bereikte Amasia en had uit verschillende plaatsen tijding gezonden naar hun vroegere woonplaats (men zegt daartoe gedwongen door de regeering, teneinde de volgende troepen te misleiden). Van niet één der na hen weggevoerden heeft men sinds dien iets vernomen. Van de vele berichten die omtrent hun lot in omloop waren werd als vaststaand aangenomen de mededeeling, dat zij allen waren gedood. Een Grieksch herder heeft later verteld den heuvel te hebben gezien waar de lijken waren begraven. Een ander persoon, die in relatie stond met de regeering gaf op een desbetreffende vraag onomwonden ten antwoord dat de weggevoerden inderdaad waren omgebracht.

Door bemiddeling van een Turk gelukte het aan het Amerikaansche college de leerlingen der Zendingschool en het onderwijzend personeel voor de deportatie te vrijwaren tegen betaling van 275 Turksche ponden. Later verklaarde diezelfde Turk dat hij kon bewerkstelligen dat allen, die met het college in betrekking stonden, zouden worden vrijgesteld van de deportatie, maar niet dan tegen betaling van nog 300 ponden. Het geld werd aanvankelijk toegezegd, maar toen bij nadere bespreking bleek dat de Turk niet de vaste zekerheid kon geven dat inderdaad met de betaling dier som alle geëmployeerden van het college zouden worden vrijgekocht, kwam men terug van dit voornemen.

Inmiddels had de leider van het Amerikaansche college zich in verbinding gesteld met den Amerikaanschen gezant, met het verzoek er bij den Minister van Binnenlandsche Zaken, Talaat Bey, op aan te drin-

pagina 88

gen dat tenminste de Armenische gezinnen der leerlingen van het college, benevens een honderdtal schoolmeisjes, die men in het gebouw had achtergehouden om hen te bewaren voor de deportatie met al haar schandelijke gevolgen, onder bescherming der Turksche overheid zouden komen en in de stad zouden kunnen blijven. Talaat Bey verklaarde zich bereid om aan den wensch van den Amerikaanschen gezant tegemoet te komen; hij deelde den gezant mede reeds naar Mersiwan te hebben geseind dat ieder die door het Amerikaansche college in bescherming werd genomen zou moeten worden ontzien. Desniettegenstaande werden eenigen tijd later ook deze gezinnen en beschermden door de Turksche soldaten opgevorderd.

Nadat dan reeds eenige groepen van Armeniërs waren weggevoerd, ging de omroeper door de straten en deelde mede dat alle mannelijke personen van 15 tot 70 jaar zich te melden hadden aan de kazerne. Deze oproep ging vergezeld van de waarschuwing dat bij een weigering de doodstraf zou worden toegepast en de huizen zouden worden verbrand. De Armenische priesters gingen van huis tot huis en gaven den bewoners den raad aan den oproep gevolg te geven.

Zij die zich meldden werden groepsgewijze weggevoerd en binnen eenige dagen waren alle Armeniërs uit de stad verdreven.

Den derden of vierden Juli werd het bevel gegeven dat alle vrouwen zich hadden voor te bereiden op den volgenden dag te vertrekken. De regeering zou voor ieder gezin een ossenwagen beschikbaar stellen; de vertrekkenden mochten voedsel voldoende voor een dag,

pagina 89

eenige piasters en een klein bundeltje kleeren meenemen. De inwoners bereidden zich voor op den uittocht en verkochten op straat al hun meubelen en verder huisraad. Alles werd verkocht voor een tiende deel der gewone prijzen en de Turken uit de omgeving, vol winstbejag, vulden de straten. In sommige gevallen traden de Turken met geweld op om zich meester te maken van hetgeen de Armeniërs te koop aanboden; doch wanneer dit werd ontdekt trad de regeering bestraffend op.

Op den vijfden Juli, nog vóór het bevel der regeering tot het wegvoeren van vrouwen en kinderen was tenuitvoer gebracht, wendde een der Missionnarissen zich tot de regeering om te protesteeren tegen deze deportatie. Men deelde den Missionnaris mede dat het bevel niet van de plaatselijke overheid was uitgegaan, maar van hooger hand was uitgevaardigd. Tevens werd hem medegedeeld, dat juist een bevel was binnengekomen dat niet één Armeniër in de stad mocht blijven. De commandant was echter bereid aan hen, die door het Amerikaansche instituut in bescherming werden genomen, van de deportatie voorloopig uit te zonderen. Inderdaad geschiedde dit en het Amerikaansche Zendingshuis was weldra bewoond door 300 Armeniërs.

De bevolking moest des Woensdags gereed zijn voor het vertrek, maar Dindagsmorgens half vier reeds kwamen de ossenwagens voor de deur en werden de bewoners gedwongen in te stappen; sommige gezinnen werden zonder voldoende kleeding uit het bed gelicht en weggevoerd. Knarsend gingen dien geheelen dag de wagens, beladen met vrouwen

pagina 90

en kinderen, door de stad, hier en daar zag, men nog een mannelijk persoon, die aan den eersten uittocht was ontkomen. De vrouwen en meisjes droegen den Turkschen sluier om hun gelaat te verbergen voor de blikken der ruwe gendarmen. Zoo werden zij weggevoerd deze vrouwen en meisjes; een beschermer bezaten zij niet, hunne mannen en vaders stonden in den krijg en streden voor de Turksche regeering.

De paniek in de stad was ontzettend. Men gevoelde dat de regeering begonnen was het Armenische ras uit te roeien, en dit geen macht had zich er tegen te verzetten. Men was er van overtuigd dat de mannen zouden worden gedood en de vrouwen weggevoerd. De gevangenissen werden ontsloten en de bergen om Mersiwan werden overstroomd van misdadigers. Men wist het, de vrouwen en kinderen zouden straks, buiten de stad, aan de genade en ongenade dezes bandieten zijn overgeleverd.

Aanzienlijke Armenische meisjes waren reeds door de Turksche beambten meegevoerd. Een Mohammedaan vertelde, dat een Turksch gendarme hem twee Armenische meisjes te koop aanbood voor een Medjidyeh (ongeveer ƒ 2,25). De meeste vrouwen die een gewissen dood voor oogen zagen droegen vergif bij zich om in den uitersten nood een einde te maken aan hun leven. Anderen namen schoppen en houweelen mede om de lijken te kunnen begraven van hen die onderweg zouden sterven.

Tijdens dit schrikbewind werd bekend gemaakt dat de mogelijkheid bestond dedeportatie te ontgaan, en dat ieder die den Islamitischen godsdienst zou aannemen, in rust en vrede thuis zou kunnen blijven.

pagina 91

De ambtelijke bureaux waren vol menschen, die zulk een dwang niet konden weerstaan.

Met eenige tusschenpoozen duurde de deportatie twee weken. Naar schatting zijn van de 12.000 Armeniërs in Mersiwan slechts een paar honderd overgebleven. Ook zij die aanboden den Islam te dienen werden weggevoerd. Tot op heden is ieder bericht omtrent de weggevoerden achterwege gebleven. Een Griekschen drijver deelde mede dat in een klein dorp, eenige uren van Mersiwan gelegen, de weinige mannen van de vrouwen werden gescheiden, en daarna geketend en in een afzonderlijk transport weggedreven. Een Turksch herder vertelde de karavaan onderweg te hebben gezien. De menschen waren zóó door stof en vuil bedekt dat men hen nauwelijks kon herkennen.

Zelfs in het geval dat het leven van de vluchtelingen werd gespaard, rijst de vraag hoe de gedeporteerden de bezwaren van zulk een moeilijke reis hebben kunnen verdragen. Onder verzengende zonnestralen werden zij door de bergen veroverd, zonder eenige bedekking, karig voedsel, bijna geen water en in het vooruitzicht van den dood of van een schrikkelijk lot.

De Armeniërs in het district Mersiwan waren hopeloos; algemeen gold de meening dat hetgeen geschiedde erger was dan een bloedbad. Niemand wist wat er zou gaan gebeuren, maar ieder voelde dat het einde nabij was. Zelfs de priesters wisten geen woorden tot opbeuring en troost te vinden; er werd getwijfeld aan het bestaan Gods. Velen verloren hun verstand. Maar er waren onder de Armeniërs ook die zich hebben gedragen als geloofshelden, rustig en

pagina 92

moedig aanvaardden zij de reis, met als afscheidswoord: “Bidt voor ons; hier beneden zullen wij elkaar niet weerzien, maar daarboven”.”

Tot zoover hetgeen de Amerikaansche Missionnaris heeft medegedeeld.

In Amasia werden, na de deportatie van de Armeniërs, de Grieksch, en Armenische kerken door de Turken in brand gestoken. In Gemerek (tusschen Kaisarieh en Siwas) werden alle Armeniërs gedeporteerd, maar zij bereikten Siwas niet. De mannen en knapen werden gedood, de vrouwen en kinderen onder de Turksche ambtenaren verdeeld.

Eén episode uit de wegvoering der Gemereksche bevolking, medegedeeld door de Duitsche verpleegsters, verdient nog te worden vermeld.

Toen de mannen waren weggevoerd kregen de meer bejaarde vrouwen verlof te gaan waar heen zij wilden, maar dertig der aardigste jongeren vrouwen en meisjes werden bijeengedreven en men zeide tot hen: “Of 't een of 't ander: of gij wordt Moslim of gij zult sterven”.

“Dan sterven wij,” luidde het onversaagde antwoord. Dit voorval werd geseind aan den Wali van Siwas, die daarop order gaf deze dappere Christinnen, voor het meerendeel opgevoed in het Amerikaansche zendingshuis, onder de Moslims te verdeelen. Hetgeen de verpleegsters hebben medegedeeld sluit met deze woorden: “Van de Russische grenzen tot westelijk van Siwas is het land door de Turken van Armeniërs gezuiverd. Het is een treurige waarheid dat Turkije door de uitmoording der Armenische bevol-

pagina 93

king, zichzelf van de beste strijdkrachten heeft beroofd. De Turken achten zich nu geruïneerd en zij verlangen naar den dag waarop een vreemde macht de teugels van het bewind in handen zal nemen en gerechtigheid zal betrachten. De volbrachte wandaden worden in het algemeen door de Turken in geen enkel opzicht verdedigd, alleen door de z.g.n. intellectueele Turken”.

Het eenige district in het Wilajet Siwas, waar het tot een krachtdadig verzet der Armenische bevolking kwam, was Schabin-Karahissar. Deze stad ligt noordelijk van den weg Erzingjan-Siwas, aan de glooiing van den Pontischen bergketen, die een scheiding maakt tusschen de Wilajets Trapezunt en Siwas. De bewoners van Schabin Karahissar staan bekend als een dapper volk. De dorpen in de omgeving van deze stad waren in het midden van April ontwapend. Het dorpje Purk ten zuidwesten van Karahissar was reeds eerder verwoest en de bevolking uitgeroeid. In de eerste helft van Juni begon de regeering de bevolking ook in de stad Karahissar gevangen te nemen. Geruchten omtrent de slachtingen, die in het Kemachdal hadden plaats gegrepen, zoomede het vreeselijk lot der weggevoerd en, waren voor de bevolking van Schabin-Karahissar voldoende reden om zich tegen het drijven der regeering te verzetten. Het leidde tot een demonstratie toen de leden der Daschnakzagan, die reeds gevangen zaten, met den strop werden gedreigd, zelfs kwam het tot een openlijk protest. Onmiddellijk requireerde de regeering een aantal Turksche militairen, die de

pagina 94

stad bezetten. Eenige honderden Armeniërs namen de vlucht naar een nabijgelegen oud kasteel dat nog uit den Byzantijnsch tijd was overgebleven De Turken bombardeerden dit, totdat op 3 Juli het slot door de kanonnen met den grond was gelijkgemaakt. De bezetting werd gedood, slechts enkele hunner ontkwamen in het gebergte. Daarna werden alle mannen van 18 tot 55 jaar opgevorderd, naar het heette om als militair te worden ingelijfd en de vrouwen en kinderen, op dezelfde wijze als elders was geschied, weggevoerd. Ook in de omgeving der stad werden alle door Christenenbewoonde dorpen, alsmede een tiental Grieksche plaatsen, in de asch gelegd en de bevolking deels omgebracht, deels weggevoerd.

ZILEH

Uit Zileh (ten zuiden van Amasia) wordt het volgende voorval vermeld:

Een Armenisch soldaat, die aan het front door een kogel was getroffen en naar zijn huis terugkeerde, was er getuige van hoe de Bisschop van Siwas eer men hem in de verbanning zond, met hoefijzers werd beslagen gelijk een paard. De Wali had deze marteling goedgekeurd met de wreede satyre: “een Bisschop kan men onmogelijk barrevoets den weg opzenden!” 1)

1) Dit voorval achtten de Turken van voldoende belang om het precies omgekeerd te verhalen: deze kwelling zou door Armeniërs den Turkschen Kaimakam zijn aangedaan. De cynische grap van den Wali is voldoende bewijs om bovenstaande lezing als de juiste te aanvaarden.

pagina 95

Toen de Armenische soldaat in zijn woonplaats arriveerde, waren de Turksche troepen juist bezig de bevolking te deporteeren. De mannen werden bij groepen tezamen gebonden, naar de bergen gevoerd en daar gedood; de vrouwen en kinderen liet men zonder voedsel of deksel het land injagen, totdat zij, naar men meende, genoeg hadden geleden en wel tot den Islam zouden overgaan. Toen zij eendrachtelijk weigerden, doorstak men de moeders met de bajonet voor de oogen hunner kinderen en deze laatsten werden verkocht.

Ook in deze stad, met een Armenische bevolking van 5.000 zielen, werd een waar bloedbad aangericht. Den soldaat en zijn broeder gelukten hef weer naar het front terug te keeren, nadat zij zich als Mohamedaan hadden laten inschrijven.

DE STAD SIWAS

In Siwas werden 8 of 10 aanzienlijke Armeniërs opgehangen; de overige aanzienlijken werden naar Iosgad gevoerd, terwijl de massa-deportatie gestadig voortging. Toen de Amerikaansche Missionnaris Partridge Siwas verliet, was reeds twee-derde der bevolking weggevoerd en meer dan 500 huizen door de Turken verzegeld. Ieder gezin kreeg ook hier een ossenwagen te zijner beschikking.

De Armenische doktoren, die reeds sinds zeven maanden in de hospitalen lijders aan thyphus hadden behandeld, werden in de gevangenis geworpen. Een bijzonder voorval wordt nog van Amerikaansche zijde

pagina 96

medegedeeld: Een in het Missiehuis bekende Armenische vrouw, wier man vele maanden in het Amerikaansche hospitaal als verpleger gediend had, werd aangetast door de typhus en in het hospitaal opgenomen. Zijn 70-jarige moeder verliet het ziekbed om te gaan zorgen voor zijn vrouw en zijn zeven kinderen, waarvan de oudste 12 jaar was. Eenige dagen vóór de deportatie werd de man der zieke vrouw gevangen genomen en zonder eenige oorzaak verbannen. Toen het vierde deel der bevolking werd weggevoerd, moest ook de typhus-lijderes opstaan, zij werd met haar kinderen op een ossenwagen gezet en zoo eveneens weggedreven.

Toen de twee Roodekruiszusters op 28 Juni in Siwas was kwamen, was de geheele Armenische bevolking weggedreven en, zooals zij toen vernamen, gedood.

4. WILAJET KHARPUT.

Het Wilajet Kharput telde onder zijn bevolking van 575.300 zielen 174.000 Christenen, nl. 168.000 Armeniërs, 5.000 Syriërs en 1.000 Grieken. De Mohamedaansche bevolking bestond uit 180.000 Kisilbasch, 75.000 Kurden, waarbij 20.000 Normaden en 126.300 Turken.

Einde Juni en begin Juli, in denzelfden tijd dus waarop de wilajets Trapezunt, Erzeroem en Siwas werden leeggehaald, vond ook de deportatie van de Armenische bevolking in Kharput plaats. In de officiëele Turksche communiqués wordt herhaaldelijk beweerd dat alleen uit de bedreigde grensplaatsen de Armeniërs werden weggevoerd. Het wilajet Khar-

pagina 97

put ligt, volkomen afgescheiden van ieder oorlogsfront, midden in het land, door een geweldig bergketen omgeven, die de binnenlanden van Klein-Azië bijna ontoegankelijk maakt. Geen Rus of Engelschman zou er aan denken hier te komen.

Onder de wijze waarop de deportatie van de Armerikaansche bevolking uit Kharput is geschied, heeft de Armenische consul van Kharput, Lesly A. Davis, het volgende medegedeeld, hetgeen ook uit Duitsche bron is bevestigd:

Mededeeling van het Amerikaansche Consulaat.

KHARPUT, 11 Juli '15

“Het eerste transport geschiedde in den nacht van 23 Juni; daaronder bevonden zich o.a. eenige hoogleeraren van het Amerikaansche college en enkele aanzienlijke Armeniërs benevens de prelaat der Armenisch-Gregoriaansche kerk. Er gingen geruchten dat zij allen zijn vermoord en nadere berichten dienaangaande heffen allen twijfel op. De Armenische soldaten werden even zoo weggevoerd. Nadat zij in hechtenis genomen waren, werden zij in een gebouw aan het uiteinde der stad opgesloten. Van een onderscheid tusschen hen die wel en hen die niet door afkooping vrijstelling van dienst hadden bekomen, was geen sprake. Het geld werd aangenomen en daarna volgde arrestatie en wegvoering, naar het heette om te arbeiden aan de wegen. Maar niemand heeft ooit weer iets van hen vernomen

pagina 98

en de te verrichten arbeid is ongetwijfeld een voorwendsel geweest.

Betrouwbare berichten omtrent eenzelfde gebeurtenis laten onmiskenbaar doorschemeren dat ook het lot van de z.g.n. wegarbeiders is beslist. Op Maandag 5 Juni werd een groot aantal mannen gearresteerd en zoowel in het Kharput als in Mesereh 1) in de gevangenis geworpen. Den volgenden morgen, toen de dag begon aan te breken, werden zij uit den kerker gehaald en moesten gaan marcheeren in de richting van een onbewoond gebergte. In totaal werden dien morgen 800 mannen weggedreven, in groepen van 14 man aan elkaar gebonden. Op denzelfden dag bereikten zij een klein dorpje, waar zij in de Moskee en in andere gebouwen den nacht doorbrachten. Al dien tijd werden zij zonder eten en drinken gelaten; van geld en kleedingstukken waren zij beroofd. Des Woensdagsmorgens vroeg bracht men hen naar een dal, niet ver van het dorpje verwijderd. Daar werden zij naast elkaar gezet en allen door de gendarmen met geweerkogels gedood, en wanneer er een nog een teeken van leven gaf volgde afmaking met messen en bajonetten. Aan eenige mannen was het gelukt het touw waarmede zij aan hun lotgenooten verbonden waren, te ontknoopen en te ontvluchten, maar de meesten hunner werden achtervolgd en gedood. Het getal dergenen die

1) Mesereh, een benedenstad van Kharput.

pagina 99

aan dezen gruwelijken moord zijn ontkomen is niet hooger dan twee of drie.

Onder de vermoorden bevond zich de Penningmeester van het Amerikaansche college, verder waren nog verschillende aanzienlijke Armeniërs onder hen. Een aanklacht tegen de moordenaars is nimmer onderzocht. De Armeniërs werden gevangen genomen en gedood, omdat bij de regeering nu eenmaal het voornemen bestond dit volk uit te roeien.

Gisteravond is een groot aantal mannen, behoorende zoowel tot de burgerlijke als tot de militaire krijgsmacht, een andere richting uitgedreven en op gelijke wijze omgebracht. Waarschijnlijk is het geschied op een plek nauwelijks twee uren van hier. Wanneer het wat rustiger geworden is zal ik zelf eens onderzoeken om vast te stellen wat er daar geschied is.

Hetzelfde systeem is ook in onze dorpen doorgevoerd. Enkele weken terug werden 300 mannen uit Itschmeh en Habusi, twee dorpen ongeveer vijf uren van hier, bijeengebracht, naar de bergen vervoerd en daar uitgeroeid. Dit voorval is op verschillende wijzen bevestigd; vele vrouwen uit genoemde dorpen zijn sindsdien hier geweest en hebben het meegedeeld; ook van dergelijke moordpartijen in andere streken loopen geruchten. Het scheen reeds vooraf bepaald te zijn dat alle Armenische mannen moesten worden gedood, want bij het overhandigen van het bevel tot deportatie werd tegelijk bekend gemaakt dat alleen vrouwen en kinderen die geen

pagina 100

mannen in hun gezin hadden, voorloopig konden blijven. Deze waren daarover verblijd want het zwaarste was nu geleden. De Amerikaansche missionnarissen deden al het mogelijke om de vrouwen en kinderen, die zonder eenig middel van bestaan waren achtegebleven, te helpen. Zij beraamden in dit opzicht zelfs plannen voor den bouw van een speciaal weeshuis, vooral voor die kinderen die in Amerika waren geboren en met hun ouders naar deze plaats waren gekomen en voor de kinderen wier ouders op eenigerlei wijze in relatie hadden gestaan met de Amerikaansche Missie. Zeer zeker was dit plan volvoerd, en zelfs zouden de kinderen uit andere Wilajets, die hier doortrokken, mede zijn opgenomen, wanneer er voor zulk een stichting, die uit den aard der zaak omvangrijk zou zijn, voldoende middelen waren gevonden.

Ik sprak er eens met den Wali over en kreeg een botte afwijzing. Hij zeide: “Wij zullen deze menschen ondersteunen wanneer wij dat willen, trouwens weeshuizen oprichten voor de kinderen is de taak der regeering en wij kunnen dergelijk werk niet in handen nemen.”

Een uur na mijn bezoek aan de Wali werd bekend gemaakt dat alle hier achtergebleven Armeniërs, ook de vrouwen en kinderen, op 13 Juli moesten optrekken”...

De consul besloot zijn mededeeling met de opmerking, dat “eenige ondersteuning in Kharput overbodig zou zijn, daar alle overgebleven mannen gedood

pagina 101

werden en men de overblijvende vrouwen en kinderen heeft gedwongen den Islam aan te nemen.”

Het geld, dat uit Erzeroem en Erzingjap aan het adres van den Amerikaanschen consul in Kharput was gezonden, werd door het postkantoor eenvoudig niet uitbetaald.

Een Amerikaansch missionnaris uit Kharput schrijft nog:

“Hoewel ik thans treur over het verlies van honderden mijner beste vrienden, wil ik toch trachten voor eenige oogenblikken mijn smart meester te zijn om in enkele woorden den grooten nood te beschrijven die hier thans heerscht en dien ik niet kan wenden of keeren. Misschien dat mijn schrijven zal medewerken middelen en wegen te vinden om het kleine Armenische overschot nog te besparen.

Het Amerikaansche college in Kharput heeft de volgende verliezen te betreuren:

Van onze gebouwen zijn er zeven door de regeering opgeëischt; een van deze is thans door de gandermen bewoond, de anderen staan leeg. De verliezen aan goederen, geld of menschenlevens kan ik niet vermelden.

Veel is er geroofd en vernield, wij zullen dus het op deze wijze verlorene goed niet weer terugkrijgen.

Van het “Euphraat-college” (de naam van het Amerikaansche college in Kharput) is het overgroote deel der leerlingen, nl. twee derde

pagina 102

der meisjes en zeven achtste der knapen, weggevoerd. Deels werden zij gedood, deels naar ons onbekende plaatsen gebracht of naar de Turksche harems verdreven. Van de zeven Hoogleeraren der school zijn er vier gedood en drie nog in leven.

Professor M. Tenekedjian, die reeds 35 jaar aan het college werkzaam was, werd 1 Mei gearresteerd en in de gevangenis geworpen, waar hem baard en haar werd uitgetrokken om hem door middel van deze folteringen, tot valsche getuigenissen te dwingen. Nadat hem dagenlang geen eten was verstrekt, hing men hem aan de handen op en bleef hij dag en nacht zoo hangen. 20 Juni werd hij met een transport naar Diarbekir vervoerd en onderweg gedood.

Professor Kh. Nahigian, die 25 jaar aan het college heeft gewerkt, werd op 5 Juni gevangen genomen en gedood.

Professor H. Budjiganian, was 16 jaar aan het college werkzaam. Hij had in Edinburg gestudeerd en doceerde Philosophie en Psychologie. Hij werd eveneens gevangen genomen, en onderging dezelfde pijniging als Prof. Tenekedjian waarbij hem drie nagels van de hand werden gescheurd. Ook hij werd gedood.

Professor Worberian was 20 jaar aan het college werkzaam. In Juli werd hij gevangen genomen. Toen hij in den kerker zag hoe andere gevangenen tot den dood toe werden gepijnigd, werd hij krankzinnig; later is hij met zijn gezin naar Malatia vervoerd en aldaar gedood.

pagina 103

De drie andere hoogleeraren konden het lot van hun collega's slechts ontgaan door een zeer groote som gelds te betalen.

Prof. Sogigian, stond 25 jaar in den dienst van het college. Den 1sten Mei werd hij gevangen genomen. In de gevangenis werd hij ziek en ontging door opneming in het hospitaal de pijniging. Hij betaalde een groote som gelds en bleef sindsdien verschoond.

Prof. Chatschadurian was gedurende 15 jaren als muziekleeraar aan het college werkzaam.

Hij werd begenadigd omdat hij den Stadhouder vele diensten had bewezen.

Prof. Luledjian, 15 jaar hoogleeraar aan het college, had in Cornwall en Yale gestudeerd en doceerde thans Biologie. Hij werd den, 5 den Juni gevangen genomen en gepijnigd, waarbij zelfs de Wali in eigen persoon behulpzaam was. De gefolterde verloor het bewustzijn en zwaar gewond werd hij naar een hospitaal gebracht.

Vier leeraren van de knapenafdeeling werden gedood, van drie andere werd nooit meer iets vernomen, zoodat ook zij wel zullen zijn omgebracht. Nog twee andere onderwijzers liggen in 't hospitaal; een van hen was van de deportatie vrijgekomen omdat hij zijn huis aan den Wali verhuurd had. Een ander gewoon Armeniër kwam vrij doordat hij de meubelmaker van den Wali was.

Een statistiek onzer verliezen toont aan, dat wij zeven achtste deel van onze gebouwen, een vierde van de kinderen en de helft van onze

pagina 104

leeraren moesten inboeten. Drie vierde deel der Kharputsche bevolking, waaronder kooplieden, onderwijzers, predikanten, priesters, regeeringsbeambten, enz., zijn vervoerd. De overgebleven hebben weinig kans dat zij mogen blijven, daar de Wali er op staat, dat alle Armeniërs zullen worden weggevoerd. Enkele hebben groote sommen voor hun bevrijding betaald.

Er worden pogingen in 't werk gesteld het resteerend deel der bevolking te sparen.

De Duitsche gezant in Konstantinopel heeft voor het Armenische personeel van het Duitsche weeshuis in Mesereh, voor de weeskinderen en voor de gezinnen van leeraren en andere dienstpersoneel weten te bewerkstelligen, dat zij mogen blijven. Wanneer ook van Amerikaansche zijde dergelijke pogingen niet worden ondernomen, zullen wij ongetwijfeld de leerlingen onzer school voor onze oogen zien wegvoeren naar de harems van Turkije.”

Het getal van de in de Wilajets Trapezunt, Erzeroem, Siwas en Kharput, deels vermoorde, deels weggevoerde Armeniërs wordt in de mededeeling van dezen Amerikaansehen consul geschat op 600.000.

MALATIA

In Malatia waren ongeveer 10 à 12.000 Armeniërs. Een Duitscher, die even voor den aanvang der deportatie Malatia verliet, meldt over de maatregelen, die aan de wegvoering vooraf gingen, het volgende:

“De Mutessarif Nabi Bey, een uiterst vriendelijk en

pagina 105

welwillend man, werd in Mei door de regeering afgezet, omdat hij naar wij vermoedden de maatregelen tegen de Armeniërs niet met zijne volle sympathie had uitgevoerd.

Zijn tijdelijke plaatsvervanger, de Kaimakam van Arrha, was hier de rechte man op de rechte plaats! Aan zijn vijandschap tegen de Armeniërs viel niet te twijfelen en zijn handelingen zonder eenig begrip van recht waren alom bekend. Hij is dan ook de verantwoordelijke man voor de willekeurige zware straffen en de onmenschelijke toepassing der bastonnades, en de dood van zeer vele Armeniërs komt voor zijn rekening. De eigenlijke opvolger, Reschid Pasja, die einde Juni uit Konstantinopel kwam, een Kurd met een eerlijk geweten, stelde van af den eersten dag zijner komst alles in het werk om het lot der Armeniërs te verzachten, de wandaden van soldaten en saptiehs tegen te gaan en op humane wijze de uiterste moeilijke kwestie van wegvoering op te lossen, dikwijls met gevaar voor eigen leven en positie.

Niettegenstaande zijn streng optreden stond hij bij het grootste deel der Armenische bevolking bekend als een rechtschapen man met een goed hart. Helaas was hetgeen die man vermocht te doen, veel te weinig. Een doortastende doorvoering van de rechtsidee was hem niet mogelijk, daar de beweging, die tegen de Armeniërs gaande was hem te groot bleek; de tegenpartij was te machtig en de uitvoerende macht te gering om daadwerkelijk zijn poging te steunen. Hij moest het tegen de macht der tegenpartij opgeven; zijn gezondheid veranderde in een

pagina 106

zware ziekte, maar nog tijdens die ziekte stelde hij alles in het werk om het lot der weggevoerd en zoo dragelijk mogelijk te maken.

De deportatie der Armeniërs uit Malatia had hij van week tot week uitgesteld, eenerzijds in de verwachting, dat het hem zou gelukken een tegenorder te bewerkstelligen, waaraan hij met kracht had gearbeid, maar anderzijds ook om het transport der bannelingen zoo goed mogelijk te doen zijn en hen een goede verzorging te waarborgen. Door den druk der tegenpartij in de stad had hij eindelijk aan de vele waarschuwingen der regeering moeten toegeven. Voor de wegvoering der bevolking, die in Augustus een aanvang nam, werd ook daar een bloedbad aangericht.”

5. WILAJET DIARBEKIR

Het wilajet Diarbekir ligt, geheel afgescheiden van het oorlogstooneel, tusschen Alexandrette en de Turksch-Perzische grens, in het Taurus-gebergte. De zuidelijke grens reikt tot de vlakte van Mesopotamië. Het wilajet wordt door de Tigris doorkruist, aan welke rivier ook de hoofdstad Diarbekir is gelegen. De totaal-bevolking van 471.500 bewoners bestaat uit 166.000 Christenen, ruim 105.000 Armeniërs en 60.000 Syriërs en 1.000 Grieken. De overige bevolking bestaat uit 63.000 Turken, 200.000 Kurden, 27.000 Kisilbasch (Schi-iten) en 10.000 Tscherkessen, daarbij komen dan nog 4.000 Jesidis (z.g.n. duivelaanbidders) en 1.500 Joden. De Christelijke bevolking omvatte dus ⅓, de Mohammedaansche bevolking ⅔ van de inwoners van het wilajet.

pagina 107

In het voorjaar van 1915 werd in Diarbekir, op initiatief van den Wali, een commissie benoemd “tot bestudeering van Armenische vraagstukken”. Voorzitter dezer commissie was Bedri Bey. 1)

Behalve deze behoorde tot de commissie één afgevaardigde der Turksche Kamer en nog enkele Turksche voormannen.

Zij vingen hun werkzaamheden aan met de vervolging van de aanhangers der Daschnakzagan. Hun eerste slachtoffers waren de vootzitter der vereeniging en 26 Armenische notabelen, waaronder ook de priester Alpiar. Men nam hen gevangen, mishandelde hen in de gevangenis en liet hen dan door Osman Bey en den Mudir der politie Hussein Bey vermoorden. De jonge vrouw van den priester werd door 10 Saptieh's verkracht en tot den dood toe gemarteld. Dertig dagen achtereen liet men een groot aantal Armeniërs gevangen nemen die dan des nachts werden omgebracht. Twee Armenische doktoren werden gedwongen een verklaring te onderteekenen, dat typhus de doodsoorzaak was van alle Armeniërs die waren gedood. Dr. Wahan werd met nog 10 notabelen, onder het voorwendsel van naar Malatie te worden vervoerd, in de gevangenis geworpen. Op weg daarheen werden zij allen omgebracht. Om bij het voorgenomen bloedbad mede te werken, werd een berucht Kurdisch roover, Omar Bey uit Djezire onder vrijgeleide naar Diarbekir gehaald.

Tusschen 10 en 30 Mei werden voorts 1.200 aan-

1) Hetgeen hier volgt is ontleend aan Duitsche berichten.

pagina 108

zienlijke Armeniërs en Syriërs van het wilajet gevangen gezet. Op den 30sten Mei werden 674 van deze gevangenen op 13 “Keleks” (vlotten die op lederen met lucht gevulde zakken dreven) geladen om, zooals het heette, te worden overgebracht naar Mosul. Het transport geschiedde onder bevel van den adjudant van den Wali en 50 gendarmen. De helft van hen werd verdeeld op de vlotten en de andere helft bleef langs den oever loopen. Kort na het vertrek ontnam men den Armeniërs al hun geld (totaal ongeveer 6.000 Turksche ponden = 66.000 gulden) benevens alle kleedingstukken. Dan werden zij in de rivier geworpen. De gendarmen aan den oever hadden order gekregen om iederen Armeniër die zich door zwemmen zou trachten te redden, te dooden. De kleedingstukken van de vermoorde massa werden in Diarbekir op de markt verkocht. Bij deze moordpartij hielp de roover Omar Bey dapper mede.

Tegelijkertijd waren 700 Armenische jonge mannen van 16-20 jaar opgeroepen en aangewezen om op den weg Karabahtsche-Habaschi, tusschen Diarbekir en Urfa, te arbeiden. Tijdens dit werk werden deze arbeiders-soldaten door de hen bewakende saptiehs doodgeschoten. De bevelvoerende onderofficier van deze bende beroemde zich op het feit dat hij met behulp van slechts 5 Saptieth's, kans gezien had 700 weerlooze Armeniërs neer te leggen.

In Diarbekir liet men vijf priesters, die men geheel had ontkleed en met teer waren bestreken, door de straten voeren.

De Kaimakam van Lidscheh had een door een

pagina 109

bode van den Wali mondeling overgebracht bevel, om alle Armeniërs in zijn district te dooden, geweigerd uit te voeren; hij zond den man terug met de bemerking dat hij dit bevel schriftelijk wilde ontvangen. Hij werd afgezet, naar Diarbekir gevoerd en onderweg door begeleiders omgebracht.

Ook in Mardin werd de Mutessarif afgezet, daar hij niet op het bevel van den Wali de Armeniërs wilde dooden.

Na zijn afzetting werden eerst 500 en later nog eens 300 Armenische en Syrische notabelen naar Diarbekir gebracht. De eerste 500 zijn nooit daar aangekomen en van de tweede 300 man is evenmin iets meer gehoord.

6. WILAJET WAN

Het wilajet Wan telde onder 542.000 inwoners 290.200 Christenen, n.l. 192.200 Armeniërs en 98.000 Syriërs. Daarbij komen 5.000 Joden. De meerderheid van de 247.000 Mohammedanen bestaat uit 210.000 Kurden, 30.500 Turken en 500 Tscherkessen. De z.g.n. Duivelaanbidders tellen hier 5.400; de Zigeuners 600.

In dit wilajet stonden de zaken tot begin April niet anders dan in de overige provinciën, met dit verschil, dat de plunderingen en de uitroeiing der bevolking hier sneller een grooteren omvang aannamen.

Gedurende de mobilisatie van het Turksche leger, aan het begin van den Europeeschen oorlog, waren de Hamidiehtroepen, afgelost na de invoering der constitutie, opnieuw bewapend geworden. Beruchte

pagina 110

Kurdische roovers werden met hun benden bij het leger ingelijfd. Daar de geordende Turksche troepen tegenover deze benden verre in de minderheid waren, maakten de Hamidieh's en de Tschettehs van de gelegenheid gebruik weerlooze Armeniërs te overvallen, te plunderen en te vermoorden.

ARTWIN EN ARDANUSCH

Bij den opmarsch der Turken tegen Batum en Olti werden de Armenische dorpen van het door de Turken bezette Russische gebied uitgeroeid. Zoo werden in het gebied van Ardanusch en Olti de dorpen Berdus en Joruk geplunderd, 1276 Armeniërs verslagen en 250 vrouwen en meisjes geroofd. 24 vrouwen vergiftigden zich om niet te worden overweldigd. De overige 500 vrouwen en meisjes werden door de Russische troepen bevrijd.

In het gebied van Tschoroch dat bij Batum in de Zwarte Zee uitmondt, gingen de Adjaren (Mohammedaansche Grusiniers) tot de Turken over en namen deel aan het bloedbad dat de Turksche benden in de Armenische dorpen aanrichtten. Het aantal Kaukasus-Armeniërs dat in deze streek door de Turken werd vernietigd, wordt op 7.000 geschat. In het dorp Oktrobakert werden de bewoners gedwongen hunne dochters aan de Turksche harems af te staan. Weigerden zij dan volgde de dood.

Het wilajet Erzeroem strekt zich uit ten zuiden van den Russischen grens, onderlangs den Aghri-Dagh-keten tot aan den Ararat. Deze streek van Erzeroem ligt tusschen de noordelijke grenzen van Wan

pagina 111

en de zuidelijke grenzen van het Kaukasus-gebied. Hier ligt tevens het hartvormige brongebied van de oostelijke Euphraat. Dit gebied heet Alaschkert.

ALASCHKERT, DIADIN, ABAGHA.

Het gebied Alaschkert en Diadin is tot Bajasid met een groot aantal Armenische dorpen bezet. In de 32 plaatsen wonen 2964 Armenische gezinnen met rond 40.000 zielen.

Reeds in vroeger jaren werd deze streek door ongeregelde Turksche troepen geheel verwoest. Behalve een twee tal kleine plaatsen met tezamen 35 à 40 gezinnen zijn deze Alaschkert-dorpen geheel leeggeplunderd. Ook in Bajesid, Karakilisse en achttien andere dorpen vond de uitroeiing plaats. In het stadje Alaschkert konden van de 300 Armenische gezinnen met ongeveer 4.000 personen, zich slechts 30 gezinnen redden. Van de overige 270 gezinnen werden alle mannelijke leden gedood, en de meisjes ontvoerd. Een gelijk lot onderging het dorpje Mollah Suleiman, waar van de 150 gezinnen de mannen werden gedood en de vrouwen en kinderen weggesleept. Eveneens in het dorp Setkan werden van 70 gezinnen de mannen gedood en de vrouwen geroofd. Een gelijk aantal verloor het dorp Amert. In het dorp Chotschan werden 35, in Schudgan 25 gezinnen door een dergelijk lot getroffen. Alleen uit de dorpen Molla-Suleiman en Setkan werden 500 vrouwen en meisjes geroofd door de Hamidieh-Kurden. Deze vrouwen en meisjes moeten allen gedwongen worden tot den Islam over te gaan.

De Abagha-vlakte sluit zich enkel gescheiden door

pagina 112

de Owatjih bergketen, bij het Diadin-gebied aan. Deze vlakte strekt zich uit vanaf den Perzischen grens langs den noord-oostelijken oever van het meer van Wan.

Ook hier werden in verschillende dorpen de Armenische (en voor een deel ook Syrische) Christenen door de ongeregelde Turksche troepen verslagen. Men schat het aantal daar gedoode Armeniërs op 2060, dat Syriërs op 300.

In de vlakte van Alaschkert waren het drie opperhoofden der Hamidieh-Kurden die, met behulp van de Mohammedaansche bevolking, de plunderingen en uitmoordingen voorbereidden. De dorpen in Abagha werden op last van den Kaimakam van Seraj verwoest. De gendarmen uit Temran plunderden de dorpen Alur, Cholenz en Achmek; de gendarmen uit Paghes en het bataljon van Tscherkess-Agha, verwoestten Gardjdan, Pegahu, Nanegans, Entsak en Eschekitz. De gendarme Omar-Agha, overviel het dorp Mechkert in de nabijheid van Wan en doodde 20 vrouwen en meisjes. De dorpen van Melaskert, ten noorden van het meer van Wan werden geplunderd door de benden van het Ptschare Ptschato, bestaande uit 600 bandieten.

Het gevolg van deze plunderingen en moorden was een massa-vlucht van de Christenen over de Russische grenzen. Reeds in 1916 waren in het Araxesdal niet minder dan 60.000 vluchtelingen, meest vrouwen en kinderen. Over Igdir, ten noordwesten van den Arrarat kwamen 30.000, door Kars ongeveer 5.000, over Ardahan-Ardanusch 7.000 en over Djulfa (aan de Perzische grens) 20.000 vluchtelingen het Araxesgebied binnenstroomen.

pagina 113

Hetzelfde geschiedde in de Perzische grensgebieden van het Wilajet Wan, waarop wij straks terugkomen.

Toen de Russen in April weder tot het offensief overgingen, keerde ongeveer een vierde deel der vluchtelingen uit den Kaukasus in de dorpen terug. Bij het opdringen der Russische legermachten vreesden de Mohammedaansche bewoners gestraft te zullen worden voor de Christenmoorden die zij op hun geweten hadden. Zij verlieten daarom met hun gezinnen (± 2.000) de Alaschkert-dorpen en werden door de Turksche regeering in de omgeving van Malaskert en Bulanek in Armenische dorpen ondergebracht. Geregelde Turksche troepen ontbraken in dit gebied geheel, het waren slechts Kurden en Tschetteh' s waarover de regeering te beschikken had.

De 3.000 gendarmen in het Wilajet werden belast met de plundering der dorpen en de Wali van Wan had order gegeven bij het geringste verzet der Armeniërs de allerstrengste maatregelen te nemen. De Kaimakam van Gawascht provoceerde dan ook een botsing die tot een bloedbad leidde. De Daschnakzagan verlangden van den Wali dat de Kaimakam voor den krijgsraad zou worden gebracht. De Wali beloofde een onderzoek te zullen instellen.

De weerlooze bewoners der Armenische dorpen moesten intusschen zich dat alles laten welgevallen. De voormannen der Daschnakzagan wisten echter hier en daar, door bemiddeling van de bevoegde macht, verder onheil te voorkomen en de bevolking gerust te stellen. De gedeputeerden van Wan en Wramjan hadden reeds in Januari 1915 een rapport opgesteld en gezonden aan den Wali van Wan

pagina 114

Djevded Bey en aan Tahsin Bey, den Wali van Erzeroem, in welk rapport de onhoudbare toestand werd blootgelegd.

CHALIL BEY IN NOORD-PERZIE

Intusschen was het leger van Chalil Bey in Noord Perzië het gebied van Urmia en Dilman binnen gerukt. Bij de 20.000 man sterke geregelde troepen hadden zich nog 10.000 Kurden aangesloten. Ook Djevded Bey (Wali van Wan) deed aan deze operaties mede. Djevded Bey is de zwager van den Turkschen Minister van Oorlog Enver Pasja; Chalilo Bey, de commandant van het korps dat in Perzië binnenviel, een neef van Enver Pasja. De Turksche en Kurdische troepen verwoestten op Perzisch gebied alle Christen-dorpen. De Syrische bevolking van het Urmia-gebied en de Armenische bevolking van de Salmas-vlakte werd, voorzoover zij niet op Russisch grondgebied konden vluchten of in, het Amerikaansche missiehuis onderdak vond, door de Kurden zonder eenig mededoogen neergesabeld.

DJEVDED BEY IN WAN

Toen de Wali van Wan, Djevded Bey in het midden van Februari uit Salmas terugkeerde, begroette hij op de meest vriendschappelijke wijze de Armenische voormannen; hij deed de stellige belofte plundering der dorpen te zullen tegengaan en, waar dit reeds geschied mocht zijn, de geplunderd en schadeloos te zullen stellen. Hij verzocht echter nog eenige weken geduld te willen oefenen, totdat de Persische

pagina 115

Expeditie zou zijn afgeloopen. Eenigen tijd later hoorde men dat hij in een bijeenkomst van Turksche notabelen zich als volgt uitliet: “Wij hebben met de Armeniërs en Syriërs van Aserbeidschan (Noord-Oost-Perzië) reeds afgerekend, dit moet nu ook geschieden met de Armeniërs van Wan.”

Aan het hoofd van de Daschakzagan stonden destijds drie bekende Armeniërs, Wramian, gedeputeerde van Wan, Ischchan en Aram.

De Wali liet zich in de komende weken op de meest vriendschappelijken toon met hen in en verzocht hen mede te willen werken de orde in het Witajet te handhaven. Er werden commissies opgericht, die naar de dorpen werden gezonden om de plunderingen der Kurden en de wandaden der gendarmen tegen te gaan en moeilijkheden uit den weg te ruimen. Intusschen had de Wali naar Erzeroem gezonden om versterking van het garnizoen en rekende hij tevens reeds bij voorbaat op hulp van de Turksche troepen, die in Perzië waren binnengevallen, wanneer hij zijn gruwzaam voornemen tegen de niets kwaads beduchte Armeniërs zou ten uitvoer brengen, waarbij, naar hij meende, wel tegenstand zou worden geboden. Reeds spoedig veranderde dan ook zijn vriendelijke houding tegenover de Armeniërs en toonde hij zich in zijn ware gedaante.

In Schatak, voor een groot deel bewoond door Grieken en Armeniërs, voor een minder groot deel door Kurdenen, welk stadje gelegen is aan de oost-zijde van de Tigris (50 K.M. ten zuiden van Wan) werd den 14den April de Armeniër Howsep, een der Daschakzagan, door de gendarmen gevangen ge-

pagina 116

nomen. Zijn vrienden wilden hem ontzetten, waarbij het tot een bloedig gevecht kwam. Toen de Wali dit hoorde, ontbood hij de drie, partijleiders der Daschnakzagan bij zich en verzocht hij hen met het hoofd der politie van Wan naar Schatak te gaan, om den strijd te bezweren.

Het Comité besloot dat lschchan met nog drie Armeniërs, Wahan, Kotot en Miran naar Schatah zouden vertrekken.

Het hoofd der politie zou hen vergezellen met eenige Saptiehs. Op weg naar Schatak overnachtten zij in het dorp Hirtsch. Toen de vier Armeniërs waren ingeslapen werden zij, op last van den Mudir, door de Saptieh's vermoord. In den vroegen morgen van den volgenden dag, nog voordat de Armeniërs van Wan iets wisten van den sluipmoord, liet Djevded Bey de andere twee Daschnakzagan, Wramian en Aram bij zich ontbieden. Toevallig was deze laatste niet thuis. Zonder eenig kwaad te vermoeden ging Wramjan naar den Wali en nauwlijks had hij den Konak betreden of hij werd gegrepen en gevangen genomen. Geboeid werd hij naar Bitlis vervoerd. Van daaruit werd Wramjan, die als gedeputeerde van Wan in hoog aanzien stond, naar Diarbekir getransporteerd en onderweg vermoord.

Nog den zelf den morgen bereidde de Wali zich voor op een aanslag op de wijken, waarin de Armeniërs woonden en liet zelfs kanonnen daartoe in stelling brengen. De Wali had de beschikking over 10 à 15 kanonnen van een oude constructie en twee nieuwe machinegeweren, die kort tevoren uit Erzeroem waren gekomen. Op denzelfden dag namen in

pagina 117

Ardjesch en de dorpen in het Hayoz Dzor gebied de massa-moorden een aanvang. De Armeniërs der stad verwachtten niets anders dan dat dit bloedbad zich ook over de stad hunner inwoning zou uitstrekken. De toestand werd voor hen dan ook buitengewoon hachelijk toen 6.000 à 7.000 man cavallerie, door den Wali uit Erzeroem ontboden, hun intrede deed in de stad.

Wij laten nu volgen de mededeelingen van de Amerikaansche missionnarissen, die de verdere gebeurtenissen hebben medegemaakt. Deze mededeelingen van Amerikaansche zijde worden bevestigd door Dr. Spörri, den leider van het Duitsche weeshuis, die na de verwoesting van Wan een der laatsten was die de stad hebben verlaten.

HET BELEG VAN WAN

“Wan is een stad van tuinen en wijnbergen, gelegen in het midden van een laagvlakte aan het meer van Wan en omgeven door hooge, statige bergen. Het gedeelte der stad, dat door muren is ingebouwd, bevat behalve een bazar verschillende openbare gebouwen; de stad wordt beschaduwd door het Rotskasteel, een geweldig rotsblok dat steil uit de vlakte oprijst, door zware muren en oude vestingwerken omgeven en op welke rotsmassa aan de zeezijde zich de zoo beroemde opschriften in keil inscriptie's bevinden. De voorstad Aigestan, de tuinstad genaamd (omdat ieder huis zijn eigen tuin of zelfs een wijnberg bezit), strekt zich vier Engelsche mijlen uit ten oosten van den ommuurden stad en is twee Engelsche mijlen breed.

pagina 118

Het grondbezit der Amerikaansche missie ligt aan den zuidoostelijken rand van een grooten wijngaard, op een kleine hoogte, waardoor de verschillende gebouwen eenigszins zich verheffen boven de omgeving. Deze gebouwen bestaan uit een kerk, twee nieuwe groote scholen, twee kleinere scholen, een inrichting voor het geven van onderwijs in kantbewerking, een hospitaal, een kliniek en vier zendingshuizen. Naar het zuidoosten strekt zich de groote laagvlakte uit.

Onmiddellijk grenzend aan een der Amerikaansche Zendingshuizen lag de grootste kazerne van het groote Turksche garnizoen. Noordelijk hiervan, eenige straten verder, lag een tweede kazerne, en in het noorden van de stad een derde, om haren vorm door de Armeniërs “peperbus” gedoopt. Vijf minuten ten oosten van het Amerikaansche instituut lag het Duitsche weeshuis, beheerd door Dr. Spörri en zijn vrouw en dochter, Zwitschers van geboorte, en drie, ongehuwde dames.

De Amerikaansche missie bestond destijds uit de oude mevrouw Raynolds (Dr. Raynolds was in Amerika), Dr. Usher, chef-dokter van het hospitaal, mevrouw Usher, leidster van de kantindustrie, de heer en mevrouw Yarrows, leiders van de knapenschool, Miss Rogers, leerares aan de meisjesschool, Miss Silliman, hoofd van het bewaarschool, Miss Usher, leerares in de muziek, Miss Bond, hoofdverpleegster in het hospitaal, en de missionnaire Mc. Claren. Ook Miss Knapp uit Bitlis was daar tijdelijk aanwezig.

De stad Wan had 50.000 inwoners, waarvan drie-vijfden Armeniërs en twee-vijfden Turken waren. Ik zeg: “waren”, want de verhoudingen hebben zich sindsdien geheel gewijzigd.

pagina 119

De voormannen der Armeniërs waren Wrarnjan, Ischchan en Aram, leiders der Daschnakzagan.

Tijdens de mobilisatie en ook gedurende de herfst en den winter waren de Armeniërs onder het voorwendsel van requisitie geplunderd. Rijke Armeniërs werden geruïneerd en van alles beroofd. De Armenische soldaten in het Turksche leger werden verwaarloosd en tot elken minderwaardigen arbeid gedwongen, en, wat erger was, van hun wapens beroofd, zoodat zij aan de genade der Mohammedaansche soldaten waren overgeleverd. Geen wonder dat zij, die eenigszins in de gelegenheid waren zich vrij te koopen, dit zoo spoedig mogelijk deden; anderen wisten door desertie den dienst te ontkomen. Een voorgevoel maakte zich van ons meester dat het tot een treffen zou komen. Maar de Daschnakzagan legden een bewonderenswaardig zelfbedwang aan den dag en wisten de heethoofdigen onder hen te beheerschen; zij patrouilleerden in de straten om onlusten te voorkomen en gaven den dorpsbewoners in overweging zwijgend hun lot te dragen, opdat ook niet hun dorp, gelijk anderen, zou worden in de asch gelegd, of dat door het bieden van tegenstand een bloedbad zou worden uitgelokt.

Niettegenstaande Dr. Usher sinds het begin van den oorlog menig gewond Turksch soldaat had opgenomen en verpleegd, ging de regeering er toe over de geneesmiddelen der Amerikaansche apotheken te requireeren en het hospitaal te sluiten.

Bovendien hadden Miss Mc. Claren en Zuster Martha vanaf December de gewonden uit het Turksche veld-hospitaal, gelegen op anderhalve mijl af-

pagina 120

stand, verpleegd, waar geen verpleegsters waren en de toestanden onbeschrijfelijk waren.

Toen Djevded Bey, de gouverneur-generaal van het Wilajet, in het begin van de lente uit het grenskamp terugkeerde, voelde elkeen dat er iets ernstigs ging gebeuren. En, inderdaad, zoo was het. Hij verlangde 3.000 Armenische soldaten.

Om zooveel mogelijk den vrede te handhaven werd aan dit verlangen voldaan; maar in de omgeving van Schatack braken onlusten uit tusschen Turken en Armeniërs en Djevded Bey verlangde van Ischchan dat hij met drie andere Daschnakzagan naar de plaats des onheils zouden vertrekken om vrede te stichten. Onderweg werden alle vier heimelijk vermoord. Dit geschiedde op Vrijdag den 16en April. Toen ontbood Djevded Wramjan bij zich, zoo het heette om met hem te beraadslagen. Hij liet hem echter in hechtenis nemen en deed hem wegvoeren. De Daschnakzagan bemerkten eerst nu, dat Djevded Bey niet te vertrouwen was, en dat het daardoor onmogelijk was te zorgen voor de 3.000 opgeëischte manschappen. Zij stelden voor 400 man uit te leveren en voor de rest zoo nu en dan een vrijkoopsom te storten. De Wali echter verlangde menschen en geen gelden; indien niet aan zijn verlangen werd voldaan, zou hij de stad verwoesten. Eenige Armeniërs verzochten Dr. Usher en Mr. Yarrow bij Djevded Bey bemiddelend op te treden en hem te verzoeken de Armeniërs te sparen. Zij waren daartoe gaarne bereid, maar de Wali weigerde echter hardnekkig. Men had te gehoorzamen en tegenstand zou hij breken ten koste desnoods van alles. Eerst zou hij

pagina 121

Schataik bestraffen, dan de zaak met Wan tot een goed einde brengen. Wanneer door de Armeniërs ook maar één schot zou worden gelost, zou dit voor hem aanleiding zijn onmiddellijk tot de uitroeiing over te gaan. Voor het Amerikaansche grondbezit wilde hij vijftig man ter bewaking geven 1). Dit aanbod moest worden aanvaard of er moest een schriftelijk bewijs worden gegeven dat deze bewakingstroep was geweigerd; teneinde van alle verantwoording ontheven te zijn. Hij verlangde dadelijk antwoord, maar was toch later bereid te wachten tot Zondag.

Verder verlangde hij dat Miss Claren en Zuster Martha den arbeid voor het veldhospitaal zouden voortzetten. Zij gingen, in de overtuiging dat wij langen tijd niet meer van elkaar zouden hooren.

Toen Dr. Usher des Maandags den Wali weer ontmoette vroeg deze of de dokter de wacht om zijn grondbezit wilde zien betrekken. Dr. Usher liet dit geheel aan den Wali over en wij hebben geen wacht gekregen!

Op Dinsdag 20 April des middags 6 uur trachtten eenige Turksche soldaten een troep vrouwen, die naar de stad waren gekomen, aan te randen. De vrouwen vluchtten. Armenische soldaten kwamen toeloopen en vraagden den Turken wat zij eigenlijk wilden. De Turksche soldaten schoten, als eenig antwoord, de Armeniërs neer. Dr. Spörri was ooggetuige van dit

1) Een gelijk aanbod werd gedaan ten opzichte van het Duitsche weeshuis, welk aanbod door Dr. Spörri werd aangenomen. Een wacht is echter nooit gezien!

pagina 122

voorval, waarmede tevens de vijandelijkheden werden ingeluid. Den geheelen avond hoorde men min of meer aanhoudend geweervuur en van buiten de stad drong het kanongebulder reeds door. Des nachts zag men in iedere richting de vlammen van in brand gestoken huizen hoog oplaaien. Het aantal Armeniërs dat in de voorsteden woonde bedroeg 30.000, terwijl de Armenische bevolking in Wan zelf zeer gering was. Toch zou de stad zich niet zoo heel gemakkelijk laten uitroeien. De bewoners barrikadeerden zich in een ommuurde ruimte. 1.500 der verdedigers konden met geweren worden bewapend en een gelijk aantal met pistolen, doch de voorraad ammunitie was gering en dus werd de grootst mogelijke zuinigheid hiermede in acht genomen. Door allerlei listen en voorwendsels wist men de aanvallers tot vuren te dwingen, waardoor aan hun zijde veel munitie verloren ging. De Armeniërs benutten hun vrijen tijd met kogels en patronen te maken. Ook vervaardigden zij hagel voor de pistolen en na eenigen tijd hadden zij zelf drie mortieren gefabriceerd, maar daar het materiaal verbruik in geringe voorraad aanwezig was, kon de afwerking der mortieren niet anders zijn dan ruwen primitief. Doch de Armeniërs waren optimistisch en hoopvol gestemd en zij verheugden zich het oogenblik te zullen beleven waarop aan de Turksche moordpartijen een einde zou worden gemaakt. Zij hadden deze regels zich tot een wet gesteld: Blijf nuchter; drink niet; zeg steeds de waarheid; tast niet de godsdienst van den vijand aan.

Aan de Turksche inwoners der stad werd een manifest gezonden, waarin werd medegedeeld dat de

pagina 123

strijd zou gaan tegen den Wali en niet tegen de Turksche inwoners. De Walis gaan en komen, zoo heette het, maar de beide rassen moesten trachten met elkander te leven, en zij hoopten, dat, wanneer Djevded Bey eens verdwenen was, de wederzijdsche betrekkingen weer vriendelijk zouden zijn.

De Turken antwoordden in gelijken zin, zij zeiden: ze waren gedwongen te vechten. 't Spreekt vanzelf dat er ook van andere zijde bij den Wali werd geprotesteerd tegen den strijd die zou komen, maar Djevded Bey negeerde dit protest volkomen.

De kazerne gelegen ten Noorden van ons grondgebied werd door de Armeniërs in de asch gelegd. Een verder offensief was door hun geringe getalsterkte niet mogelijk maar lag ook niet in hun voornemen. Zij streden voor hun huis en voor hun leven.

Niet één bewapend Armeniër heeft onze plek betreden. Aram, de leider der Armeniërs verbood zelfs de opname van gewonden in ons hospitaal, omdat, naar zijn meening, de neutraliteit daardoor zou worden geschonden. Dr. Usher behandelde daarom de gewonden in zijn persoonlijke inrichting.

Den 23sten April ontving Dr. Usher een schrijven van Djevded Bey, waarin hem werd medegedeeld dat de Wali had gezien dat gewapende Armeniërs ons grondgebied hadden betreden en zelfs in onze nabijheid versterkingen hadden opgeworpen. Bij het eerste schot, aldus schreef Djevded, dat vanuit deze versterkingen zou worden afgevuurd, zou de Wali gedwongen zijn kanonnen te richten op ons instituut en het desnoods geheel vernietigen; daarvan konden wij ons overtuigd houden.

pagina 124

Dr. Usher antwoordde, dat wij onze neutraliteit in alle opzichten zouden handhaven met alle ons ten dienste staande geoorloofde middelen. Niemand had het recht ons verantwoordelijk te stellen voor de handelingen van de personen, die buiten ons om geschiedden.

Verdere onderhandelingen met den Wali werden gevoerd door onzen ambtelijken vertegenwoordiger, Signore Sbordone, ltaliaansch consulaat-agent en onze postillon was een oude vrouw, die zich door middel van een witte vlag beschermde.

De tweede maal dat zij op weg ging, viel zij in een kuil; toen zij even daarna zonder witte vlag opstond, werd zij onmiddellijk door Turksche soldaten neergeschoten. Een andere vrouw werd gevonden die zich bereid verklaarde brieven over te brengen, maar zij werd gewond toen zij aan de deur van haar hut zat, in de nabijheid van ons grondgebied. Toen verklaarde Aram dat hij geen verdere correspondentie kon toestaan, wanneer niet eerst door Djevded Bey was geantwoord op een brief van den Italiaanschen gezantschap-secretaris, waarin gezegd werd, dat Djevded van de Armeniërs niet kon verlangen dat zij zich nu zouden overgeven, daar zijn optreden tegen de Armeniërs het karakter droeg van een massamoord.

Gedurende het beleg hielden de Turksche soldaten en hun gezellen, de wilde Kurden, ontzettend huis in de omgeving der stad. Zij vermoordden mannen, vrouwen en kinderen en verbrandden hun huizen. Kleine kinderen werden in de armen hunner moeder doodgeschoten, anderen weer op beestachtige wijze

pagina 125

en gruwelijk mishandeld. De meeste dorpen waren niet op zulk een aanval voorbereid, slechts enkele plaatsen verzetten zich tot de munitie was opgebruikt. Zondag 25 April kwamen de eerste vluchtingen uit den omtrek de stad binnen. Ons hospitaal, dat in normale tijden 50 bedden heeft, moest nu aan 142 patiënten onderdak verleenen. Beddegoed werd hier en daar geleend en op den grond kermisbedden opgeslagen. De licht gewonden werden dagelijks verbonden.

Vierduizend menschen waren met hun have en goed uit de tuinstad gevlucht; zij vulden onze kerken, scholen en vooral ook onze zendingshuizen. Een vrouw zeide tot Mrs. Silliman: “Wat zouden wij beginnen als de zendelingen er niet waren? Dit is nu de derde maal dat ik voor een dergelijk bloedbad de vlucht moet nemen en in dit toevlucht een onderdak heb gevonden.”. Een groot deel dezer vluchtelingen moest worden gevoed en onderhouden.

Tot nu toe hadden zij dagelijks hun brood moeten koopen, maar zij hadden nu niets geen geld meer. Thans was het onze taak te zorgen voor de gezondheid, voeding en de tucht van deze menschen. Mr. Yarrow organiseerde comité's om een deel van die zware taak over te nemen en bewonderenswaardig was de ijver, de toewijding, en opperofferingsgezindheid die aan den dag werd gelegd. Een inwoner verstrekte al het meel dat in zijn bezit was, met uitzondering van een maand voorraad voor zich en zijn gezin. Een publieke bakkerij werd opgericht, brood en meel gekocht en onder de arme bevolking verdeeld; broodkaarten uitgegeven en zelfs werd

pagina 126

eenigen tijd later een soepkeuken geopend. Miss Rogers en Miss Silliman zorgden iederen dag voor een voldoende hoeveelheid gekookte melk voor de kinderen. Honderdnegentig kleintjes werden op deze wijze gevoed. De schooljongens wierpen zich zelven op als verdedigers, beschermden op alle mogelijke wijzen de huizen voor brandgevaar, verzorgden ons grondbezit, liepen zelfs de zieken na en verdeelden hun melk en eieren aan de kinderen die buiten onze inrichting waren.

Een regelmatig stadsbestuur werd door de Armeniërs benoemd, met een burgemeester aan 't hoofd, in zijn functie bijgestaan door rechters en gerechtsdienaars; de stad was werkelijk nog nooit zóó goed geregeerd.

Na verloop van twee weken kregen wij bericht dat de Armeniërs in een door hen belegerde wijk eenige van de Regeeringsgebouwen hadden veroverd, niettegenstaande zij tezamen een gering aantal vormden en dagelijks werden gebombardeerd. Ongeveer 16.000 kanonskogels en shrapnells waren reeds op hen afgevuurd. De kogels, meest uit ouderwetsche kanonnen, hadden echter weinig of geen invloed op de drie voet dikke muren. Wel stortten op zekeren dag de bovenste muren in, maar de belegerden wisten zich te bergen, zoodat slechts drie personen daardoor hun leven moesten laten.

Enkele van de versterkingen of “Dirks” werden eveneens gebombardeerd, zonder veel schade te bekomen. Het scheen alsof de vijand zijn zwaarder geschut en grootere shrapnells tot het laatst wilde bewaren. In de eerste weken vielen drie kanonskogels

pagina 127

op ons terrein, een ervan beschadigde het huis van Dr. Usher, een ander schot verwondde 13 personen, waarvan 1 doodelijk.

Dr. Usher deed en doet nog steeds het werk van drie man. Als eenig geneesheer in de belegerde stad moet hij natuurlijk voor de hospitaalpatiënten, voor de gewonde vluchtelingen en voor de gewonde Armenische soldaten zijn krachten opofferen, maar ook moet hij zorgen voor de buiten-patiënten en die in zijn eigen polikliniek, welk aantal schrikbarend toenam. Door het vele lijden, door kommer en gebrek kwamen bij de vluchtelingen veel gevallen van longaandoening en dysentherie voor, waarbij nog kwam een mazelen-epedemie die onder kinderen was uitgebroken. Miss Silliman zorgde voor de lijders aan mazelen. Miss Rogers en Miss Usher hielpen in het hospitaal waar Miss Bond en haar Armenische ziekenverpleegster met inspanning van al hun krachten arbeidden.

Na eenigen tijd opende Miss Usher een tweede hospitaal, waartoe een Armenisch schoolgebouw, dat vroeger diende als toevluchtsoord voor vluchtelingen, ingericht werd.

Hun arbeid werd echter steeds moeilijker door het gebrek aan allerlei beddengoed, utensiliën, helpers, ja zelfs aan voedsel voor de patiënten. De heel- en geneeskundige werkzaamheden werden mede door gebrek aan instrumenten en geneesmiddelen bijna onmogelijk gemaakt, daar de jaarlijksche zending voor de apotheek van Dr. Usker werd vastgehouden in de haven van Alexandrette.

Twee weken na den aanvang der bezetting kwam

pagina 128

een uit Ardjesch gevluchte man ons het lot vertellen van de stad zijner inwoning. (Ardjesch, een stad van de tweede grootte in het Wilajet, ligt in een vruchtbare vlakte aan den noordelijken oever van het Wan-meer, dat de zee van Ardjesch genoemd wordt. De oude stad, de residentie der Armenische Koningen, werd 70 jaren geleden door het water overstroomd en in haar plaats kwam de nieuwe stad Agantz. De vlakte van Ardjesch is vooral beroemd door haar vruchtbaarheid en de meloenenkultuur.)

De Kaimakam van Ardjesch had de leden van alle bestaande handwerkersgilden bij zich ontboden. Daar hij steeds welwillend tegenover hen was geweest genoot hij hun vertrouwen. Toen zij eenmaal goed en wel bijeenwaren, liet hij hen door de soldaten neerschieten. Voor zoover de man wist; was hij de eenige die aan het bloedbad ontkomen was, door den geheelen nacht zich te verschuilen onder een hoop lijken.

Een groot aantal vluchtelingen moest op aanraden van Aram op een berg in de nabijheid van het dorpje Schuschanty halt houden.

Den 8sten Mei ging het dorp in vlammen op, evenals het nabijgelegen klooster Warak. Toen kwamen de vluchtelingen in de stad. Het scheen alsof de Wali, Djevded Bey, zijn taktiek een andere wending had gegeven. Hij liet vrouwen en kinderen bij honderdtallen de stad binnenkomen, waardoor hij de

Hongersnood in de stad vermeerderde. Door de mobilisatie in de herfst van 't vorig jaar waren de meelvoorraden die in de stad lagen opgehoopt, reeds zeer verminderd, en het is te begrijpen dat

pagina 129

bij de dagelijksche voeding van 10.000 vluchtelingen, de hoeveelheid onrustbarend slonk; de toekomst werd steeds donkerder. Djevded was in de gelegenheid zoo veel manschappen en munitie uit andere steden aan te voeren als hij noodig oordeelde. Wanneer voor de stad niet zeer spoedig hulp kwam opdagen, zou het niet mogelijk zijn haar nog langer te houden, en de hoop op redding scheen zeer zwak te zijn.

Wij waren zonder eenige communicatie met de buitenwereld. Een telegram naar ons gezantschap in Konstantinopel kon niet worden verzonden. De Daschnakzagan zond om hulptroepen naar de Russische-Armenische grens, maar niet een van de uitgezondenen keerden terug; later kregen wij de zekerheid dat nooit een hunner de vrijwilligerstroepen aan de grens had bereikt.

Wij begrepen, dat, wanneer straks de nood op 't hoogste zou komen, ons grondgebied de eenige toevlucht zou zijn voor de Armenische bevolking. Van Djevded Bey die over den langen duur van het beleg woedend was, kon men niet verwachten dat hij ook maar één man, vrouw of kind zou sparen. Misschien had hij aan ons, Amerikanen, lijfsbehoud toegestaan, wanneer wij ons grondgebied zouden verlaten, maar daarvan wilde niemand onzer hooren. Wij wenschten het lot der bevolking te deelen. En 't was niet eens onmogelijk dat zelfs dat lijfsbehoud ons niet werd gegeven; Djevded immers meende dat wij de “rebellen” ondersteunden!

Zaterdag en Zondag 15 en 16 Mei zag men verschillende schepen de haven van Wan verlaten. Zij

pagina 130

vervoerden de gezinnen van Turken en Kurden; den mannen echter was het verboden zich te verwijderen. Niet zonder verbazing zagen wij van de daken der huizen, door middel van verrekijkers, dat bij de Turken een ware paniek heerschte. Nu was dit reeds eerder eens gebeurd, n.l. toen in het begin van 't jaar de Russen bij Sarai waren voortgerukt. Zou deze vlucht hetzelfde beteekenen?

Hoe ’t ook zij, de Turken hadden toch nog voldoende gelegenheid zooveel mogelijk onheil te stichten. Des Zaterdagsavonds begonnen de zware kanonnen vuur te braken over ons grondgebied. Aanvankelijk konden wij niet gelooven dat het onze “Stars and Strips” gold, maar weldra kon alle twijfel dienaangaande worden opgeheven 1).

Zeven granaten vielen op ons terrein; één ervan kwam terecht op het dak van Miss Silliman's huis, waarin de granaat een gat sloeg. Twee anderen bewerkten hetzelfde in het dak van de school.

Des Zondagsmorgens begon het bom bardement opnieuw. 26 bommen vielen op ons grondgebied en des middags weer 10, die of in de lucht ontploften of op den grond. Het vreeselijk gefluit der shrapnells zullen wij niet licht vergeten. Een granaat ontplofte in de kamer van Mr. Raynold huis en doodde een kind. Een andere granaat sloeg door den buitenmuur van Miss Knap’s kamer in het huis van Dr. Usher, en sprong daar uiteen. De lugubere inhoud drong zelfs door de binnenmuren in de andere

1) Ook het gebouw der Duitsche zending werd beschoten, hoewel de nationale vlag was ontplooid.

pagina 131

vertrekken en verbrijzelde de deur die tot die kamers toegang gaf.

Na zonsondergang werd alles stil. Er kwam een brief van de bewoners van het eenigste Armenische huis dat in de Turksche linie was blijven staan 1). Daarin werd medegedeeld dat de Turken de stad hadden verlaten. Bij de kazernes op den Burcht en aan de voet daarvan waren nog eenige wachtposten overgebleven, die echter spoedig werden overmeesterd. Daarna werden de gebouwen in de asch gelegd; hetzelfde geschiedde met de Turksche Dirks, die daarna verwoest werden.

Na middernacht ging ook de groote kazerne in vlammen op. Men vond in de stad nog aanzienlijke voorraden meel en munitie. Dit alles herinnerde aan het beleg van Samerië uit 2 Koningen VII.

De geheele stad was ontwaakt, men zong en was opgetogen. De weg naar de versterkte stad lag nu open, evenals naar het Turksche hospitaal. Maar weldra verstomde onze vreugde. Miss Claren en Zuster Martha waren niet meer in het hospitaal. Vier dagen geleden waren zij met gewonde soldaten vervoerd naar Bitlis. Een brief van Djevded Bey aan Dr. Spörri bevatte de mededeeling dat de beide verpleegsters zelf den wensch hadden te kennen gegeven

1) Djevded Bey is de zoon en opvolger van den uitnemenden Wali Thahir Pacha, die ruim 16 jaar in de beste harmonie met de Armenische bevolking als gouvemeur van het Wilajet Wan geregeerd heeft. Mohammedanen en Christenen werden door hem op voet van gelijkheid behandeld. Naar verluid zou Djevded Bey het huis, waarvan hierboven sprake is, gespaard hebben, omdat hij er als knaap in heeft gewoond.

pagina 132

voor de gewonde soldaten te willen blijven zorgen, hij had hun echter niet toegestaan ons te ontmoeten. Uit andere bron vernamen wij dat Djevded Bey een ontmoeting had tegengegaan, “omdat”, zoo had hij gezegd, “ik veel te bezorgd voor haar ben; de Armeniërs zouden haar wel eens kunnen vermoorden” 1).

25 soldaten, die onderweg ziek waren geworden, hadden de Turken in het hospitaal achtergelaten zonder eten of drinken. Zij werden bij ons gebracht. Men vond veel lijken; ook van Russische krijgsgevangenen die door de Turken op hun vlucht waren gedood.

Dinsdag 18 Mei kwam de voorhoede der Russisch-Armenische vrijwilligerstroepen de stad binnen. Zij hadden nooit iemand gezien, die hulp kwam halen en zij wisten evenmin dat Wan nu in de handen der Armeniërs was. Den volgenden dag kwamen de vrijwilligers met soldaten van het Russische leger binnen. Zij hadden het geheele land ten Oosten van het Wan-meer van Turksche troepen gezuiverd en gingen daarmee voort. Ook op dien dag werd nog hevig gestreden. Russische troepen sloegen reeds den weg in naar Bitlis waar tot nu toe, zooals de Russische Generaal ons meedeelde, nog geen uitroeiing der Armenische bevolking had plaats gevonden.

Het veldhospitaal was bij den snellen opmarsch van het leger verscheidene dagreizen achtergebleven, evenals de proviand-colonnes. Het was voor de stad een zware taak, nu ook het groote leger te moeten

1) Even later kwam het bericht dat Zuster Martha te Bitlis aan de typhus gestorven was.

pagina 133

voeden en alles af te staan. De bewoners gaven echter gaarne de tarwe, die nog in hun bezit was; meel was echter niet meer voorhanden daar de molens de laatste dagen niet hadden gemaald. Vleesch was slechts zeer weinig te verkrijgen, hoewel de kozakken een groot aantal schapen in de Kurdische bergen hadden weten te bemachtigen.

Op ons grondbezit werden duizend Turksche vrouwen en kinderen, die de Armenische soldaten vergezelden, ondergebracht, daar zij dit de veiligste plaats voor hen achten 1). Wanneer men in aanmerking neemt de wijze waarop de Armenische vrouwen en meisjes door de Turksche soldaten zijn mishandeld, dan verbaast men zich over de bewonderenswaardige zelfbeheersching, die de Armenische soldaten tegenover deze Turksche vrouwen aan den dag legden. Een gewond Turksch soldaat beroemde er zich op, dat hij 20 Armeniërs had gedood. De Armenische soldaten legden hem in ons hospitaal neer, maar deden verder niets.

Het onderhoud der vluchtelingen in dezen moeilijken tijd en de vraag wat men met hen moest aanvangen, zijn moeilijke problemen voor onze zending, en zij worden met den dag moeilijker. Het zou hun dood zijn wanneer zij weder werden weggevoerd; zij moeten geregeld worden onderhouden en er is niemand anders in de stad dan wij, die dit kunnen doen. De Generaal heeft zijn medewerking verleend door het zenden van een wacht.

1) Ook op het terrein der Duitsche zending werden 600 Turksche vrouwen en kinderen ondergebracht.

pagina 134

Intusschen keert langzamerhand de rust terug. Aram is benoemd tot goeverneur; de dorpelingen keeren naar hunne woonplaatsen terug. Onze 4.000 gasten hebben ons thans verlaten. Wij hebben de blinden van voor onze vensters weer verwijderd. De vrijwilligers hebben ons tweede hospitaal overgenomen, waardoor de arbeid voor ons lichter geworden is.”

Tot zoover de mededeelingen van het Amerikaansche Consulaat. Een ander bericht vermeldt nog het volgende:

“12.000 granaten werden op de stad afgeschoten. De kanonkogels hebben weinig of geen schade aangericht. Zij beschadigden des daags de huizen, die 's nachts weer werden hersteld, zoodat de Armeniërs geen terrein verloren, integendeel werden 20 Turksche huizen door de Armeniërs bezet. Het grootste voordeel behaalden zij, toen het na vier dagen belegden Armeniërs gelukte de Hamid Agha-kazerne in de lucht te doen springen en in de asch te leggen.

Zij leden een bom onder den grondmuur van het gebouw, die weldra ontplofte. Hoewel de kazerne niet in elkaar stortte brak een hevigen brand uit, waarbij eenige soldaten omkwamen; de overigen konden ontvluchten. Door de vermeestering van deze kazerne waren de Armeniërs meester tegelijk van Aigestan. De Regeeringstroepen telden 1.000 man, maar niet meer dan de helft dier soldaten was afgericht. Alle mogelijke pogingen stelde de Turksche regeering in 't werk om de Armeniërs

pagina 135

tot overgave te dwingen, maar zij bleven standhouden.

De belegering had nauwelijks 30 dagen geduurd. Aan Armenische zijde werden 18 man gedood, maar velen werden gewond, de verliezen der Turken moeten aanmerkelijk grooter geweest zijn. Eenige Armenische stadsgedeelten gingen in vlammen op, evenals meerdere Turksche wijken. De Turksche bewoners vluchtten naar Bitlis. Zeven dagen na den intocht der Russische voortroepen in de stad Wan kwam generaal Nikolajeff met zijn staf de stad binnen. Hij werd door Aram begroet, die hem met deze woorden toesprak: “Toen wij, nu een maand geleden naar de wapens grepen, rekenden wij niet met de mogelijkheid, dat eens de Russen hier zouden komen. Onze toestand was toen hopeloos. Wij hadden toen de keuze tusschen zelfmoord, of als schapen te worden geslacht; of met slaanden trom in den strijd te sterven. Wij kozen het laatste. Onverwacht werden wij door uwe hulp ontzet en daarom zijn wij u en uw dappere troepen onzen dank schuldig.”

Het is van belang hier even vast te stellen, dat, zooals de berichten van de Amerikaansche missie, beslist doen uitkomen, welke berichten in overeenstemming zijn met hetgeen wordt vermeld omtrent de ontvangst der Russen, de Armeniërs van Wan in geen enkel opzicht in verbinding stonden met de Russen of met het Russisch-Armenische vrijwilligerskorps en ook tijdens de belegering niet in de gelegenheid geweest zijn zich met elkander te onderhouden. De z.g.n. “Opstand van Wan” was een zelfverdediging om

pagina 136

de elders aangerichte bloedbaden te voorkomen; van landverraad kan hier niet worden gesproken 1).

Het ontzet van Wan was een etappe in de operaties der Russische troepen en, niet een actie ten gunste der Wan'sche Armeniërs. Er is geen sprake van eenig kausaal verband tusschen de zelfverdediging der inwoners van Wan en den opmarsch der Russen. Hadden de Turksche troepen voldoende strijdkrachten en bekwame aanvoering bezeten, en hadden zij den Russischen opmarsch, die hun de bezette deelen van Noord-Perzië en het noordoostelijk deel van het Wilajet Wan kostte, kunnen stuiten dan zou de episode van Wan van geenerlei invloed geweest zijn op de positie der Turken aan den Kaukasisch-Perzischen grens. Door hun zelfverdediging beoogden de Armeniërs van Wan niets anders dan de redding van hun eigen leven. Zij zouden anders het lot hebben moeten ondergaan van al de andere wilajets.

In Berlijnsche kringen liep reeds in Juni het gerucht, dat Djevded Bey, de wali van Wan en zwager van den Minister van Oorlog Enver Pasja, in zijn konak door een Armenische bom levensgevaarlijk zou zijn gewond en daarom zouden de Armeniërs dan zijn gestraft; en in October brachten Duitsche reizigers van uit Konstantinopel de tijding mede, dat Djevded Bey in een der straten van Wan door de Armeniërs zou zijn vermoord. Beide berichten echter waren verzonnen. Drie dagen voor den intocht der

1) Dit wordt ook door Duitschers, die het beleg meemaakten, bevestigd.

pagina 137

Russen had Djevded Bey in volmaakte gezondheid Wan verlaten om zich met zijn troepen tot Bitlis terug te trekken.

WILAJET BITLIS

Het Wilajet Bitlis telde onder zijn 398.000 bewoners 195.000 Christenen, n.l. 180.000 Armeniërs en 15.000 Syriërs. Van de overige 200.000 zijn 40.000 Turken. De rest bestaat uit 45.000 gezeten Kurden, 48.000 Nomaden-Kurden, 47.000 Sasa-Kurden, 10.000 Tsjerkessen, 8.000 Kisilbasch en 5.000 Jesidi's.

De Armenische bevolking hoewel, over het geheele gebied verspreid, is voornamelijk in de omgeving van Bitlis en in de vlakte van de Euphraat bij Museh sterk vertegenwoordigd. Zij bewonen daar 200 à 300 dorpen. De vlakte wordt begrensd door den Taurus-bergketen. In de hoogvlakten van den Taurus, ten zuiden van dezen bergketen, ligt het gebied Sassun, dat in de negentiger jaren het tooneel was van den eersten massa-moord op de Armeniërs, die destijds geschiedde onder Abdul Hamid.

De gebeurtenissen in het Wilajet Bitlis hangen te samen met de gebeurtenissen in het Wilajet Wan. De catastrophe bereikte in dit gebied haar hoogtepunt, nadat de Russen Wan hadden ontruimd. Maar reeds in Februari, eer de Armeniërs in Wan ook maar dachten aan een dreigend bloedbad, zag het er in Bitlis in 't algemeen treurig uit.

Sedert het uitbreken van den oorlog waren de steden en de Armenische dorpen door Turken en Kurden bezet, die als miliciens bij het leger waren

pagina 138

ingelijfd. De gendarmen roofden en plunderden onder het voorwendsel van requisitionair optreden. Alle voor den komenden winter opgeslagen voorraden van levensmiddelen werden den Armeniërs ontnomen en men vreesde daarom voor een hongersnood. Behalve de Armeniërs die voor den krijgsdienst waren opgeroepen, werd nog een groot aantal der nog overgebleven mannelijke bewoners gerequireerd voor het herstellen van wegen en voor het vervoeren van vrachten. Deze lastdragers moesten den geheelen winter zware vrachten transporteeren naar het Kaukasische front. Slecht gevoed en onvoldoende gewapend tegen de overvallen der Kurden, kwam de helft onderweg om, en keerde slechts voor een vierde deel terug.

Toen na de gevechten van Sarikamisch en Ardahan het Kaukasusleger in sneeuw en ijs was ingesloten, deserteerde een groot aantal soldaten, maar op de vijf deserteurs was hoogstens één Armeniër. Enkele deserteurs keerden in hunne dorpen terug. De gendarmen gingen al spoedig met lijsten, bevattende de namen der uitgewekenen, van dorp tot dorp en erlangden hunne uitlevering; tegelijk namen de huiszoekingen naar wapens een aanvang. Wanneer de deserteurs niet thuis werden getroffen, staken de gendarmen hunne huizen in brand en verwoestten de akkers. Deze razia leidde tot verwikkelingen. Begin Maart kwam de Turksche regeerings-commissaris Razim-Bey en Djevded Bey met 40 Saptiehs in het Armenische dorp Zronk. Bij het wisselen van kogels tusschen een vluchteling en een gendarme werd het paard van dezen laatste gedood. Hij

pagina 139

keerde naar het dorp terug, nam een ander paard uit den stal van een der boeren, eischte als schadevergoeding 41 Turksche ponden, liet 25 huizen in de asch leggen, de mannelijke dorpsbewoners over den kling jagen en de akkers confiskeeren. In Armedan werden Turksche vrijwilligers in Armenische gezinnen ingekwartierd. Als dank voor de goede verzorging werd door den aanvoerder der troep de schoondochter der weduwe, waar hij bij inwoonde, verkracht. In andere dorpen speelden zich ook dergelijke tooneelen af.

De Kurden die in de bergen woonden, gevoelden weinig lust tot den krijg. Zij gaven den voorkeur aan het plunderen der Armenische dorpen. Dat bedrijf was minder gevaarlijk en tegelijk winstgevender. De Muttesarif van Musch scheen aanvankelijk de Kurden voor hunne wandaden te willen bestraffen, maar later verklaarde hij er niets aan te kunnen doen. De Kurdenstam Abdul Medschid van Melasgert bezette de Tschur'sche bergen, plunderde de dorpen en vermoordde de bevolking. Een andere Kurd, een broer van den Kurdenhoofdman Musa Beg, gedoogde de plunderingen in zijn gebied niet. Ook andere voormannen der Kurden verzetten zich tegen de Turksche regeeringsmaatregelen ten opzichte der Armeniërs. Toen de Turksche regeering hun echter volkomen onafhankelijkheid in den toekomst beloofde, stemden zij toe en haalde de schade bij de Armeniërs in.

Trots alle dwangmaatregelen bleven de Armeniërs rustig; verdroegen de smaadheden hen aangedaan en lieten zich tot geen tegenstand verleiden. Zij be-

pagina 140

klaagden zich bij de regeering en zoo nu en dan scheen het alsof de overheid ook beschermend zou optreden. In Musch vertoefde in die dagen een bekend Armenisch leider, Wahan Papasian, parlementair afgevaardigde voor Musch. Hij verdedigde de belangen der Armeniërs bij den Muttesarif van Musch en bij den Wali van Bitlis. Evenals in Wan, werden ook hier pogingen in het werk gesteld de bestaande moeilijkheden uit den weg te ruimen en de orde te handhaven, voorzoover dit onder de heerschende anarchistische toestanden mogelijk was.

Aanvankelijk geschiedde dit dan ook, maar einde April veranderde de Wali van inzicht. Den 1en Mei werden 3 Armeniërs in Musch opgehangen en het vierde deel der bevolking door de militairen gevangen gezet. De Wali dreigde openlijk met een bloedbad. Te gelijker tijd werden alle Armenische mannen die nog te vinden waren weggevoerd, zonder dat acht werd geslagen op de onverzorgd achterblijvende gezinnen.

Zoo kreeg bijv. de burgemeester van het dorp Goms in de Musch-vlakte, bevel 50 mannen en 50 ossen uit te leveren voor het verrichten van transportwerk, terwijl het dorp slechts 70 mannen telde, de grijsaards meegerekend. De burgemeester zag niettemin kans de 50 ossen ter beschikking te stellen benevens 45 mannen; voor de 5 ontbrekende bood hij de militaire afkoopsom aan. De Mudir van Agdschemak, die naar Goms was gekomen, stelde zich daarmede tevreden, maar zijn begeleider, de Kurd Mehmed Amin, een vijand van den burgemeester, vond in het ontbreken der 5 mannen aanleiding den

pagina 141

burgemeester te laten geeselen en 7 Armeniërs uit het dorp neer te schieten. Het kwam tot een botsing, waarbij 7 gendarmen en 20 Armeniërs werden gedood. Eenige dagen later kwam het ook tot een incident in het klooster Arakeloz.

In dit klooster huisden 80 gevluchte Armeniërs. Troepen uit Musch deden een inval en doorzochten het klooster; een gevecht ontstond, waarbij aan beide zijden dooden vielen. De Mutessarif van Musch requireerqe meerdere troepen en eischte uitlevering der, overgebleven vluchtelingen, maar liet hen na verdere onderhandelingen gaan. Niettemin liet de Mutessarif de lijken van de bij het eerste gevecht omgekomen Turken naar Musch vervoeren en zeide in zijn lijkrede o.a. “Voor ieder haar van uw hoofd zal ik duizend Armeniërs laten slachten.”

Het feit dat de Armenische wegwerkers door hun Mohamroedaansche medearbeiders werden mishandeld en gedood, was volgens de Armeniërs meer te wijten aan de bevelen der Turksche regeering, die stelselmatig het Armenische volk wilde uitroeien, dan aan het fanatisme der Mohammedanen. En wanneer eens een of andere bisschop, bij de regeering ging protesteeren, werd hij spottend weer weggezonden.

De Armeniërs waren moedeloos. Wat zouden ze doen? De strijdvaardige mannen waren reeds allen verdwenen; de vrouwen en kinderen prijs gegeven aan de Turksche troepen, aan Kurdensche Hamidieh's en aan de opgeruide menigte.

Tot hun groote verwondering keerde eenige dagen later bij de Turken het blaadje om. Zij begonnen allervriendschappelijkst met de Armenische bewoners

pagina 142

om te gaan, en verklaarden weer met hen op goeden voet te willen leven. De reden van deze verandering bleek weldra. De Russen waren tot bij Gob en Achlat, ten noorden van het meer van Wan doorgedrongen en ten zuiden van het meer rukten zij aan op Bitlis. Tot een bezetting van Bitlis kwam het echter niet. Ook de voortroepen waren uit de vlakte van Musch weer teruggetrokken. De Russen kwamen dus niet en hiermede vervloog voor de Armeniërs de laatste hoop op redding.

De Duitsche consul te Mossul protesteerde bij de Turksche overheid, toen hij vernam van het bloedbad dat in het Wilajet Bitlis was aangericht. Een tijdlang scheen het alsof dit van invloed was geweest. Lang duurde dit echter niet en weldra werd de moordpartijen weer op denzelfden voet voortgezet.

DE STAD BITLIS

Gouverneur van Bitlis was Mustafa Chalil, een zwager van Talaat Bey, den Turkschen minister van Binnenlandsche Zaken: In de stad en omgeving had hij reeds alle mannen van 20- tot 45-jarigen leeftijd voor weg- en transportarbeid opgeëischt. Kerken en huizen van Armeniërs moesten voor inkwartiering worden gebezigd.

Na een oproep tot den Dschihad begonnen de Mollah's en Scheiks en verschillende troepen, aangevoerd door bekende roovers, hun opruiend werk. De Mohammedanen werden bewapend en in alle moskeeën predikte men den Christenhaat. Reeds in December en Januari begon het rooven en plunderen. Turken uit

pagina 143

Bitlis hadden een bende Kurden samengesteld en gezamenlijk belegerden zij het dorp Urdap. Zij namen de boeren Pallabeck, Karapet en nog eenige anderen gevangen, geeselden hen en trokken hen haren en baard uit. Een andere bende van 300 man, onder aanvoering van Chumadji Farso (een berucht nakomeling van den even beruchten Kurd Djelaleddin) en van den Emir Mehmed, plunderde en verbrandde zeven Armenische dorpen. Wat niet gedood werd, vluchtte naar Wan.

In Juni vond een bloedbad in Bitlis plaats. De Armeniërs van Bitlis en uit de dorpen in de omgeving dier stad werden weggevoerd in de richting van Diarbekir. De mannen werden gedood, 900 vrouwen en kinderen onderweg, toen men de Tigris had bereikt; in het water geworpen en verdronken. Bij deze deportatie moet ook de afgevaardigde van Bitlis, Wramjan, den dood hebben gevonden.

De Turksche lezing luidt: De Armeniërs hadden getracht hem te bevrijden, waardoor de gendarmen genoodzaakt waren hem te dooden!

IN DE VLAKTE VAN MUSCH

In den morgen van den 3en Juli begonnen de gevechten in Museh. De kanonnen werden gericht op het hooger gelegen stadsdeel, zoodat de huizen instorten en een brand uitbrak.

De Armeniërs verlieten de huizen en vluchtten naar een ander stadsgedeelte, bij welke vlucht een groot aantal op straat werd neergesabeld. Het door hen verlatene stadsdeel werd geheel verwoest. Nu

pagina 144

richtten de aanvallers zich tegen het stadsdeel, “Broet”, waarheen de Armeniërs waren gevlucht.

De Turken drongen de huizen en verblijfplaatsen der vluchtelingen binnen en deze moesten zien hoe voor hun oogen hun vrouwelijke familieleden werden onteerd, hun broeders werden vermoord. Na de verwoesting van dit stadsgedeelte was er nog één wijk overgebleven, de zgn. Smareniwijk. Onbeschrijfelijk zijn de gruwelen die daar werden bedreven. Daar geen redding meer mogelijk was, trachtten de Armeniërs zelfmoord te plegen. Zoo verzamelde Tigran Sinojan in Musch al zijn familieleden, 70 personen, bij zich in huis en gaf hen vergif. Nadat zij het ingenomen hadden, stak Tigran zijn huis in brand en schoot zich zelven dood.

Andere gezinnen verbrandden hunne huizen om in de vlammen om te komen; velen schoten hunne vrouwen en kinderen neer om hen te bewaren voor mishandeling of voor den gedwongen Islam.

Hadji Hagop sneuvelde bij een poging tot verdediging der stad, maar zijn aanhangers namen zijn taak over.

Intusschen waren alle stadswijken, uitgenomen “Zor”, verwoest en het nog overgebleven deel der Armenische bevolking werd in dit, aan het andere einde der stad gelegen gedeelte, bijeengedreven. Hun aantal was 10.000 à 12.000 personen.

Dit alles geschiedde op 4 Juli.

Den volgenden dag scheen het alsof de furie van Kurden en Turken nog was vergroot. Maar de weinige overgebleven Armeniërs lieten zich niet zóó-

pagina 145

maar slachten; zij legden honderden Kurden neer. Doch wat beteekende dat?

Ook de huizen van Zor waren weldra veranderd in puinhoopen en de Armeniërs die nog in leven waren, besloten in den komenden nacht de aan Zor grenzende rivier over te trekken en naar de bergen van Goghu-Gluch te vluchten, teneinde Sassun te bereiken. Des avonds elf uur zette te vluchtelingenstoet zich in beweging in de richting der rivier. Maar door het licht van de brandende huizen werden zij opgemerkt door de Kurden. Als razenden begonnen zij te schieten. Zeer velen werden door kogels gedood; anderen geraakten onder den voet en werden vertrapt, en weer anderen vonden den dood in de golven. Slechts 5.000 à 6.000 Armeniërs bereikten de overkant en vluchtten in de bergen.

De Kurden, nog niet tevreden gesteld, verzamelden alle gewonden en de in de stad nog verborgen Armeniërs en verbrandden ze op een reusachtigen brandstapel.

III. De West-Anatolische Wilajets

In de West-Anatolische Wilajets is het Armenisch element niet in die sterke mate vertegenwoordigd als in de Oost-Anatolische. In het Wilajet Ismid telden zij 71.000, in Brussa 90.000; in Angora 67.500, in Aidin (Smyrna) 27.000; in Konia 25.000; in Kastamuni 14.000, totaal rond 300.000. In Ismid en Brussa, wilajets gelegen tegenover Konstantinopel, ten zuiden van de zee van Marmora, werd einde Juli een aanvang gemaakt met de voorbereidende maatregelen aan de deportatie verbonden.

pagina 146

1. ISMID, BRUSSA

Een zekere Ibrahim Bey, die zich in den Balkan-strijd als Turksch bendenhoofd had aangediend en eertijds opzichter was geweest in een der gevangenissen van Konstantinopel, werd aangewezen om in de hoofdplaatsen der wilajets Ismid, Adabazar, Baghtschetschik en andere plaatsen verschillende inhechtenisnemingen te bewerkstelligen en huiszoekingen te doen naar wapens. Dezelfde Ibrahim Bey had in den tijd der constitutioneele reactie op bevel van het Jong-Turksche Comité in al deze plaatsen onder de Armeniërs wapens uitgereikt ten einde zoonoodig de regeering der Jong-Turken te verdedigen.

Voorzoover er wapens aanwezig waren, werden deze vrijwillig afgegeven. Toen de Turken geen andere wapens meer vonden werden enkelen van de voornaamste Armeniërs in de gevangenis geworpen en gefolterd.

In Bagtschetschik liet Ibrahim Bey 42 Gregoriaansche Armeniërs, waaronder een priester, gevangen nemen en tot bloedens toe pijnigen. Ook dreigde hij de dorpen in de asch te zullen leggen en met de bevolking te handelen gelijk hij in het jaar 1909 in Adana had gedaan. Ook in Adabazar, Kurd-Bejleng en in andere streken werden voorname Armeniërs in den stok geslagen en met de bastonnade bewerkt.

Een leeraar der Gregoriaansche school te Adabazar werd ten doode toe gefolterd en een ander geslagen tot hij krankzinnig werd. Ook vrouwen moesten de bastonnade ondergaan.

Ibrahim Bey liet er zich op voorstaan, dat hij van de regeering vrijheid had bekomen om met de

pagina 147

Armeniërs te doen wat hij wilde. In de kerk van Bagtschetschik liet hij opgravingen doen, in de hoop een of andere bergplaats van wapens te ontdekken; maar hij vond niets.

Om de Mohammedaansche bevolking op te hitsen werden allerlei leugens verzonnen. Een Turksch officier wist mede te deelen, dat de Armenische vrouwen 10.000 scheermessen hadden verborgen om de Turksche soldaten daarnlede den hals af te snijden.

Den 30en Juli werden uit de dorpen Bagtschetschik (Bardezak), Owatschik en Dongel, ongeveer 20.000 Armeniërs weggevoerd. Bagtschetschik werd door 60 saptiehs omsingeld, maar aan tegenstand dacht niemand.

Alle Armenische oorden werden voor en na leeggehaald. De Amerikaansche gezant kon slechts bewerkstelligen, dat den gedeporteerden wat meer tijd werd gelaten en wist de wegvoering 14 dagen uit te stellen.

In Brussa moest een Gregoriaansch Armeniër van gegoede familie, Sedrak genaamd, wapens inleveren, maar hij had er geene. Hem werden door de politie eenige ribben stukgeslagen. Daarna werd hij met de woorden: “Nu kunt ge Armenisch minister worden”, op straat geworpen.

Dr. Taschjan en Dr. Melikset, doktoren in het Stedelijk Ziekenhuis te Brussa, werden geboeid naar Panderma gebracht en daar tot tien jaar celstraf veroordeeld. Dr. Melikset werd later naar Brussa teruggebracht en verdween eenige dagen later.

Als bewijs zijner revolutionairen gezindheid moest dienen een visite-kaartje, dat hij zes jaar geleden eens had gezonden naar zijn vrouw, met de mede-

pagina 148

deeling: “Ik heb de betreffende personen opgezocht.”

In Adabazar werden vrouwen en meisjes uit gegoede kringen in een kerk gedreven en daar aan een verhoor onderworpen over verborgen wapens. Toen de Turken niets wijzer werden, gingen zij zich op 't allerschandelijkst aan de meisjes te buiten.

Ook in dit gebied werd de deportatie benut tot het afpersen van groote geldsommen. Zoo werden in Biledjik van Penck Mordjikian 150 Turksche ponden, van Agop Mordjikian 100 Turksche ponden en van de gebroeders Diragossian eveneens 100 Turksche ponden geëischt. In Trilia werd van de bevolking 1.000 ponden verlangd met de belofte, dat bij uitbetaling van die som de bewoners niets hadden te vreezen. Nauwelijks echter was het geld in handen der beambten of de deportatie nam een aanvang.

In Marmaradjik werden 60 personen gedood en alle meisjes boven 11 jaar verkracht.

De Armeniërs uit dit district werden per spoor in veewagens bijeen gepakt, weggevoerd en eenige uren verder in het open veld gedwongen uit te stappen. Een Duitsch hospitaal-beambte zag in de streek tusschen Ismid en Eschkischeher in de maand Augustus een open kamp van 40.000 à 50.000 menschen. Aan de stations van vertrek speelden zich hartverscheurende tooneelen af, zooals vele ooggetuigen hebben verklaard. Mannen en vrouwen werden van elkander gescheurd en naar verschillende oorden vervoerd. De arme moeders verkochten voor eenige talers hun kinderen aan Mohammedaansche gezinnen om ten minste hun kroost een wreeden dood te besparen.

Over de wijze waarop de Armeniërs werden be-

pagina 149

handeld tijdens een verhoor door politie-beambten en gendarmen hebben ooggetuigen een kenschetsend getuigenis afgelegd:

Den 1en Augustus begon men in de kerk, gevangenen met stokken te ranselen. Men wilde de menschen daardoor dwingen wapens, die zij nog ergens hadden verborgen, af te geven. De meesten droegen de foltering met gelatenheid omdat zij geen wapens bezaten. Een moeder wierp zich tusschen de politie voor haren aan de tering lijdenden zoon en ontving zelf de slagen. Een Duitsche vrouw trachtte haren Armenische echtgenoot te redden: “Ga uit den weg of ik sla je!” schreeuwde de beambte. Toen zij zeide, dat ze een Duitsche was, antwoordde hij: “Ik bekommer mij niet om uwen keizer; mijn bevelen komen van Talaat Bey!”

Eenige voorname dames trachtten voorspraak ten goede te doen en gedurende een of twee dagen werden de mishandelingen gestaakt. Toen kwam de dag der verschrikking, de Zaterdag. Vrouwen wierpen zich bij ons in huis en schreeuwden: “Zij slaan de Armeniërs dood, straks zullen zij ook komen en de vrouwen vermoorden!” Ik liep naar het huis van mijn buurman en vond daar weenende mannen en vrouwen bijeen. De mannen waren uit de kerk ontvlucht en vertelden onder tranen wat zij daar hadden doorleefd. “Zij sloegen ons vreeselijk!” riepen zij, “en zij zouden ons in de rivier werpen; zij wilden ons verbannen, zij wilden Mohammedanen van ons maken. Ook de vrouwen zullen zij mishandelen. Straks zullen ze hier zijn!”

Een Turksch soldaat was er in de kerk, wiens

pagina 150

hart was gaan spreken. Afgezonderd stond hij daar, zijn oogen baadden in tranen. Hij vertelde, dat hij zoo door de mishandelingen der Armeniërs was aangegrepen, dat hij drie dagen en drie nachten had geschreid. Sommige Armeniërs waren tien dagen achtereen onverzorgd in de kerk opgesloten geweest.

Na drie dagen waren de mishandelingen naar het scheen ten einde en schepten wij weer eenigen moed. Den volgenden Zaterdag werden zelfs enkele Armenische winkels weer geopend. Maar dienzelfden nacht, op den vroegen Zondagmorgen, kwam het bericht, dat alle Armeniërs, ongeveer 25.000 zouden worden weggevoerd. Zij zouden met den goederentrein naar Konia gaan, ten minste wanneer zij de reiskosten konden betalen en dan per wagen naar Mosul; de anderen zouden te voet gaan, een reis die weken en maanden duurde.

De vreeselijkste tijdingen ontvingen wij nog van hen, die te voet de reis moesten doen en eveneens van dezulken, die alles hadden moeten verkoopen om de reiskosten bijeen te krijgen. De rijken moesten hun bezittingen achter laten, namen zij geld mede dan vreesden zij niet anders dan mishandeling.

Toen de Woensdag was aangebroken werd medegedeeld, dat er geen goederentreinen meer ter beschikking waren. De achtergeblevenen werden op straat gezet; daar moesten zij wachten tot het hun beurt was om te vertrekken.

2. SMYRNA, ANGORA, KONlA, KASTAMUNI

In westelijk Anatolië was nooit iets te bespeuren geweest van wat men noemt het “Armenische vraag-

pagina 151

stuk”. De onderhandelingen, die door de Turksche regeeringen werden gevoerd over “de reformatie van de door Armeniërs bewoonde provinciën” hadden alleen betrekking op de Oost-Anatolische provinciën en hoogsten Cilicië daarbij gerekend. Wilde men ook in westelijk Anatolie spreken van een Armenisch vraagstuk, dan had de regeering dit eerst kunstmatig moeten scheppen.

Om ook de deportatie der West-Anatolische Armeniërs door te voeren, achtte men het niet noodig een aanleiding te zoeken. Reeds had men twee jaren terug de Grieksche dorpen in West-Anatolië, in de omgeving van Smyrna zonder eenige reden doen ontruimen en de bewoners het land uitgewezen. Thans wenschte men zich ook van de Armenische bevolking te ontdoen. Doch ook hier werd zelfs van Turksche zijde, geprotesteerd tegen de deportatie van Armeniërs. Sedert eeuwen hadden hier Turken en Armeniërs, Joden en Grieken tesamen geleefd in vrede en vriendschap. Zij waren gegroeid onder den moreelen druk die de groote natiën van Europa uitoefende op de Levantsche steden. In enkele plaatsen, zooals Smyrna, was het Christelijk element dermate overwegend dat slechts een klein vierde deel op naam van de Turken kan worden gesteld. Smyrna had onder 200.000 bewoners slechts 52.000 Turken, daartegenoyer 108.000 Grieken, 15.000 Armeniërs, 23.000 Joden, 6.500 Italianen, 2.500 Franschen, 2.200 Oostenrijkers en 800 Engelschen (grootendeels Maltezen). De Grieksche spraak is er de overheerschende. De Armeniërs hebben aan den handel een zeer groot aandeel. De import naar het

pagina 152

binnenland is voor een groot deel in hunne handen. Een deportatie van Armeniërs uit Smyrna zou dwaasheid geweest zijn en er was geen enkele aanleiding te vinden geweest. Niettemin bereikte den Wali Rachmi Pacha het bevel tot wegvoering. Hij weigerde echter het ten uitvoer te brengen, waarom hij naar Konstantinopel werd geroepen teneinde zich te rechtvaardigen. Tot nu toe heeft hij de deportatie kunnen verhinderen. Zoowel in de stad als op het platteland is de Armenische bevolking (ongeveer 30.000 op een totaal-bevolking van 1.140.000) gespaard gebleven, hetgeen geheel te danken is aan het optreden van den Wali.

Het Wilajet Angora telt, volgens een Turksche statistiek onder 892.000 inwoners 95.000 Armeniërs. De stad Angora is de hoofdzetel van het Armenisch Katholicisme, dat in de omgeving 15.000 aanhangers telt. Over de gebeurtenissen in dit Wilajet, die eerst in den loop der maand Augustus plaats vonden, is het volgende bekend:

Einde Juli werden alle Armenische mannen van 15 tot 70 jaren, enkele grijsaards uitgezonderd, uit Angora weggevoerd. Zij werden, 6 à 7 uur van de stad verwijderd zijnde, bij het dorp Beiham Boghasi door Turksche benden, die naar het dorp waren uitgezonden, omsingeld en met schoppen, hamers bijlen en sikkels omgebracht, nadat van een groot aantal Armeniërs de ooren en neuzen waren afgesneden en de oogen uitgestoken. Het aantal slachtoffers bedroeg hier 500. De lijken bleven liggen en verpestten het geheele dal.

Eenige weken verder begon men de Roomsch-

pagina 153

Armenische bevolking gevangen te nemen, die, in twee groepen geplitst, de stad moest verlaten.

De eerste groep, waarbij ook de geestelijken waren, telde 800 personen, de tweede groep 700. Zij moesten dagelijks 10 à 12 uur loop en in de richting van Kaisarije en hadden brood noch geld. Waar zij gebleven zijn en wat er van hen is geworden, weet men niet.

De derde karavaan omvatte de vrouwen en kinderen uit de stad, die door een omroeper waren gewaarschuwd binnen 2 uren op het station te zijn. In der haast konden zij slechts weinig aan kleeren e.d. meenemen. Op het station aangekomen werden zij vier à vijf dagen in een graanpakhuis bijeengepakt en, honger en koude lijdende, aan de lusten der gendarmen overgeleverd. Toen men eindelijk geloofde dat deze opeengepakte menschenmassa wel vermurwd zou zijn, liet men bekend maken dat zij die den Islam zouden aannemen, mochten achterblijven; die zich daartoe bereid verklaarden, mochten naar hun woning terugkeeren. Dit waren ongeveer 100 gezinnen, zij moesten de verklaring onderteekenen dat zij geheel vrijwillig tot den Islam waren overgegaan en werden onder Mohammedaansche gezinnen verdeeld. De overigen werden met den trein naar Eskischeher en vandaar naar Konia getransporteerd. Ook de aan den spoorweg arbeidende Armeniërs werden gedrongen den Islamitischen godsdienst te aanvaarden. Velen gingen er toe over, anderen, die het weigerden, werden gedood.

In totaal zijn er in het Wilajet Angora ongeveer 6.000 Armeniërs vermoord.

pagina 154

In Kaisarije werden op 13 Juni 12 Armeniërs, die tot verschillende politieke partijen behoorden, ter dood veroordeeld. Reeds in den loop van de maand Mei had men 200 notabelen en Daschnakzagan gevangen genomen. Ook de Metropolitaan van Kaisarije werd in hechtenis genomen en ter dood veroordeeld. Priesters werden geslagen tot zij niet meer konden opstaan. De geringste aangifte was voldoende een geheel dorp gevangen te zetten. De plaatsen om Kaisarije: Indjesu, Tomardze, Fenesse en anderen werden in eenige uren tijds leeggehaald.

Het district Josgat had onder de 243.000 Mohammedanen, 29.000 gregoriaansche, 1.500 katholieke en 500 protestantsche Armeniërs. In Josgat werd bevel gegeven binnen 2 uren de stad te verlaten. Onderweg werden de mannen afgescheiden, de Turksche soldaten bonden de mannen met groepen van vijf tesamen, legden hen met de hoofden op omgehaalde boomstammen en sloegen hen daarna met een knuppel dood.

In Dewank, een half uur verwijderd van Talas, bij Kaisarije, hadden zich drie deserteurs verborgen, de eene in gezelschap van zijn vrouw. Tot straf werd de geheele bevolking weggevoerd en de eigendommen der bewoners verkocht. Alles, tot zelfs de schoentjes van kleine kinderen, werden in de kerk opeengestapeld, en later ten verkoop aangeboden. Artikelen die 100 piasters waard waren, gingen weg voor 5 piasters.

In Ewerik, 40 K.M. ten zuiden van Kaisarije, deed zich drie maanden voor de algeheele deportatie een incident voor dat echter van niet meer dan locale beteekenis was. In een huis vond een ont-

pagina 155

ploffing plaats. Een jong Armeniër, Kework genaamd, even voor het uitbreken van den oorlog uit Amerika teruggekeerd, had, zoo zeide men, een bom willen maken, waarbij hij zelf verongelukte. De jonge man overleed zes uren na de ontploffing. Een Duitsche, die destijds in Ewerik woonde, vertelde, dat de Kaimakan en zijn ambtenaren op verstandige wijze tewerk gingen. De Kaimakan een welwillend en verstandig man, liet eenige verdachte personen gevangen nemen, maar stelde niet de bevolking van de stad, die met het voorval niets had te maken, verantwoordelijk voor het gebeurde. Dit was echter niet naar den zin van den Mutessarif, die den Kaimakam afzette en een Tscherkes, Seki Beg genaamd, een waar onmensch, in zijn plaats benoemde. Deze kwam de stad binnen, ging met de zweep gewapend de huizen binnen, liet honderden menschen gevangen nemen, zoodat de gevangenissen weldra overvol waren en liet de gevangenen bovendien folteren. Niet alleen werden zij gestraft meteen bastonnade, maar de voeten der arme gevangenen werden met zwavelzuur overgoten en daarna in brand gestoken; de borst werd met gloeiende ijzers bewerkt. De Kaimakan liet den gevangenen die sprakeloos waren met tusschenpoozen van verscheidene dagen telkens opnieuw folteren, totdat zij stierven. Een transport van 14 personen, door den Kaimakam persoonlijk begeleid, liet hij onderweg neerschieten.

Fraulein Frieda Wolff-Hunecke, die het bovenstaande heeft medegedeeld, voelde zichzelve niet langer veilig in dit oord en wenschte naar Duitschland terug te keeren. De Mutessarif van Kaisarije wilde

pagina 156

haar echter geen verlof tot het vertrek geven, daar zij “het land met slechte indrukken zou verlaten.” Door bemiddeling van den gezant bereikte zij echter haar doel. Er waren toen zij vertok nog 640 Armeniërs in de gevangenis, van 30 hunner waren de voeten door stokslagen zoodanig verbrijzeld dat de ook gevangene doktoren niet wisten wat zij met de ongelukkigen moesten aanvangen, van velen hunner moesten de voeten worden afgezet daar al het vleesch van de knokken was weggeslagen. “Volgens mededeelingen van een betrouwbaar persoon”, aldus Frl. Wolff-Hunecke, “die zelf in de gevangenis geweest is, werden de voeten der gevangenen in den stok gezet; twee gendarmen aan de rechterzijde, twee aan de linkerzijde en twee aan het voeteneind staande, begonnen met stokken de voeten te vermorzelen, en wanneer de gefolterde bewusteloos werd, goot men hem een emmer koud water over het hoofd.” Een bekend, vroom priester heeft men drie dagen in zulk een toestand laten liggen, terwijl naast hem een jonge man aan de verwondingen was bezweken.

Het gebeurde in Ewerick, dat hierboven werd beschreven, is, naar betrouwbare personen hebben medegedeeld, het eenige geval geweest waarin een Armeniër werd aangetroffen met een bom.

De jonge man, die een oude bom trachtte te vullen, hetgeen hij met zijn eigen leven moest betalen, was een Armeniër, die noch met de bevolking, noch met eenige politieke organisatie in relatie stond.

pagina 157

Colofon