Marteling der Armeniërs in Turkije – derde deel

DERDE DEEL

HET KARAKTER DER GEBEURTENISSEN

De houding der Turken


Uit hetgeen wij in de voorgaande bladzijden hebben medegedeeld blijkt ten duidelijkste dat de deportatie van Armeniërs door niemand anders werd bevolen en doorgevoerd dan door de Centrale Regeering in Konstantinopel. Een zoo ingrijpende maatregel, waarbij een landsuitgestrektheid van 880.000 vierkante kilometers is betrokken, (Armenië, Kurdistan, Klein-Azië, Noord-Syrië en Mesopotamië), d.w.z. een gebied dat zoo groot is als Duitschland, Oostenrijk en Zwitserland tezamen, kan onmogelijk een toevallige en niet te ontdekken oorsprong gehad hebben.

In de Duitsche pers, die, bij gebrek aan eigen berichtgevers of correspondenten, aangewezen was op een meestal phantastisch zelfoordeel, is lang en breed gesproken over het in Armenië aangerichte bloedbad en de doorgevoerde deportaties, waarbij oorzaken ten grondslag lagen, die te vergelijken zijn met de Jodenvervolgingen in de Middeleeuwen. “De Ottomaan is argeloos en goeds-

pagina 193

moeds”, schrijft Graaf Reventlow in de Deutsche Tageszeitung, “hij is een uitnemend gebruiksvoorwerp totdat op een gegeven oogenblik hij als het ware omkeert en zich met geweld verzet tegen alles wat hem zou hinderen. Hoe zeer dergelijke eigenhulp, gezien vanuit het oogpunt der beschaving, ook te betreuren is, toch ligt het voor de hand dat de Armeniërs het minste recht hebben op het medelijden en de deelneming van de geheele beschaafde wereld”.

Natuurlijk is het den schrijver onbekend dat 80% der Armenische bevolking uit boeren bestaat, en dat die boeren het waren die bij de wegvoering het allereerst aan de beurt kwamen. Hebben die soms hun roofzuchtige buren, de Kurden, uitgebuit? Trouwens, alles wat in de Duitsche pers wordt medegedeeld omtrent karakter en beteekenis van den Armenischen handel, hetgeen dan nog meestal klakkeloos geschiedt zonder een zelfstandig oordeel, berust in hoofdzaak op een belachelijk spreekwoord, dat zoowel op Armeniërs, als op Joden en Grieken werd toegepast. De vooropgestelde meening, dat het bij de deportatie en uitmoording van het Armenische volk in de allereerste plaats ging om zelfverdediging bij den Turk, is zóó absurd, dat weerlegging thans gevoeglijk achterwege kan blijven.

Een betrekkelijk klein aantal binnenlandsche hoogstaande ambtenaren, zooals de wali van Aleppo Djelal Bey, de Wali van Smyrna Rachmi Bey, de Wali van Erzeroem Djelal Bey, de Mutessarif van Malatia, Nabi Bey en Reschid Pachja en vele andere districtshoofden hebben zich, met of zonder gevolg, tegen de wegvoering der Armeniërs verzet. De Turksche

pagina 194

bevolking die overal in vrede met de Armeniërs leefde, had zich meermalen gekant tegen de maatregelen van overheidswege genomen, en dikwijls bij de bevoegde macht geprotesteerd.

Zoo had de bevolking van Erzeroem een smeekschrift tot de Centrale regeering gericht. De Turken van Alaschkert hadden getelegrafeerd naar Konstantinopel om te protesteeren tegen de behandeling der Armenische bevolking. De Turken in Wan hebben hun Armenische medeburgers laten weten, dat zij niet anders dan gedwongen waren tot het nemen van maatregelen over te gaan en een protest van voorname Turken, gericht tot de regeering, werd eenvoudig verdonkeremaand. In onderscheidene streken van Nikodemiën had de bevolking getracht de deportatie der Armeniërs tegen te gaan. In Adabazar verzamelde zich aan het station een groot aantal Mohammedanen, teneinde het vertrek der Armeniërs te verhinderen.

Hetzelfde geschiedde in Mudania, waardoor het bevel werd ingetrokken. In een dorp, in den omtrek van Kaisarije, weigerden de Turken, die met de Armeniërs in de beste verstandhouding leefden, hen te laten gaan en zij vertelden den Kaimakam dat, indien de Armeniërs zouden worden weggevoerd, de Turksche dorpsgenoten met hen zouden gaan. Ook hier moest de Kaimakam het bevel voorloopig terugnemen.

Het gepeupel in de steden heeft zich vele malen aan de plundering der Armenische bevolking schuldig gemaakt, maar dit geschiedde om de welkome gelegenheid tot stelen die zich daarbij voordeed, en in geen geval uit haat jegens de Armeniërs.

pagina 195

De regeering gaf bij al die plunderingen een kostelijk voorbeeld door beslag te leggen op alle akkers, huizen en meubilair, om die later tegen spotprijzen te verkoopen.

Hetgeen geschiedt is, komt neer op een op grooten schaal doorgevoerde expropriatie van anderhalf millioen staatsburgers, die door hun taaie arbeidskracht en uithoudingsvermogen het meest hebben bijgedragen tot de kultuur en beschaving van het land.

De in Europa heerschende meening, dat de onderscheiden godsdienstige sekten- en rassengemeenschappen niet in vrede met elkaar konden leven, is volkomen onjuist.

De bevolking had reeds eeuwen achtereen in de beste verstandhouding geleefd. Evenals Christenen en Mohammedanen in Bosnië en Herzegowina vreedzaam bijeen wonen, kunnen ook de Arabieren en Syriërs, Armeniërs en Kurden, Turken en Grieken, Drusen en Maronieten in den besten vrede samenleven en samenwerken. De oude regeeringswijsheid van de Turksche Sultans bestond uit het: divide et impera, een stelling die, stringent doorgevoerd, het resultaat had dat de bevolking van Turkije langzamerhand tot op een vierde van haar oorspronkelijke zelfstandigheid werd teruggebracht.

De huidige maatregel van de Turksche regeering, waardoor het reeds weinig bewoonde land opnieuw aan een ontvolking bloot staat, is niet tot stand gekomen door ophitsing van het eene volksdeel tegen het andere, maar alleen door de regeering in Konstantinopel geboden.

Wij hebben in onze mededeelingen herhaaldelijk de bewering aangetroffen dat de Provinciale regee-

pagina 196

ring in hare wetgeving werd tegengewerkt of bevorderd door organen van een neven-regeering, die, hoewel niet verantwoordelijk, toch het karakter van een hoogere macht droeg. Die neven-regeering was niets anders dan het georganiseerde “Comité voor Eenheid en Vooruitgang” , hetwelk, evenals vroeger het spionagesysteem van Abdul-Hamid, de regeeringsmaatregelen in het binnenland ten uitvoer brengt. Deze organisatie is niet een partij in Europeeschen zin, zij bestaat uitsluitend uit politieke leiders en agenten, die geen volks massa achter zich hebben. Zij wordt slechts gevormd uit een aantal Turksche intellectueelen en hunne werktuigen. Voor de nederlaag der Turksche oppositie in 1912 had de tegenwoordige organisatie nog rekening te houden met den tegenstand van de zijde der aanhangers van het Oud-Turksche liberalisme.

Vanaf dien tijd echter bezit die organisatie de alléénheerschappij en zij zorgt ervoor dat bij de verkiezingen alleen aanhangers van het Comité worden gekozen. Een oppositie daartegen mist het Turksche parlement. Hoewel de regeering, daarin gesteund door militaire machthebbers, de onteigening en wegvoering der Armeniërs heeft bewerkstelligd, was feitelijk het Comité de ziel van al het gebeurde. Het zorgde ervoor dat alles naar wensch geschiedde en dat nergens eenige menschelijkheid of welwillendheid de te nemen maatregelen in den weg stond. In t bijzonder beijverde, het Comité zich om alle bruikbare elementen, Kurden roovers en ontslagen gevangenen in benden te vereenigen, als werktuig in de handen der Jong-Turksche clubs.

pagina 197

De Turksche bevolking is onvoorwaardelijk vrij te spreken van een beschuldiging als zou zij zich hebben vergrepen uit zelfverdediging aan haar Armenische medebevolking, waarmede zij in vrede leefde. Het behoeft echter niet uitdrukkelijk te worden vermeld dat de systematisch georganiseerde Kurdenhorden en gevangenisbenden, die op de gedeporteerden werden losgelaten, naar hartelust hun moorden roofzucht bot vierden. Het grootste aandeel in deze massacres komt echter niet op rekening van deze onwettelijke elementen, maar moet worden gesteld op rekening der regeering en van hare organen: de gendarmerie en de Turksche militie-troepen.

pagina 198

Het Armenische patriarchaat

Een samenzwering en dan nog wel een alle in Turkije wonende Armeniërs omvattende samenzwering laat zich niet improviseeren. Zij moet van een of andere zijde georganiseerd zijn, die alle draden door het groote rijk van de hoofdstad tot de Kaukasus en van de Zwarte Zee tot Cilicië en Mesopotamië in de hand had. De onderneming had te zorgvuldiger voorbereid moeten zijn, daar de oorlogstijd zonder beding het ongunstigste tijdstip voor een Armenische revolutie ware geweest. Het weerbare deel der mannelijke bevolking was voor het leger opgeroepen, de overige mannen, die werken konden, werden voor dienst op de wegen of voor het dragen van lasten gebruikt. Het land stond onder de krijgswet en het Turksche leger was gemobiliseerd. Ongeregelde troepen trokken door het land, de Mohammedaansche bevolking was gewapend, de Armenische ontwapend. Zouden de in de dorpen en steden achtergebleven vrouwen en kinderen, zieken en grijsaards en het kleine overschot der mannelijke bevolking, dat zich vrijgekocht had of als voor de dienst

pagina 199

ongeschikt achtergebleven was, een revolutie in elkaar kunnen zetten? Het zou de dwaasheid gekroond zijn geweest.

De kerkelijke organisatie van het Armeensche volk rust op oude staatsrechtelijke grondslagen, die sedert den tijd der verovering door de Turken niet zijn aangetast. Het patriarchaat vertegenwoordigt ook in de burgerlijke betrekkingen het Armeensche volk bij de Porte. Naast het patriarchaat staat als vertegenwoordigend lichaam de Armenische volksvergadering. Hoewel de vertegenwoordigers daarvan uit alle deelen van het rijk gekozen worden, is zij toch in wezen slechts een vertegenwoordiging van de bezittende klasse van Konstantinopel. Van haar 160 leden zijn reglementair 120 vertegenwoordigers der hoofdstad en 40 der provincie. Maar ook deze 40 vertegenwoordigers der provincie werden vanwege de moeilijke reisverbindingen met het binnenland, uit de intellectueelen van Konstantinopel gekozen. Het karakter van het patriarchaat met zijn kerkelijke organisatie en evenzeer het karakter van een op boven beschreven wijze samengestelde volksvergadering, is natuurlijk conservatief. Wanneer van de zijde der Armenische politici op de houding van het patriarchaat critiek werd uitgeoefend, dan lag deze altijd in die lijn, dat de patriarchen meer het karakter droegen van Ottomaansche staatsambtenaren dan van vertegenwoordigers des volks en dus de volksvergadering, ook waar het ging om belangrijke belangen van het Armeensche volk, te volgzaam en toegevend tegenover het heerschend régime was. De tegenwoordige patriarch was vóór zijn verkiezing bisschop

pagina 200

van Diarbekir en stond bekend als een voortreffelijk herder zijner parochiën. Hem was boven andere candidaten, die een meer politiek karakter hadden, de voorkeur gegeven, wijl men voor de vredesaera na den Balkankrijg meer aan de kerkelijke dan, aan de politieke taak van het patriarchaat dacht. Mgr. Sawen is, wat heel zijn karakter betreft, zoo ver verwijderd van een politiek intrigant als maar mogelijk is. Zwaar heeft hij onder het lot, dat zijn volk en kerk trof, geleden, evenwel is nooit de gedachte bij hem op gekomen tegen het gewelddadig optreden der regeering verzet te organiseeren. Alle in zijn macht liggende stappen heeft hij gedaan en hij heeft den ongelukkigen toestand van zijn volk gedurende den oorlog zóó lang in ernstige verzoeken aan het ministerie voorgedragen, tot zich de deuren voor hem toesloten en hij zich van de volkomen machteloosheid van zijn ambt overtuigen kon. Zelfs niet de geringste op de kerkelijke verzorging der gedeporteerden betrekking hebbende wenschen, b.v. het zenden van priesters naar de verbanningsoorden met de voor de vervulling der kerkelijke gebruiken noodzakelijke benoodigdheden, werden toegestaan. Hij moest het rustig mede aanzien, dat gelijktijdig met de vernietiging des volks de rechten van het patriarchaat buiten werking werden gesteld en de kerkelijke organisatie der Armeniërs te niet gedaan werd. De hier volgende lijst van kerkelijke waardigheidsbekleeders, die in den loop der massa-moorden en deportaties uit den weg werden geruimd, zegt meer van het lijden van het patriarchaat dan verdere uiteenzettingen, welke dan ook, zouden vermogen.

pagina 201

LIJST DER KERKELIJKE WAARDIGHEIDSBEKLEEDERS
1. Diarbekir: De Wartabed (Archimandrit) Tschekklarian – levend verbrand.
2. Ismid: De Aartsbisschop Hovagim – verbannen.
3. Armasch: De Bisschop Mesrop, abt van het klooster Armasch – verbannen.
4. Brussa: De Wartabed Taniklian – in de gevangenis gezet.
5. Kaisarije: De Bisschop Behrigian – in de gevangenis gezet.
6. Siwas: De Bisschop Knel Kalzmskrian – vermoord.
7. Urfa: De Wartabed Kasparian – verbannen.
8. Distrit Schabin - Karahissar: De Wartabed Torikian – opgehangen.
9. Samsun: De Wartabed Hammazasz – weggevoerd.
10. Trapezunt: De Wartabed Turian – in de gevangenis gezet.
11. Baiburt: De Wartabed Hazarabedian – opgehangen.

pagina 202

12. Kemach: De Wartabed Hemayak – weggevoerd.
13. Kharput : De Wartabed Korenian – vermoord.
14. Tscharsandjak: De Wartabed Nalbandian – opgehangen.
15. Aleppo: De Bisschop Nerses Danielian – weggevoerd.
16. Bitlis: De Wartabed Kalenderian – weggevoerd.
17. Erzeroem : De Bisschop Saadedian – vermoord.

Van de kerkelijke waardigheidsbekleeders uit de overige parochiën ontbreken nadere berichten. Van 17 prelaten werden 7 gedeporteerd, 3 gevangen genomen, 3 opgehangen, 3 vermoord en 1 levend verbrand. Het lot van de overigen zal niet veel beter geweest zijn.

Gedwongen bekeeringen tot den Islam

Een karakteristiek verschijnsel, dat zich ten tijde van de moordpartijen van Abdul Hamid van 1895/1896 en gedurende de Cilicische massa-moorden van 1909 op dezelfde manier afgespeeld heeft, zijn de massa-bekeeringen tot den Islam, die, natuurlijk, al werden ze daarvoor ook uitgegeven, niet vrijwillig waren

pagina 203

Men ontmoet vaak de meening, dat de dwangbekeeringen niet als Christenvervolgingen kunnen worden beschouwd, omdat ze politieke doeleinden hebben, in dit geval de verturking der niet-Turksche onderdanen van Turkije. Men moet echter wel een slecht kenner der kerkgeschiedenis zijn, wanneer men zou aannemen, dat er ooit Christenvervolgingen zijn gevoerd, die geen politiek doel nastreefden. Het misbruik van den godsdienst voor politieke doeleinden is de wortel en het wezen van alle godsdienstige vervolgingen. Daarom zal men ook in dit geval niet kunnen bestrijden, dat de gedwongen bekeeringen tot den Islam alle kenteekenen eener Christenvervolging dragen. Onder welke omstandigheden hadden toch die gedwongen bekeeringen plaats?

De eenige mogelijkheid om aan de deportatie te ontkomen was in vele gevallen de overgang tot den Islam.

Daar deportatie meestal hetzelfde beteekende als massa-moord en voor het minst de mannen, zoodra zij op weg waren, een zekeren dood tegemoet werden gedreven, de jongere vrouwen en de meisjes van tien jaar en daarboven er op rekenen moesten in Turksche harems en Kurdendorpen binnengesleept te worden, waar ze natuurlijk tot den Islam moesten overgaan, lag de verzoeking voor de hand, door aanvaarding van den Islam aan dood en schande te ontkomen. Uit alle wilajets zijn er berichten afkomstig, dat de Turksche overheden zelf dezen uitweg aanboden en dat in den regel alle Christenen, die zich bereid verklaarden tot den Islam over te gaan, van deportatie en moord verschoond bleven. Er werden ook andere dwangmiddelen toegepast om den overgang tot den

pagina 204

Islam te bewerkstelligen, b.v. uithongering of bedreiging met den dood. Om het karakter der gedwongen bekeering verborgen te houden werden zeer dikwijls aan de bekeerlingen stukken voorgelegd, op welke zij door hun onderteekening te betuigen hadden, dat zij vrijwillig waren overgegaan. Na den massa-moord van Adana in het jaar 1909 was de regeering onder den druk der Europeesche mogendheden genoodzaakt geworden, den terugkeer der aldus tot bekeering gedwongen Christenen te bevelen en zelfs op het achterhouden van Christelijke kinderen in Mohammedaansche huizen een straf te stellen. Van daar, dat men zich moeite gegeven heeft het dwangkarakter van den overgang zooveel mogelijk te verbergen en door stelselmatige uithuwelijking van Christelijke meisjes en vrouwen aan Mohammedaansche mannen, ja, zelfs door gedwongen uitruiling van vrouwen tusschen Christenen en Mohammedanen den terugkeer tot de Christelijke belijdenis bij voorbaat te verijdelen. Op schandelijke wijze werden ook vele jonge Armenische vrouwen, wier mannen in het Turksche leger dienden, door deze afwezigheid gedwongen met Mohammedaansche mannen te huwen. De Mohammedaansche veelwijverij veroorlooft het dergelijke maatregelen op groote schaal uit te voeren. De mannen, die tot den Islam overgingen, werden besneden en kregen Mohammedaansche namen.

Karakteristieke voorbeelden, waarvan er eenige reeds in onze mededeeling van de feiten vermeld werden, mogen het bovengenoemde toelichten.

In Samsun, de voornaamste kustplaats aan de Zwarte Zee, heeft de Mutessarif (regeeringspresident)

pagina 205

de voornaamste Armeniërs der stad te eten genoodigd en hen aangemaand tot den Islam over te gaan. Op den dag, waarop het bevel tot deportatie gegeven werd, trok men in de stad Samsun om de Christelijke en Mohammedaansche stadswijken een cordon, en werd door een omroeper bekend gemaakt, dat wie den Islam aannam, daar blijven kon. Degenen, die daartoe bereid waren, konden het cordon passeeren, de overigen werden gedeporteerd.

In Meraiwan werd gedurende de toebereidselen tot de deportatie bekend gemaakt, dat, wie den Islam aannam, deportatie zou ontgaan en vreedzaam tehuis zou mogen blijven.

De bureaux van de ambtenaren, die van de verzoeken proces-verbaal opmaakten, waren vol lieden, die tot den Islam wilden overgaan. Zij deden het ter wille hunner vrouwen en kinderen, in de veronderstelling, dat het slechts een kwestie van tijd was, waarna terugkeer voor hen weer mogelijk zou worden.

In Zile trachtte men de vrouwen en kinderen, nadat men de mannen gedood had, door honger gedwee te maken. Dagen lang liet men ze in het vrije veld zonder voedsel. Toen men bij den oproep tot den Islam over te gaan, van alle vrouwen vastberaden tegenstand ontmoette, stak men met de bajonet de moeders neer voor de oogen harer kinderen. Duitsche Roode Kruis-zusters berichten, dat in Gemerek 30 der knapste jonge vrouwen en meisjes bijeen gebracht waren en voor de keuze gesteld werden: “Of gij wordt Mohammedaansch, of gij sterft!” Op het antwoord: “Dan sterven wij,” werd naar den Wali in

pagina 206

Siwas getelegrafeerd, die den raad gaf deze meisjes en vrouwen, waarvan er vele in Amerikaansche scholen zijn opgevoed, onder de Mohammedanen te verdeelen.

Dergelijke voorbeelden worden uit alle wilajets gemeld. Dikwijls werd de overgang van enkelen afgewezen en verlangd, dat zich minstens honderd tegelijk bekeeren moesten, wilde men van deportatie verschoond blijven. Hier en daar werd de overgang wel is waar door de overheid aangenomen, maar de wegzending volgde ondanks dat toch.

Nauwkeuriger berichten zijn beschikbaar uit de kuststeden der Zwarte Zee.

Bloedverwanten en vrienden in Konstantinopel van Armeniërs uit de provincie ontvingen ten tijde van de wegvoering uit Trapezunt, Samsun, Unjek, Ordu, Amasia en andere steden telegrammen, die luidden: “Hak dini kabul etdik”, (wij hebben het ware geloof aangenomen). Brieven en briefkaarten kwamen van de post terug met de aanmaning, als adres in plaats van den vroegeren Christelijken naam den nieuwen Mohammedaanschen naam te schrijven. Uit Samsun kwamen afzonderlijk de volgende adresveranderingen:

Mihran Dawidjan heet Dáud Zia. Agob Gjidschian heet Osman Zureya. Garabed Kilimedschian heet Hodi Efendi. Howsep Dawidjan heet Zia Tutuoglu. Uit Unjeh: Tschakarian en Zonen heeten Schakir-Zadeh Fehmi we Machdumlar. Kazarjan heet Abdul Medschid. Een zekere Tschakirian van Ordu telegrafeerde

pagina 207

aan zijn broeder: “Ik heb het ware geloof aangenomen, ik bid u, doe hetzelfde. Uw broeder Mehemed”. Hetzelfde telegrafeerde hij aan zijn zoon met de onderteekening Schakir-Zadeh.

Toen de koopman Harutiun Torikian, een Protestant, aangemaand werd Mohammedaan te worden, gaf hij ten antwoord: “Jong heb ik geloofd, zal ik nu, waar ik oud geworden ben, verloochenen? Voor dit uur heb ik geleefd.” Hij werd weggevoerd en gedood. Evenals hij hebben velen duizenden dood of verbanning gekozen boven afval van het Christendom.

Het aantal der gedwongen of onder den druk der overheid en van den noodtoestand plaats gehad hebbende bekeeringen, zal eerst na den oorlog te berekenen zijn, wanneer uit alle Turksche gebieden informaties kunnen worden ingewacht. Tot op heden zijn slechts opgaven uit de kuststeden van het Wilajet Trapezunt ter beschikking. Zoo werden in de stad Trapezunt 200, in Kerasunt 160, in Ordu 200, in Samsun 150 gezinnen tot overgang naar den Islam gedwongen. In Arabkir moet zich de geheele bevolking door overgang tot den Islam van de dreigende deportatie onttrokken hebben. Uit het Wilajet Karput zijn er berichten, dat daar het aantal gedwongen bekeeringen buitengewoon groot is. Ook de Amerikaansche consul in Karput neemt aan, dat alle daar nog gebleven vrouwen en kinderen gedwongen zijn geworden den Islam te omhelzen.

Voor gedwongen bekeerlingen heeft men ook de jonge vrouwen en jonge meisjes te houden, die naar Turksche harems of Kurdendorpen zijn gevoerd.

pagina 208

Uit alle berichten, die den toestand der karavanen beschrijven, welke uit het noorden naar het zuiden gehaald zijn, blijkt, dat tot de kinderen beneden tien jaar, alle jonge meisjes onderweg verdwenen en ook van de jongere vrouwen de meerderheid geroofd geworden zijn. In de steden, die men doortrok, heeft men, gelijk herhaaldelijk bericht werd, de Mohammedaansche bevolking gelegenheid gegeven, zich de schoonste van de meisjes uit te zoeken, ja zelfs na door artsen haar waarde te hebben laten onderzoeken. De kinderen werden of door de gendarmen verkocht, of door de moeders weggegeven, om hun leven te redden. De karavanen der gedeporteerden waren wandelende slavenmarkten. Vele vrouwen en meisjes, hebben zich aan haar schande door den dood onttrokken.

Eenige heldhaftige gevallen werden verteld, o.a. dat vrouwen in het water sprongen of zich het leven benamen om niet onteerd te worden of den Islam te moeten omhelzen.

Een Armeniër stak met eigen hand zijn huis aan en liet zich met zijn gezin verbranden, opdat zij niet onteerd of tot overgang gedwongen zouden worden.

Een kijkje op de wijze, hoe vrouwen en kinderen tot den Islam werden gebracht, geeft het bericht der Armeensche weduwe uit Baiburt op blz. 67-69. Zij kwam een trein van 50 tot 60 wagens tegen met 30 Turksche officiersweduwen, waarvan een zich de grap veroorloofde met een revolver de eersten de besten Armeniër neer te schieten. Ieder van die Turksche vrouwen had 5 of 6 Armenische meisjes van 10 jaren of daarbeneden bij zich. De Armeensche

pagina 209

weduwe kan haar dochters voor hetzelfde lot slechts bewaren door zich bereid te verklaren met haar dochter tot den Islam over te gaan. Zij werd mede op de wagen geplaatst en onmiddellijk veranderde men haar Christelijken naam in het Mohammedaansch en begon men haar in de Mohammedaansche gebruiken te onderrichten.

De druk, die op de Christelijke bevolking werd uitgeoefend, om haar te bewegen den Islam te omhelzen, had nergens plaats van de zijde der Mohammedaansche bevolking; ja zelfs niet eens van de Mohammedaansche geestelijken, doch uitsluitend van de zijde der regeering. Het waren vooral de autoriteiten, die er naar streefden, de bekeeringen tot den Islam den schijn van vrijwilligheid te geven. Door een vertrouwelijke beschikking van de keizerlijke Ottomaansche regeering werd aan de plaatselijke overheid in het binnenland bevolen de overgeblevenen van het Armeensche volk er toe te brengen, dat zij een schrijven zouden teekenen, waarin om de bijzondere genade gesmeekt werd tot den heiligen godsdienst van den Islam te mogen overgaan. Alle die weigerden zouden gedeporteerd worden.

Het aantal der Armenische en Syrische Christenen, die tijdens de verschillende deportaties gedwongen werden den Islam aan te nemen, zal voor het einde van den oorlog met geen benadering vast te stellen zijn. Men moet het echter voor zeer aanzienlijk houden, daar alle geroofde meisjes, vrouwen en kinderen door de Turken zonder meer als Mohammedanen werden behandeld.

In de steden en dorpen werden na de verdrijving

pagina 210

der Armeniërs de Christelijke kerken in moskeeën veranderd of voor andere doeleinden gebruikt. In Termeh, tusschen Samsun en Unjeh, werden na de verandering der kerk in een moskee de Armenische priesters bij wijze van bespotting in een turban gewikkeld. Toen moest hij het Mohammedaansche gebed uitspreken en er een Mohammedaansche godsdienstoefening houden.

In Erzeroem werd ook de roomsche kerk in een moskee veranderd.

In Erzingjan maakte men van de Armenisch-Gregoriaansche kerk een openbare privaat. In Hasni-Manzur werd de kerk geplunderd en de kelk in het privaat geworpen. De gendarmen trokken de gewaden der geestelijken aan en bedienden onder godslasteringen de mis. De priester werd in de gevangennis geworpen en gefolterd.

In Angora werd de verjaardag van den sultan gevierd met de besnijdenis van 100 (meest roomsche) knapen, allen gedwongen bekeerlingen.

Naar de jongste berichten luiden, zijn in het jaar 1917 vele duizenden vrouwen en grijsaards uit de concentratie-kampen vrijgelaten tot arbeid aan de wegen in Mesopotanië, nadat zij te voren gedwongen waren een bewijs te teekenen, dat zij vrijwillig tot den Islam overgegaan waren.

Bovenstaande feiten zullen voor diegenen, die den laatsten tijd de verdraagzaamheid van den Islam niet genoeg konden roemen, een wreede ontnuchtering zijn.

pagina 211

REISAANTEEKENINGEN VAN EEN DUITSCH SPOORWEGBEAMBTE 1)

Van den 28sten Juli tot den 20sten Augustus maakte ik een reis naar Marasch. Te Beschgös, tusschen Killis en Aintab, hadden de bewoners van het dorp het druk over de verdrijving der Armeniërs die den volgenden dag te Aintab beginnen zou. Een welgekleed persoon mengde zich in de conversatie. Hij zag er uit als een Tcherkes in zijn half civiele, half militaire uniform. Hij vroeg: “Uit welke wijk van de stad vertrekken zij? Welken weg zullen zij volgen? Wat zijn het voor soort lieden? Hebben zij eenige bezittingen?” Toen een der aanwezigen hem vroeg of hij een civiel of een militair was, antwoordde hij lachend: “Is er een betere gelegenheid dan deze om militair te worden?” Dit grove personnage had een les verdiend, die hij niet gauw vergeten zou hebben. Maar ik hield mij in en zweeg; hem te behandelen zooals hij verdiend had zou een Duitscher tot oneer gestrekt hebben. Op mijn terugreis hoorde ik dat de eerste gedeporteerden van Aintab, die bijna allen tot de gegoede klassen behoorden, volkomen uitgeplunderd waren, wat mij van verschillende kanten verzekerd werd en door de autori-

1) Uit het bericht zijn eenige politieke zinspelingen weggelaten.

pagina 212

teiten bevestigd, met wie bovengenoemd twijfelachtig personnage zeer zeker in verband stond.

Te Karaböjuk, tusschen Aintab en Marasch, ontmoette ik 40 vrouwen en kinderen, en 5 of 6 mannen. Vóór hen uit, ongeveer op een afstand van 200 meters, liepen een honderdtal nieuw aangeworven soldaten. Onder de vrouwen bevond zich een jong meisje, dat gedurende verscheidene jaren gouvernante bij eene Duitsche familie geweest was; zij was nauwelijks hersteld van een ernstige typhus. De vrouwen wilden dat meisje en een jonge vrouw, wier man soldaat te Damas was, absoluut dien nacht bij zich hebben. Mohammedaanschne muildierdrijvers moesten tot drie keer toe die vrouwen verdedigen, en de mannen tegenhouden.

Den 6den Augustus werd het Armenische dorp Fundaschak bij Marasch, met zijn 3.000 inwoners totaal verwoest. De bevolking, die bijna uitsluitend uit muildierdrijvers bestond, had de laatste drie maanden een groot aantal Armeniërs naar de Euphraat moeten vervoeren. Zij hadden met eigen oogen de lijken in de rivier gezien, en waren getuigen geweest van den verkoop van vrouwen en jonge meisjes, en van de geweldadigheden waaraan deze blootstonden.

In een Amerikaansche school te Marasch, heb ik meer dan 100 verminkte vrouwen en kinderen gezien, wien armen of beenen afgehouwen waren, of op andere wijze verminkt waren, waaronder kinderen van één en twee jaar.

Den 14den Augustus werden er te Marasch 34 Armeniërs gefusilleerd; daaronder waren twee kin-

pagina 213

deren van twaalf jaar. Den 15den Augustus werden er 24 gefusilleerd, en 14 werden er later opgehangen. De 24 gefusilleerden werden aan elkander bevestigd door een zwaren ketting om de hals. In tegenwoordigheid van de Mohammedaansche bevolking, werden zij achter het Amerikaansche college terecht gesteld. Ik heb met eigen oogen gezien hoe stuiptrekkende stervenden, om nog niet van lijken te spreken, overgeleverd waren aan de mishandelingen van een barbaarsche bevolking; men trok hen aan handen en voeten, en om de Mohammedaansche menigte te amuseeren schoten de agenten van politie en de gendarmen een half uur lang hun revolvers af op de vreeselijk verminkte lijken.

Op den weg van de stad naar onze hoeve, heb ik bij de huizen op een mesthoop een menschenhoofd gezien, dat tot mikpunt diende der Turksche kinderen. Gedurende mijn verblijf in Marasch werden er dagelijks Armeniërs door de burgers afgeranseld, en hun lijken bleven heel den dag in het riool, of waar ook, liggen.

Te Marasch zeide Kadin Pascha mij: “Ik weet dat in de streken van het 4de leger, op bevel van de autoriteiten, heel de manlijke bevolking gedood is.”

Den 20sten Augustus 1915, 's avonds om 6 uur, werd er te Marasch aangekondigd, op bevel van den wali van Adana, dat tegen Zaterdag twaalf uur de mannelijke bevolking boven vijftien jaar, zegge 5 à 6.000 mannen, zich buiten de stad gereed moest houden om te vertrekken. Een ieder die na twaalf uur in de stad werd aangetroffen, zou zonder verdere formaliteiten worden afgemaakt. Iedereen wist wat dit

pagina 214

bevel van de overheid beteekende, en wij doorleefden uren van een vreeselijke paniek. Op het laatste oogenblik werd het bevel van den wali gewijzigd, dank de tusschenkomst van den zeer humanen gouverneur van Marasch, in dien zin, dat de mannen met hun gezinnen vertrekken mochten. Den 28sten Augustus had de wali nog de kerkelijke autoriteiten laten roepen om hun te verzekeren dat de Armeniërs niet weggejaagd zouden worden. Zonder eenige voorbereidselen te hebben kunnen maken, moesten deze ongelukkigen het bevel gehoorzamen.

In het dorp Böveren, bij Albistan, werden alle inwoners, 82 in getal, gedood; een kind van twaalf jaar dat in het water sprong, werd gered.

In de buurt van Zestaan werden de bewoners van een dorp waar de pokken heerschte, ontvoerd. De pokkenlijders, waarvan er verscheidene blind waren door de pokken, werden te Marasch naar khans gebracht, waar reeds gedeporteerden van andere streken waren. Te Marasch zag ik een karavaan van ongeveer 200 personen waaronder verscheidene blinden. Een vrouw van ongeveer 60 jaar hield een meisje op den arm, dat lam geboren was. Allen gingen te voet. Na een uur loopen viel een man dicht bij de brug van Erkeness; hij werd beroofd en gedood. Vier dagen later, zagen wij zijn lijk nog in de sloot.

Gisteren avond maakte ik een visite bij een kennis. Een moeder met haar kind, die uit Siwas verjaagd waren, logeerden er; het waren de overlevenden van een familie van 26 personen, die drie maanden geleden uit Siwas verjaagd waren en onlangs te Marasch waren aangekomen.

pagina 215

[?] aan boomen vastgebonden en in brand gestoken.

Gedurende den exodus van Gürün riepen de mollah's van de hooge daken der Christelijke kerken de Muzelmannen tot het gebed op. Een ooggetuige vertelde nog van den twist van twee broeders in de buurt van Airan-Punar over de buit. De een zeide aan den ander: “Voor die vier pakken heb ik 40 vrouwen gedood.”

Een Muzelman, Hadji genaamd, dien ik sinds verscheidene jaren te Marasch gekend had, vertelde mij het volgende: “Te Nissibin bevond ik mij met muildierdrijvers in een khan, waarvan de deuren gesloten waren; verschillende jonge vrouwen uit Farnus werden er dien nacht verkracht door de gendarmen, die de karavaan vergezelden en ook door civielen.” Te Aintab zeide een Mohammedaansche Agha in mijn bijzijn, op het bureau van politie tegen een Armeniër: “Hier en daar zijn brieven gevonden. Wat heb je met die kwestie uit te staan? Ik heb je al dikwijls gezegd dat je Muzelman moest worden; als je naar mijn raad geluisterd had, zou je volk al de onaangenaamheden misgeloopen zijn, waaraan het thans is blootgesteld.”

Van de 18.000 gedeporteerden van Karput en Siwas, kwamen 350 vrouwen en kinderen te Aleppo aan, en van de 19.000 uit Erzeroem, één ziek kind, 4 jonge meisjes en 6 vrouwen. Een karavaan van vrouwen en jonge meisjes moest den weg van Ras-el-Ain naar Aleppo, 65 uren langs den spoorweg, te voet afleggen, hoewel de treinen die voor het vervoer van troepen dienden, leeg terug kwamen. Mohammedaansche reizigers, die dezen weg gevolgd

pagina 216

hebben, vertellen dat de weg onbegaanbaar is door het kolossale aantal lijken dat er langs beide kanten van den weg ligt en daar een verpestende stank verspreidt. Van degenen die te Aleppo verblijven, zijn er tot nu toe 100 à 200 gestorven tengevolge van de vermoeienissen van de reis. Als de uitgehongerde en uitgemergelde vrouwen en kinderen te Aleppo aankomen, vallen zij als beesten op het voedsel aan. Maar bij de meesten werken de inwendige organen niet meer, zoodat zij na een paar happen de lepels weg werpen. De overheid heeft beweerd dat er voedsel verstrekt werd aan de gedeporteerden: de bovengenoemde karavaan uit Karput heeft in drie maanden tijd maar één maal brood gekregen.

Niet alleen dat de overheid niet de minste zorg draagt voor deze ongelukkigen, maar zij laat ook toe dat zij van alles beroofd worden. Te Ras-ul-Ain is een karavaan van 200 vrouwen en jonge meisjes aangekomen die totaal naakt waren; schoenen, hemd, alles was hun ontnomen, en vier dagen lang had men hen naakt aan een zonnewarmte van 40° in de schaduw blootgesteld aan de spot en geestigheden van de soldaten die hen vergezelden. M... vertelde dat hij een stoet van 400 vrouwen en kinderen in denzelfden toestand gezien had. Als de ongelukkigen een beroep deden op het gevoel van medelijden der ambtenaren, werd hun geantwoord: “Wij hebben het formeele bevel gekregen om u aldus te behandelen.”

In het begin werden te Aleppo de dooden in kisten, door de Armenische kerk verschaft, naar het kerkhof gebracht. Dragers belastten zich er mee en kregen 2 piasters voor iederen doode. Toen er geen

pagina 217

dragers genoeg waren, brachten de vrouwen zelf hun dooden naar het kerkhof; kleine kinderen werden op den arm gedragen, grooteren op een zak die vier vrouwen aan de punten vasthielden. Ik heb dooden gezien die op die wijze op een ezel geladen, naar hun laatste rustplaats vervoerd werden. Een kennis van mij heeft een lijk aan een stok bevestigd gezien, die door twee mannen gedragen werd. Een ander heeft een ossenwagen vol lijken de richting van het kerkhof zien opgaan. De kar met twee wielen kon de nauwe poort van het kerkhof niet door. De vrachtrijder keerde zijn kar om en leegde den inhoud; daarop sleepte hij de dooden aan armen en beenen naar de kuil. Soms kwamen er vijf of zes karren per dag aan. Op een Zondag heb ik in een khan, die als hospitaal dienst deed, 30 lijken gezien op een plaats van 20 meters breed en 40 lang. Men had er dien dag reeds een twintig begraven. Die 30 lijken bleven er tot den avond. Mijn vrouw liet ze in de duisternis begraven en gaf iederen drager daarvoor ± een rijksdaalder. De lijken waren reeds in zulk een staat van ontbinding, dat de huid van het lijk aan de handen van de dragers bleef kleven. Onder de brandende zon waren ongeveer 1000 lijken, stervenden en zieken opeengehoopt.

Het was een afschuwelijk schouwspel dat ik te voren nooit gezien had, zelfs dien zomer in Marasch niet, toen ik getuige was geweest, zooals ik verteld heb, van de terechtstelling van 24 Armeniërs.

De ongelukkigen leden bij na allen aan diarrhee. Er waren gootjes in de plaats gegraven waar de stervende lagen, met den rug naar het gootje, om de

pagina 218

uitwerpselen op te vangen. Als er een stierf werd zijn plaats dadelijk door een ander ingenomen. Dikwijls werden menschen die nog teekenen van leven gaven voor dood naar het kerkhof gebracht; zij werden dan apart gezet tot de dood zijn werk voleindigd had. Een jong meisje kwam zoo spoedig bij, dat men haar naar de stad kon brengen en een man, die den vorigen avond begraven was, vond men den volgenden dag op zijn graf gezeten; in de haast had men hem slechts met weinig aarde bedekt. Te Tel-Abiad heeft X. open graven gezien met 20 à 30 lijken; als de kuil vol was, wierp men er eenige schoppen aarde op. X. zeide dat de stank zoo ontzettend was dat men onmogelijk in de buurt kon blijven; en dicht bij het kerkhof kampeerden de vluchtelingen. Van de 35 weezen die naar een kamer gebracht werden, stierven er in een week te Alem 30, bij gebrek aan zorg. X. vertelt dat hij op zijn terugreis onderweg overal lijken gezien heeft; een Kurd had er zich tegenover hem op beroemd, dat hij 14 kinderen gedood had.

Zondag den 12den Augustus 1915 had ik iets te doen aan een station tusschen Damascus en Aleppo, en zag ik hoe duizend vrouwen en kinderen in beestenwagens opgepropt waren.

Bij ons in Duitschland hebben de dieren recht op meer plaats dan dien ongelukkigen werd toegestaan. 90% van die stakkers waren reeds door den vinger des doods gemerkt. Er waren lieden onder, die men waarlijk den tijd niet liet om te sterven. Den vorigen dag had men een karavaan getransporteerd; den volgenden morgen vond men twee kinderen die onder

pagina 219

het “laden” bezweken waren en wier lichamen in den wagen waren blijven liggen.

Den 13den September 1915 werd een telegram voorgelezen van den commandant van het 4e leger Djemal Pascha van den volgenden inhoud:

Al de fotografieën door ingenieurs of andere ambtenaren aan de spoorlijn van Bagdad genomen van de Armenische karavanen, moeten binnen 48 uren met de clichés afgeleverd worden aan het militaire bureau van de spoorlijn van Bagdad te Aleppo. Iedere ontwijking van dit bevel zal door den krijgsraad vervolgd worden.

Soms heb ik vrouwen en kinderen in hoopen vuil overblijfselen van voedsel zien zoeken, die gulzig verslonden werden. Ik heb kinderen aan beenen zien knagen, die zij in hoeken gevonden hadden, waar de voorbijgangers hun natuurlijke behoeften deden.

Tusschen Marasch en Aintab wilde de Mohammedaansche bevolking brood en water geven aan een karavaan van 100 gezinnen; maar de soldaten, die de karavaan begeleidden, verzetten er zich tegen. 4/5 van de gedeporteerden zijn vrouwen en kinderen; het grootste deel der mannen heeft in het leger dienst moeten nemen.

20.000 gedeporteerden, die Marasch passeerden, mochten zich niet direct naar Aintab begeven, noch zich van voedsel voorzien, hoewel de weg in een rechte lijn naar Aintab voert.

Te Ras-ul-Ain zijn slechts 1.500 vrouwen en kinderen over van de duizenden, die met hun mannen uit Karput en omstreken zijn weggevoerd. Onder deze 1.500 menschen is er geen enkele jongen

pagina 220

of man meer boven de 10 à 12 jaar. Zonder ook maar eenigszins tegen de zon beschut te zijn, zijn gezonden zoowel als zieken aan een hitte van 43° C. (in de schaduw) van 's morgens vroeg tot s avonds laat blootgesteld, en overgelaten aan de grillen van de soldaten die hen bewaken. De heer L. die verleden maand tegen mij sprak van “het Armenische canaille”, zeide letterlijk: “Ik ben niet gauw aangedaan, maar sinds wat ik te Ras-ul-An gezien heb, kan ik mijn tranen niet meer inhouden. Ik dacht niet dat in onzen tijd zulke middelen en zulke schandelijke gewelddadigheden, die heel de menschheid schande aan doen, nog mogelijk waren.”

Een Tschausch (wachtmeester) Suleiman genaamd, maakte zich meester van 18 vrouwen en kinderen die hij aan Arabieren overleverde voor 4 à 5 gulden. Een Turksche commissaris zeide nog: “Wij weten absoluut niet meer hoeveel vrouwen en jonge meisjes door de Arabieren en Koerden meegevoerd zijn, kwaadschiks of op bevel van de autoriteiten. Ditmaal is onze arbeid met de Armeniërs naar wensch geslaagd; van de tien is er geen enkele in leven gebleven.” Terwijl ik deze regels neerschrijf, komt mijn vrouw van een boodschap in de stad terug en vertelt mij onder tranen dat zij een karavaan van meer dan 800 Armeniërs is tegengekomen, barrevoets en met gescheurde kleeren, die zich voortsleepten met kleine kinderen, of het weinige dat hun overbleef, op de schouders.

Te Besne werd heel de bevolking van 1.800 zielen, vooral vrouwen en kinderen, verjaagd; er werd gezegd dat zij naar Urfa vervoerd zouden worden. Aan

pagina 221

de Göksü, een zijrivier van de Euphraat, moesten zij zich uitkleeden; daarop werden zij vermoord en in de rivier geworpen.

Onlangs zag men 170 lijken in de Euphraat drijven, een anderen dag 50 of 60. De heer K., een ingenieur, zag er 40 op zijn tocht. De lijken aan den oever waren door honden verscheurd; op zandbanken in den stroom deden de gieren er zich aan te goed.

De 800 Armeniërs, die wij hierboven noemden, waren uit de omstreken van Marasch verdreven. Men had hun gezegd dat zij naar Aintab vervoerd zouden worden en dat zij voor twee dagen levensmiddelen moesten meenemen. Toen men Aintab naderde, werd hun gezegd: “wij hebben ons vergist, wij gaan naar Nissibin”; De overheid voorzag hun niet van levensmiddelen en men had hun de gelegenheid niet gegeven om ze te koopen. Te Nissibin zei de men hun: “wij hebben ons vergist, wij moeten naar Membidj”. Daar zeide men hun op nieuw: “wij hebben ons vergist, wij moeten naar Bab”... enz. Zoo doolden zij 17 dagen rond, aan de grillen van de soldaten die hen begeleiden, overgelaten. Al dien tijd verschaften de autoriteiten hun geen voedsel en moesten zij al wat zij bezaten, langzamerhand in ruil geven voor wat brood.

Een vrouw ontnam men met geweld haar oudste dochter. Wanhopend nam zij haar twee andere kinderen bij de hand, en wierp zich met hen in de Euphraat.

Saïd, uit Tripoli uitgeweken, sinds vier jaar palfrenier bij den heer L., met een maandelijksch loon van 40 gulden, nam dienst als volontair om, zooals

[paginna 222

hij zeide, op zijn beurt ook eens eenige Armeniërs te kunnen afmaken. Als belooning beloofde men hem een aardig huisje in een Armenisch dorp, in de buurt van Urfa.

Twee Tcherkessen bij den administrateur E. namen om dezelfde reden dienst als vrijwilliger.

Het hoofd van een Tcherkessische colonie, Tschordekli, zeide aan een van mijn kennissen van de vrijwilligers uit die plaats: “Ew jikmak itschun giderler.” (Die vertrekken om gezinnen te verwoesten.)

Te Biredjik zijn de gevangenissen over dag stampvol, en 's nachts worden zij opengezet. Tell Armen, een dorp van 3000 inwoners, werd onverwacht aangevallen; de inwoners werden vermoord; dooden en levenden werden in putten geworpen of verbrand. De majoor van Mikusch was getuige van deze verwoesting. Een chef van een Duitsch bataillon zag tusschen Diarbekir en Urfa langs beide kanten van den weg lijken met afgehouwen hoofd. De heer S. zag onderweg ook ontelbare kinderlijken.

Den 5den October 1915 kwam de heer M. van Nuss Tell terug en vertelde het volgende:

“Tusschen Tell Abiad en Kultepe heb ik aan den weg, op zes verschillende plaatsen, naakte vrouwenlijken gezien; verderop een naakt vrouwenlijk met verminkte voeten en het lijk van een vrouw dat nog gekleed was; weer verder dat van twee kinderen; dan een groot jong meisje en naast haar een dood kind en een doode geknevelde vrouw, in het geheel 18 lijken. Op één na waren de vrouwen geheel naakt en verscheidene droegen, voor zoover men volgens de trekken van het gelaat kon oordeelen, de sporen van

pagina 223

de gewelddadigheden, waarvan zij het slachtoffer waren geweest. De kinderlijken waren alle gekleed.”

Tusschen Kuliepe en Harab-Nass zag de heer M. bij een telegraafpaal een stervend kind, verderop zes lijken van geheel naakte vrouwen en twee van kinderen. Een naakte vrouw onder een brug verscholen, smeekte met opgeheven armen om mede genomen te worden; zij was achtergelaten.

Te Tell-Abiad, na het vertrek van een karavaan, lagen er bij de rails 17 dooden en stervenden. Later lieten twee spoorwegambtenaren 17 lijken begraven.

Sinds verscheidene dagen komen hier in deze streek voortdurend karavanen van Armeniërs aan.

De verklaringen van den heer M. komen overeen met wat de president van de commissie van de deportatie mij zeide, toen ik hem een verzoekschrift overhandigde ten gunste van 4 Armenische kinderen:

“U begrijpt niet, wat wij van plan zijn. Wij willen den naam “Armeniër” van de aarde doen verdwijnen.”

pagina 224

INDRUKKEN VAN EEN DUITSCHEN ONDERWIJZER IN TURKIJE 1)

DOOR DR. MARTIN NIEPAGE;

Hoofdleeraar van de Duitsche Hoogere Burgerschool te Aleppo.

Toen ik in September 1915 uit Beiroet te Aleppo terugkwam na een vacantie van drie maanden, hoorde ik met afgrijzen, dat een nieuwe periode van Armenische slachtingen begonnen was. Het gebeurde was nog veel verschrikkelijker dan wat er onder Abdul Hamid geschied was; het doel was nu om geheel het Armenische volk uit te roeien, een intelligent en ijverig volk dat graag vooruit wilde; en alles wat het bezat in Turksche handen te doen overgaan.

Op het eerste oogenblik kon ik het niet gelooven. Men zeide mij, dat er in verschillende wijken van Aleppo massa's uitgehongerde lieden waren, ongelukkige overblijfselen van wat men de “karavanen van deportatie” noemde, Om de vernietiging van het Armenische volk met den mantel der politiek te bedekken, beriep men zich op militaire redenen, die het noodig hadden gemaakt om de Armeniërs uit hun woonzetels te jagen, die zij sinds 2500 jaar be-

1) Uit het bericht zijn eenige politieke zinspelingen weggelaten.

pagina 225

zaten, en hen naar de Arabische woestijn te transporteeren. Men zeide ook, dat enkele Armeniërs zich schuldig hadden gemaakt aan spionnage.

Ik nam overal informaties en kwam tot de conclusie dat de beschuldigingen, die den Armeniërs ten laste werden gelegd, slechts hier en daar wel een enkele maal gegrond, maar zonder eenige beteekenis waren. Men bediende er zich als voorwendsel van om tienduizenden onschuldigen te laten lijden voor één schuldige; om op wreede wijze op te treden tegen vrouwen en kinderen, om op de gedeporteerden het systeem van uithongering toe te passen, met het eenige doel om heel de bevolking uit te roeien.

Om de opinie nog te staven die ik mij door de informaties had eigen gemaakt, bezocht ik al de stadswijken waar Armeniërs, overblijfselen van de karavanen van gedeporteerden, te vinden waren. In oude khans heb ik vergane menschelijke overblijfselen en lijken gevonden, en daaronder nog levende wezens, die op het punt stonden den laatsten adem uit te blazen. In andere lokalen heb ik massa's zieken en uitgehongerden gezien; waarmee niemand zich inliet. In den omtrek van onze school waren vier van deze khans, met uitgehongerde gedeporteerden. Zoowel leeraars als leerlingen gingen dagelijks deze khans voorbij. Door de open vensters zagen wij de levenlooze uitgehongerde menschelijke wezens. Schoolkinderen kwamen dagelijks in nauwe stegen wagens tegen op twee wielen, door ossen getrokken, waarop acht of tien verstijfde lijken lagen, zonder kist, zonder lijkkleed, armen en beenen over den rand hangend.

pagina 226

Na dit schouwspel een paar dagen te hebben aangezien, achtte ik het mijn plicht om het volgende rapport op te stellen:

“In onze hoedanigheid als leeraar aan de Deutsche Realschule van Aleppo, veroorloven wij ons de volgende mededeelingen te doen:

Wij beschouwen het als onze plicht om te verklaren dat ons leeraarsambt bij de inwoners niet meer rekenen mag op eenigen moreelen basis en zich niet meer kan laten respecteeren, als de Duitsche Regeering niet in de mogelijkheid is om de brutaliteit te verhinderen, waarmede hier tegenover vrouwen en kinderen van Armenische slachtoffers wordt opgetreden. Karavanen van gedeporteerden, die bij hun vertrek uit Hoog-Armenië uit 3.000 mannen, vrouwen en kinderen bestonden, zijn bij hun aankomst in het Zuiden geslonken tot 2 à 300. De mannen zijn onderweg vermoord, vrouwen en jonge meisjes, de ouden van dagen, leelijken en zeer jongen uitgezonderd, zijn door de Turksche soldaten en officieren verkracht, om daarna in Turksche of Kurdische dorpen te verdwijnen, waar zij zich bekeeren moeten. De rest der karavanen is gedecimeerd door honger en dorst. Zelfs aan rivieren die men passeert mogen zij den dorst niet lesschen. Al hun voedsel bestaat uit een beetje meel, dat men hun in de hand giet en dat zij gulzig oplikken en waarvan het eenige effect is, dat het de dood vertraagt.

Tegenover onze school bevinden zich in een der khans de overblijfselen van een dezer karavanen van gedeporteerden, ongeveer vierhonderd uitgemergelde wezens, waaronder een honderdtal kinderen van 5

pagina 227

à 7 jaar. De meesten lijden aan typhus of aan dissenterie. Als men de binnenplaats op komt is het of men in een gekkenhuis binnentreedt. Als men voedsel brengt, ziet men dat zij het eten verleerd hebben. Hun maag is door verscheidene maanden honger lijden zoo verzwakt, dat zij geen voedsel meer verdraagt. Als men hun brood geeft, laten zij het onverschillig liggen; zij zijn daar veilig en wachten alleen den dood maar af.

Hoe kunnen wij, leeraars, met onze leerlingen Duitsche sprookjes lezen of in den bijbel de geschiedenis behandelen van den barmhartigen Samaritaan? Hoe kunnen wij hun leeren verbuigen en vervoegen, terwijl rondom ons en vlak bij ons hun landgenooten van honger omkomen? Ons werk is een beleediging voor de moraal en de ontkenning van elke menschelijke gevoeligheid. En wat wordt er van deze ongelukkigen, die men in de stad en in de omstreken bij duizenden de woestijn heeft ingedreven, bijna uitsluitend vrouwen en kinderen? Men drijft ze van de eene plaats naar de andere tot de duizenden tot honderden geslonken zijn, en de honderden tot een klein groepje, en dat kleine groepje wordt nog opgejaagd en uitgehongerd tot ook dat verdwenen is. En als het doel van de reis bereikt is, vertellen de kranten van de “nieuwe woonplaatsen voor de Armeniërs bestemd.”

Op het oogenblik dat ik dit document schreef, was de Duitsche consul te Alep vervangen door dien van Alexandrette, door consul Hoffmann. Deze vertelde mij, dat het Duitsche gezantschap talrijke rap-

pagina 228

porten ontvangen had van de consulaten te Alexandrette, Aleppo en Mosoel. Hij spoorde mij aan om ze aan te vullen door het verhaal van wat ik zelf gezien had en beloofde mij te zorgen dat mijn rapport te Constantinopel aankwam. Ik schreef het dus en schilderde den stand van zaken zooals ik dien, gezien had in de khans, voor onze school gelegen. De consul vulde mijn rapport aan met foto's, die hij zelf in de khans genomen had en de stapels lijken weergaven, waar kinderen, die nog leefden, zich onder bewogen.

Het rapport werd in dezen vorm ook door mijn collega's geteekend, door Dr. Gräter, hoofdonderwijzer, en Mme. Marie Spieker. De directeur van onze school, de heer Huber, zette er ook zijn handteeking onder en voegde er de volgende woorden bij: Het rapport van mijn collega Niepage is in geen enkel opzicht overdreven. Wij leven reeds weken in een atmosfeer door ziekte en door den stank van lijken verpest. Alleen de hoop op onverwijlde hulp maakt het ons mogelijk ons werk voort te zetten.

Die hulp is niet gekomen. Toen begon ik er over te denken om mijn ontslag te nemen als leeraar van een Duitsche school, omdat ik het absurd en immoreel vond om de representant van de Europeesche beschaving te zijn, een volk onderricht te geven en op te voeden en tegelijkertijd getuige te zijn, zonder er iets aan te kunnen doen, van den doood en den hongersnood van landgenooten van onze leerlingen, door de regeering van het land veroorzaakt.

Mijn omgeving en de directeur van de school, de heer Huber, deden mij van mijn plan afzien; men

pagina 229

overtuigde mij dat het van belang was dat wij als getuigen in het land bleven; misschien zou onze tegenwoordigheid er toe bijdragen om de Turken wat minder onmenschelijk tegen hun slachtoffers te doen optreden. Ik erken nu dat ik te lang de stille getuige geweest ben van die gruwelen.

Onze tegenwoordigheid heeft geen enkele verbetering ten gevolge gehad; wat wij hebben kunnen doen was al heel weinig. Mme Spieker, onze dappere collega, kocht zeep, en de vrouwen en kinderen, die nog in leven waren, werden met zeep gewasschen en van ongedierte gezuiverd. Zij belastte eenige vrouwen met het koken van soep voor vrouwen die nog voedsel tot zich konden nemen. Zeven weken lang deelde ik iederen avond aan de stervende kinderen zeven emmers thee uit, kaas en geweekt brood. Maar de typhus, de hongertyphus en de vlektyphus, verspreidde zich uit die dooden-huizen in de stad; ik werd met vijf collega's ziek en wij moesten ons werk staken. De gedeporteerden die te Aleppo aankwamen waren overigens niet meer te redden; het waren slechts ter dood veroordeelden wier laatste oogenblikken wij iets verzachten konden.

Wat wij te Aleppo zagen was slechts de laatste acte van de groote tragedie; een klein gedeelte van de afgrijzelijkheden die zich in andere gedeelten van Turkije afspeelden. De ingenieurs van de spoorlijn naar Bagdad en Duitsche reizigers die onderweg karavanen van gedeporteerden waren tegen gekomen, deden nog veel afschuwelijker verhalen. Menigeen kon niet eten van de vreeselijke gruwelen, waarvan hij getuige was geweest

pagina 230

Een van hen, de heer Greif, van Aleppo, vertelde, dat heel de straatweg langs de spoorlijn bezaaid lag met de naakte lijken van verkrachte vrouwen. Een ander, de heer Spieker van Aleppo, had de Turken Armeniërs aan elkaar vast zien binden om er dan op te schieten en zich lachend te verwijderen, terwijl hun slachtoffers ten prooi aan de hevigste stuiptrekkingen langzaam den laatsten adem uitbliezen. Anderen had men de handen op den rug vastgebonden en liet men van de helling afrollen; onder aan de helling maakten vrouwen hen met messteken af. Een protestantsch geestelijke, die mijn collega Gräter en mij op een vorige reis eens zeer hartelijk ontvangen had, waren de nagels afgerukt.

De Duitsche consul uit Mossoel vertelde in mijn tegenwoordigheid in het Duitsche Casino te Aleppo dat hij, toen hij van Mossoel naar Aleppo ging, onderweg zooveel afgehouwen kinderhanden had zien liggen, dat men er een weg mee had kunnen bestraten. In het Duitsche hospitaal te Urfa was een klein meisje, dat men beide handen had afgehouwen. De heer Holstein, Duitsch Consul te Mossoel, heeft bij een Arabisch dorp inn de buurt van Aleppo, bronnen gezien vol lijken van Armeniërs. De Arabieren van het dorp vertelden, dat zij deze Armeniërs op bevel van het gouvernement gedood hadden: Een van hen beroemde er zich op er acht vermoord te hebben.

In verschillende huizen van Aleppo, die door Christenen bewoond waren, vond ik Armenische jonge meisjes verborgen, die door een toeval aan den dood ontsnapt waren, doordat zij uitgeput op den weg waren neergevallen en als dood achtergelaten werden,

pagina 231

toen de karavanen er langs trokken, of doordat Europeanen hen voor eenige Marken hadden kunnen koopen van een Turksch soldaat, die hen het laatst onteerd had. Allen zijn zoo goed als krankzinnig. Verscheidenen hebben hun ouders zien onthoofden. Ik ken ongelukkigen, die maanden lang geen woord hebben kunnen uitbrengen, en die niets nu meer kunnen doen glimlachen.

Een jong meisje van 14 jaar is door den heer Krause, den Chef van het magazijn van de Bagdadlijn, opgenomen. Gedurende één nacht was zij door zooveel Turksche soldaten gebruikt, dat zij haar verstand er door verloren had. Ik zag haar met koortsachtig gloeiende lippen onrustig in haar bed heen en weer rollen, en ik had veel moeite om haar wat water te laten drinken.

Een Duitscher, dien ik ken, heeft Turksche soldaten honderden christelijke boerinnetjes zien dwingen om zich geheel uit te kleeden, waarop zij, tot groot vermaak der soldaten, spiernaakt den weg door de woestijn gedurende verscheidene dagen moesten vervolgen, blootgesteld aan een hitte van 40°, die hun letterlijk de huid verschroeide. Een ander heeft gezien dat een Turk het kind van de borst van een moeder wegrukte, om het tegen den rotswand te pletter te slaan.

Andere feiten, nog erger dan de voorbeelden die wij gaven, zijn vermeld in de talrijke rapporten der Duitsche consulaten van Alexandrette, Aleppo en Mossoel, die naar het gezantschap gezonden zijn. Volgens de consuls zijn er de laatste maanden door de gruwelijke slachting een millioen Armeniërs

pagina 232

bezweken, waarvan minstens de helft vrouwen en kinderen, die aan honger gestorven zijn.

Het is een plicht om deze dingen te vertellen. Hoewel het gouvernement door de uitroeiing der Armeniërs slechts een politiek doel beoogt, heeft de manier, waarop die uitgevoerd wordt toch heel veel van een Christen-vervolging.

Verscheidene tienduizenden van vrouwen en kinderen, die in Turksche harems verdwenen zijn, de massa's kinderen, die door het gouvernement bijeen vergaard, onder Turken en Koerden verdeeld zijn, zijn verloren voor de Christelijke Kerk. Zij moeten Mohammedanen worden. De Duitschers hooren opnieuw het beleedigende woord “giaoer”.

Te Adana zag ik een troepje Armenische weezen onder geleide van Turksche soldaten de straten doortrekken. De ouders zijn vermoord, de kinderen moeten Mohammedanen worden. Overal zijn gevallen van Armeniërs, die gered zijn doordat zij het Christendom hebben afgezworen. Maar in zekere gedeelten hebben de Turksche ambtenaren om de Europeanen zand in de oogen te strooien, edelmoedig gezegd, dat de godsdienst geen speelgoed was, nadat zij de Christenen hadden uitgenoodigd om een verzoekschrift in te leveren, waarin zij verzochten om zich tot den Mohammedaanschen godsdienst te mogen bekeeren, toch werden zij ter dood veroordeeld. Aan Armeniërs, die hun rijke geschenken brachten, hebben mannen als Talaat en Enver Bey herhaalde malen geantwoord, terwijl zij de geschenken aannamen, dat zij liever gezien hadden, dat zij zich tot den Mohammedaanschen godsdienst bekeerd hadden.

pagina 233

Een dier heeren zeide aan een reporter: "Zeker, wij hebben ook veel onschuldigen gestraft. Maar wij moeten ons ook beschermen tegen hen, die schuldig zouden kunnen worden." Van dien aard zijn de argumenten, waarmee ambtenaren van den Turkschen staat de moorden rechtvaardigen, bij massa's op vrouwen en kinderen gepleegd. Een Katholiek Duitsch geestelijke bevestigt, dat Enver Pascha aan den afgezant van den Paus te Konstantinopel, Monseigneur Dolci, gezegd heeft, dat hij niet zou ophouden, zoolang er nog een Armeniër in leven was.

Het doel van de deportatie is de verdelging van heel het Armenische volk.

Het aanbod van het Amerikaansche gouvernement om de verjaagden naar Amerika te transporteeren op Amerikaansche booten en op kosten van Amerika, is van de hand gewezen.

Wat onze Duitsche consuls en de talrijke vreemdelingen in Turkije van de slachting denken, zal later blijken. Van de opinie der Duitsche officieren kan ik niets zeggen. Ik heb dikwijls hun ijzig stilzwijgen opgemerkt of hun wanhopende pogingen om de conversatie op iets anders te brengen, als de een of andere gevoelige Duitscher zich een onafhankelijk oordeel veroorloofde over de afschuwelijke ellende der Armeniërs.

Toen Von der Goltz, de veldmaarschalk, Djerabloes aan de Euphraat passeerde op weg naar Bagdad, was er op dat oogenblik juist een groote karavaan van uitgehongerde gedeporteerden. Later hoorde ik te Djerabloe zelf, dat men even voor de aankomst van den veldmaarschalk, deze ongelukkigen met hun

pagina 234

zieken en stervenden onder zweepslagen achter de heuvels gedreven had. Toen Von der Goltz passeerde was er geen spoor meer te zien van de ongelukkigen en toen ik kort daarop met twee collega's het kamp bezocht, vonden wij op afgelegen plaatsen lijken van mannen en kinderen, overblijfselen van kleederen, doodshoofden en beenderen, waarvan de jakhalzen en roofvogels het grootste gedeelte van het vleesch afgeknaagd hadden.

Welke beweegredenen hebben de Jong-Turken ertoe gebracht om zulke afgrijselijke maatregelen uit te vaardigen en te laten vol voeren?

De Jong-Turken zien in Europa het ideaal voor zich zweven van een homogene nationaliteit. Zij hopen, dat de Mohammedaansche, niet-Turksche rassen, de Koerden, de Perzen, de Arabieren, enz., verturkscht zullen worden langs administratieve wegen en door de Turksche school, die hun het belang zal leeren van een algemeen Mohammedaansche aaneensluiting. De Christelijke naties, de Armeniërs, Syriërs en Grieken, zullen niet, denken zij, op vreedzame wijze verturkscht kunnen worden, van wege hun superieure cultuur en hun economische ontwikkeling. Hun godsdienst is ook een hinderpaal. Daarom moeten zij van de aarde verdwijnen of tot den Mohammedaanschen godsdienst gedwongen worden. De Turken begrijpen niet, dat zij daardoor het voetstuk afbreken waarop zij stand houden. Wie zal Turkije vooruit brengen dan de Grieken, de Armeniërs en de Syriërs, die meer dan een vierde gedeelte van de inwoners van het rijk uitmaken? De Turken zijn het minst begaafd van de rassen in Turkije, zij maken

pagina 235

slechts de minderheid der bevolking uit en zijn oneindig minder beschaafd dan zelfs de Arabieren. Waar vindt men een Turkschen handel, Turksche ambachten, nijverheid, kunst of wetenschap? Zelfs hun rechtspraak, hun godsdienst en geschreven taal hebben zij ontleend aan de Arabieren, die zij onderworpen hebben.

Wij, onderwijzers, die jaren lang in Turkije Grieken onderwezen hebben, Armeniërs, Arabieren en Turken, wij kunnen niet anders dan constateeren, dat onder al onze leerlingen de Turken het minst leergierig en het minst capable waren. Als men hoort, dat een Turk het tot iets gebracht heeft, kan men van 9 op de 10 gevallen zeker zijn, dat het een Tscherkes is, een Albanees of een Turk, die Bulgaarsch bloed in de aderen heeft. Mijne persoonlijke ondervindingen hebben mij overtuigd, dat de Turken nooit iets van belang zullen presteeren in handel, nijverheid noch wetenschap.

Wij moeten alleen trachten om het half millioen Armenische vrouwen en kinderen, dat in Turkije nog in leven is en aan den honger ten prooi, te redden. Hen ten onder te laten gaan zou een schande zijn voor heel de beschaafde wereld. De honderdduizenden vrouwen en kinderen die zich nog in de woestijnen van Mesopotamië voortsleepen en langs de wegen, die er heen leiden, zullen hun ellende niet lang meer uit kunnen houden. Hoe lang kan men leven van de graantjes, die men uit de uitwerpselen van paarden zoekt, met bijvoeging van wat gras? Velen zijn voor altijd verloren door de lange ontberingen en de dyssenterie. Te Konia verblijven nog

pagina 236

eenige duizenden Armeniërs, die uit Konstantinopel verjaagd zijn, lieden, die het goed gehad hebben, beschaafde dokters, schrijvers en kooplieden,. Die men te hulp zou kunnen komen. Er zijn nog 1.600 Armeniërs in een gedeelte van den Bagdad-spoorweg tusschen Eisan en Enreli, mannen, vrouwen en kinderen, waaronder grootmoeders van 60 jaar en veel kinderen van 6 en 7 jaar. De mannen zijn steenenkloppers en aardwerkers in de buurt van den grooten tunnel. Een tijd lang heeft de heer Morf, ingenieur aan de Bagdad-lijn, zich hun lot aangetrokken, maar het gouvernement heeft hun namen reeds geregistreerd. Zoodra hun werk afgeloopen is, wat in 2 of 3 maanden het geval zal zijn, zal hun “een nieuwe verblijfplaats worden aangewezen”, wat beteekent, dat de mannen verwijderd en gedood zullen worden, dat de jonge mooie vrouwen in harems opgenomen zullen worden en dat de rest de woestijn ingejaagd wordt tot allen omgekomen zullen zijn.”

pagina 237

BESLUIT

Hetgeen wij in vorenstaande bladzijden hebben medegedeeld, kan in het volgende worden saamgevat:

Het aantal Armeniërs in Turkije bedroeg voor den oorlog naar Patriarchale statistieken ca. 1.845.000. De maatregelen tot wegvoering deden hun invloed gelden in al de door Armeniërs bewoonde Wilajets. Alleen Konstantinopel, Smyrna en Jeruzalem bleven verschoond. De Armenische bevolking van Wan ontkwam aan de deportatie (voorzoover zij tenminste niet door de Kurden waren gedood) deels door de vlucht over de grenzen, deels door deportaties door de Russen. Ook de gezinnen die tot den Islam toetraden, werden voor het meerendeel gespaard, evenals de tallooze meisjes, jonge vrouwen en kinderen, die naar de Turksche harems of Kurdische dorpen werden vervoerd.

Het getal dergenen die door vluchten of door het aannemen van den Islam aan de deportatie zijn ontkomen, vormt zeker niet meer dan een derde der bevolking. Drie vierden (ongeveer 1.400.000) waren het slachtoffer van de wegvoering. In de oostelijke provin-

pagina 238

ciën ging deze wegvoering systematisch vergezeld van een uitmoording of het aanrichten van een bloedbad, waardoor de mannelijke bevolking grootendeels, en de vrouwen en meisjes voor een niet gering deel, werden omgebracht.

Van officieel-Turksche zijde is als aantal gedoode Armeniërs 300.000 genoemd. Rekent men hierbij het aantal dat op weg naar de plaats van bestemming is vermoord en door honger en ziekte is omgekomen, dan zal het verlies aan Armeniërs tot tweemaal of driemaal hooger aantal moeten worden opgevoerd.

Wanneer men aanneemt, dat van de 1.400.000 gedeporteerden, 800.000 zijn gedood of in Mohammedaansche dorpen verstrooid zijn, dan resten er 600.000, meest vrouwen en kinderen, die het doel der deportatie, de Mesopotamische woestijn, hebben bereikt.

Ook dit schijnt nog te gunstig; de helft der overgeblevenen zal intusschen wel door honger en kommer omgekomen zijn. Reeds in 1916 schatte een Duitsch Consul het aantal Armenische slachtsoffers op één millioen.

Door de Turksche Regeering wordt de wegvoering gekarakteriseerd als een “verhuizing naar nieuwe woonplaatsen in Mesopotamië”. Nu ligt in de gewone beteekenis van het gezegde: “verhuizing naar nieuwe woonplaatsen” opgesloten, dat de gedeporteerdenn hun bezit, zooals vee, huisraad, landbouwgereedschap, enz., kunnen meenemen; in geen enkel opzicht echter was dit het geval met de Armeniërs.

De onteigening van akkers en huizen, werkplaatsen, magazijnen, huisraad, enz., strekte zich uit

pagina 239

over anderhalf millioen onderdanen van het Turksche rijk; alles moest worden achtergelaten; terwijl op eenige schadevergoeding niet kon worden gerekend. Van een verzorging der overgeblevenen was, op enkele uitzonderingen na, geen sprake, zoodat zij waren aangewezen op den bedelstaf, of door honger en gebrek moesten omkomen.

Waar ongeveer 80% der weggevoerden Armeniërs landbouwers waren, is het gevolg dat een groot deel van Turkije thans braak ligt, en voor de Mohammedaansche bevolking in die streken ook noodstand dreigt.

De schadelijke gevolgen, die de vernietiging van de Armenische natie met zich brengt, zijn van invloed niet alleen op den Turkschen, maar vooral op den buitenlandschen handel. De Armeniërs hadden minstens 60% van den invoer, 40% van den uitvoer in handen, en de inlandsche nijverheid en het handels verkeer berustte voor minstens 80 % bij de Armeniërs.

Gregorianen, Roomschen en Protestanten werden gelijkelijk door de deportatie getroffen. De organisaties der kerken zijn verstoord. Meer dan duizend godshuizen staan thans ledig. Voorzoover zij niet door de schendende handen der Turken zijn verwoest, zijn zij in moskeeën veranderd of aan verval en verwording overgelaten.

Het bloeiende leerlingwezen van het Armenische volk, dat meer dan 120.000 schoolkinderen telde, is vernietigd. Schoolgebouwen en leermiddelen zijn geconfiskeerd, de leeraren meerendeels gedood, de onderwijzeressen mishandeld en weggevoerd. Zelfs zijn de gezinnen uiteen gescheurd; mannen van hunne vrouwen, kinderen van hunne ouders weggerukt.

pagina 240

De politieke gevolgen van de vernietiging der Armenische bevolking doen zich mede nu reeds gevoelen. De Russische Armeniërs uit den Kaukasus, ten getale van circa 1 millioen, hadden voorheen geen enkele reden zich te identificeeren met het Russische rijk. Door de uitmoording hunner rasgenooten in Turkije, waren zij gedwongen zich den Russen in de armen te werpen. Hetzelfde geldt den Syriërs en Nestorianen.

De moreele gevolgen van de wegvoering der Armeniërs zullen eerst na den oorlog worden gevoeld.

De wereld zal het nooit willen gelooven, dat uit strategisch oogpunt de deportatie van één millioen vrouwen en kinderen, de dwang tot Islamiseering, en de vermoording van honderdduizenden noodzakelijk is geweest, (zooals de Turksche regeering voorgeeft).

Alle pogingen tot opleving der kultuur, tot den opbloei van wetenschap en kunst in Turkije, zijn ten zeerste geschaad door de uitmoording van het intelligente Armenische volk en door de vernietiging van de meest waardevolle arbeidskrachten.

De politieke leidslieden van het Armenische volk hebben zich niet alleen van elke handeling tegen het Turksche rijk onthouden, maar reeds van af de vestiging der thans aan het bewind zijnde Jong-Turksche partij, hebben zij deze gesteund. De beste kenners van Turksche toestanden zijn er van overtuigd, dat de gruwelijke gebeurtenissen, die het Armenische volk zijn overkomen, hun grond vinden in het pan-Islamisme en pan-Turkisme van de huidige Turksche regeering, en in geen enkel opzicht in illoyale handelingen van de Armeniërs.

pagina 241

De ondergeteekende ..............................................................................................................................................................
wonende ............................................................................ No. ............................ te .............................................................
verklaart zich bereid bij te dragen voor Hulp voor het Armenisch Volk, de somma van (in letters)
.....................................................................................................................................................................................................
(in cijfers) ƒ .........................................................................................
......................................................................., den 191     .

(onderteekening)


S.v.p. in te zenden aan de Secretaresse-Penningmeesteresse Mej. E.J. VAN DER HOOP,
Kanaalstraat 7a, te 's Gravenhage, of aan een der andere leden van het Comité.

De ondergeteekende ..............................................................................................................................................................
wonende ............................................................................ No. ............................ te .............................................................
verklaart zich bereid bij te dragen voor Hulp voor het Armenisch Volk, de somma van honderd gulden, als jaarlijksche verplegingskosten van één weeskind.
.....................................................................................................................................................................................................
(in cijfers) ƒ .........................................................................................
......................................................................., den 191     .

(onderteekening)


pagina 242

Colofon